Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2338
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,813 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2338 text/xml public 2026-04-10T12:42:32 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 C/02/441039 / FA RK 25-5382 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2338 text/html public 2026-04-10T12:41:51 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / C/02/441039 / FA RK 25-5382 Vervangende toestemming vakantie, artikel 1:253 a BW. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/441039 / FA RK 25-5382 datum uitspraak: 27 februari 2026 beschikking in de zaak van [de man] , hierna te noemen de man, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg, tegen [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonende in [plaats 2] , advocaat: mr. A. Elias uit Oisterwijk, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, hierna te noemen [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010, hierna te noemen [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2013, hierna te noemen [minderjarige 3] . 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 21 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift van de man met 8 producties; - het bericht van mr. Leijser van 24 oktober 2025 met 1 productie; - het op 5 februari 2026 ontvangen verweerschrift van de man tevens inhoudende zelfstandige verzoeken met 5 producties. 1.2 De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 13 februari 2026. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. 1.3 De rechtbank heeft de minderjarigen naar hun mening gevraagd. De minderjarigen hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter, met goedvinden van de minderjarigen, samengevat wat de minderjarigen haar hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben in de periode van 2008 tot 2016 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn de minderjarigen geboren. 2.2 De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.3 De minderjarigen verblijven bij de man. De minderjarigen hebben elke week van zaterdag tot zondag contact met de vrouw. 2.4 [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben van 2 maart 2020 tot 2 september 2023 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant en Aissatou van 2 maart 2020 tot 2 september 2024. 2.5 Bij beschikking van 23 juni 2023 van deze rechtbank is aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming verleend om voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de Nederlandse nationaliteit aan te vragen. 2.6 Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend, ter vervanging van de verzochte instemming van de vrouw, voor het afreizen naar [plaats 3] ( [locatie] ) in Afrika, in de periode van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026 voor de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . 3.2 De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vrouw de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat: 1. aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend, ter vervanging van de vereiste instemming van de man, om met minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] af te reizen naar [plaats 3] ( [locatie] ), Afrika, in de periode van 10 juli 2026 tot en met 31 juli 2026, met dien verstande dat, indien de man eveneens gedurende een aaneengesloten periode van zes weken naar [locatie] afreist, de minderjarigen vanaf 31 juli 2026 tot het einde van de zomervakantie bij de man verblijven waarbij tevens wordt bepaald dat de vrouw de kosten van het vliegticket van de minderjarige [minderjarige 2] voor haar rekening neemt en dat de man verantwoordelijk is voor de kosten van de vliegtickets van de twee overige minderjarigen; 2. te bepalen dat de man binnen twee weken na dagtekening van de beschikking de drie brieven van de Belastingdienst aan de vrouw overlegt, waaruit blijkt welke bedragen zijn toegekend en ontvangen en ten behoeve van welke minderjarige; 3. te bepalen dat alle ontvangen compensatiegelden worden gestort op drie afzonderlijke spaarrekeningen op naam van de minderjarigen, waarbij beide partijen als wettelijk vertegenwoordiger/gemachtigde worden geregistreerd en waarbij voor iedere opname van gelden de toestemming en handtekening van beide partijen is vereist; 4. te bepalen dat deze rekeningen geblokkeerd blijven tot het bereiken van de meerderjarigheid van de minderjarigen, waarna de gelden aan de minderjarigen zelf toekomen, met behoud van toezicht door beide partijen tot dat moment; 5. te bepalen dat de man aan voornoemde verplichtingen dient te voldoen binnen twee weken na dagtekening van de beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft; 6. althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarigen passend en wenselijk acht. 4 De beoordeling 4.1 Tijdens de zitting is met partijen uitgebreid gesproken over de voorliggende verzoeken. Partijen hebben overeenstemming bereikt ten aanzien van het verzoek van de vrouw vermeld onder 1 en ten aanzien van de verzoeken van de vrouw vermeld onder 2 tot en met 6, hetgeen hieronder nader zal worden uiteengezet. 4.2 Ten aanzien van het verzoek van de vrouw vermeld onder 1 heeft de man zijn toestemming aan de vrouw verleend om samen met de minderjarigen in de periode van 10 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 af te reizen naar [plaats 3] , meer specifiek [locatie] , om daar met de minderjarigen te verblijven voor vakantie en het bezoeken van familie. Daarbij zijn partijen met elkaar overeengekomen dat de vrouw verantwoordelijk is voor de heenreis van de minderjarigen naar [plaats 3] en de terugreis van de minderjarigen naar Nederland en dat zij de kosten van de vliegtickets van de minderjarigen geheel zelf draagt. Gelet op deze overeenstemming heeft de vrouw haar verzoek vermeld onder 1 ingetrokken. Dit betekent dat dit verzoek niet meer ter beoordeling aan de rechtbank voorligt. Het verzoek zal worden afgewezen. 4.3 Ten aanzien van de verzoeken van de vrouw vermeld onder 2 tot en met 6 zijn partijen het volgende met elkaar overeengekomen: - de man verstrekt de drie brieven van de Belastingdienst aan de vrouw, waaruit blijkt welke bedragen aan compensatiegelden in verband met de toeslagenaffaire per minderjarige zijn toegekend en ontvangen; - de ontvangen bedragen aan compensatiegelden worden gestort op drie afzonderlijke en/en-spaarrekeningen op naam van de minderjarigen. Partijen worden als wettelijk vertegenwoordiger/gemachtigde ten aanzien van deze rekeningen geregistreerd. Dit betekent dat voor iedere opname van de gelden van de rekeningen de toestemming en handtekening van beide partijen is vereist; - de drie afzonderlijke en/en-spaarrekeningen blijven geblokkeerd tot het bereiken van de meerderjarigheid van de minderjarigen, waarna de gelden aan de minderjarigen zelf toekomen; - de advocaten van partijen bieden aan partijen hulp bij het realiseren van bovenvermelde afspraken, zodat hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de door de minderjarigen toegekende en ontvangen compensatiegelden wordt geregeld en uitgevoerd. In voormelde afspraken heeft de vrouw reden gezien om haar verzoeken vermeld onder 2 tot en met 6 in te trekken. Ook deze verzoeken liggen daarom niet meer ter beoordeling aan de rechtbank voor en zullen worden afgewezen.
Volledig
4.4 Het is partijen niet gelukt om overeenstemming te bereiken over het verzoek van de man om aan hem toestemming te verlenen om samen met de minderjarigen in de periode van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026 af te reizen naar [plaats 3] , meer specifiek [locatie] , voor vakantie en het bezoeken van familie. 4.5 Omdat partijen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen hebben, heeft de man de toestemming van de vrouw nodig om de minderjarigen mee te nemen voor vakantie en familiebezoek naar [plaats 3] . Nu de vrouw daarvoor haar toestemming weigert, is derhalve in geschil of het de man moet worden toegestaan om met de minderjarigen in de door hem verzochte periode naar [plaats 3] te gaan. Volgens het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daarover aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. 4.6 De man heeft aangevoerd dat [plaats 3] zijn geboorteland is en dat zijn familie woonachtig is in [locatie] in [plaats 3] . De man heeft in [locatie] een huis laten opknappen, dat zich bevindt op een perceel waar ook zijn moeder en broer wonen. De man heeft de wens om met de minderjarigen af te reizen naar [plaats 3] om daar de minderjarigen kennis te laten maken met de familie en hun woonomgeving. De minderjarigen zijn nog nooit in [plaats 3] geweest. In [plaats 3] is van mei tot oktober sprake van het regenseizoen. Hierdoor acht de man een vakantie met de minderjarigen in de komende meivakantie, die voor alle drie de minderjarigen dit jaar loopt van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026, meer geschikt dan in de zomervakantie. Immers, in voormelde periode is sprake van betere weeromstandigheden waardoor de man en de minderjarigen meer van de omgeving kunnen zien en onder prettigere omstandigheden familie kunnen bezoeken en minder geconfronteerd worden met ziektes. Daarbij realiseert de man zich dat [minderjarige 2] in haar eindexamenjaar zit, maar dit vormt volgens de man geen reden om een vakantie en verblijf van [minderjarige 2] in [plaats 3] kort voor de start van haar eindexamen niet in haar belang te achten. Integendeel, in [plaats 3] kan [minderjarige 2] beter leren voor haar examens, omdat zij daar niet wordt afgeleid door haar vriendinnen. Daarnaast starten de examens een week na thuiskomst in Nederland, zodat [minderjarige 2] in die tussenliggende week ook nog tijd en ruimte heeft om te leren. Ook heeft de man over de haalbaarheid van de examens van [minderjarige 2] in relatie tot een verblijf van haar in [plaats 3] in de meivakantie contact gehad met de mentor van [minderjarige 2] . Hierover zijn afspraken gemaakt. 4.7 De vrouw heeft naar voren gebracht dat zij geen bezwaar heeft tegen een vakantie en verblijf van de man samen met de minderjarigen in [plaats 3] , meer specifiek [locatie] . De wens van de man om de minderjarigen kennis te laten maken met [plaats 3] en zijn in [plaats 3] woonachtige familie is begrijpelijk, temeer nu de vrouw deze wens zelf ook heeft. De vrouw kan echter niet instemmen met de door de man verzochte periode van verblijf in [plaats 3] van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026, gezien de examens die [minderjarige 2] kort na deze vakantie moet afleggen in het kader van haar eindexamenjaar. Met een vakantie in [plaats 3] , die gepaard gaat met vele uitstapjes en familiebezoeken, wordt [minderjarige 2] onvoldoende in staat gesteld om te leren. Bovendien is [minderjarige 2] een gevoelig meisje. Zij heeft een vertrouwde omgeving nodig om tot leren te komen. 4.8 Gelet op hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht stelt de rechtbank vast dat de weigering van de vrouw om haar toestemming te verlenen voor een vakantie van de man samen met de minderjarigen in [plaats 3] , meer specifiek [locatie] , in de periode van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026 enkel betrekking heeft op [minderjarige 2] . De vrouw heeft namelijk geen bezwaren aangevoerd ten aanzien van een verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in [plaats 3] in voormelde periode. 4.9 In dat wat de vrouw ten aanzien van [minderjarige 2] heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende zwaarwegende redenen om het verzoek van de man af te wijzen. Weliswaar is een vakantie en verblijf in het buitenland vlak voor het eindexamen mogelijk niet ideaal, maar dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat [minderjarige 2] hierdoor onvoldoende in staat wordt gesteld om zich goed voor te kunnen bereiden op haar examens. De man beschikt over een eigen woning in [locatie] in [plaats 3] waar hij met de minderjarigen verblijft. [minderjarige 2] kan zich in de woning van de man terugtrekken om te leren voor haar examens. Net zoals het in Nederland zou zijn, is het bovendien aan [minderjarige 2] om een goede planning te maken waarbij uitstapjes en familiebezoeken worden gecombineerd met haar leerwerk. Ter zitting heeft de man te kennen gegeven [minderjarige 2] hierin te zullen ondersteunen en te begeleiden en er zorg voor te dragen dat [minderjarige 2] voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om te leren voor haar examens. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat [minderjarige 2] na terugkomst in Nederland nog enkele dagen heeft om te acclimatiseren en te leren voordat haar examens starten. 4.10 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen. Dit betekent dat de man gerechtigd is om met de minderjarigen af te reizen naar [plaats 3] ( [locatie] ) en aldaar in de periode van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026 te verblijven voor vakantie en familiebezoek. 4.11 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1 verleent aan de man, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming om met de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010; - [minderjarige 3] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2013; af te reizen naar Guinee ( [locatie] ), en aldaar in de periode van 18 april 2026 tot en met 3 mei 2026 te verblijven; 5.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.