Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2325
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,207 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2325 text/xml public 2026-04-02T11:33:57 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 443758 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2325 text/html public 2026-03-31T12:41:40 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / 443758 Ondertoezichtstelling toegewezen voor de duur van twaalf maanden, na voorlopige ondertoezichtstelling. Zorgen zijn nog niet verminderd. Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/443758 / JE RK 26-30 Datum uitspraak: 27 februari 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, betreffende [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Terneuzen, STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI). 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de Raad van 7 januari 2025 met bijlagen, ontvangen op 7 januari 2026; - de op 9 februari 2026 van de Raad ontvangen aanvullende stukken. 1.2. Het verzoek van de Raad is mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren op 27 februari 2026, gelijktijdig met het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing naar [woonplaats 1] althans regio Rotterdam (met zaaknummer: C/02/442579 / FA RK 26-6225). Op het verzoek van de moeder zal bij separate beschikking worden beslist. 1.3. Bij de zitting zijn verschenen en gehoord: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - twee vertegenwoordigsters van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, met ingang van 28 november 2025 en tot 28 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar het overgelegde raadsrapport. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft al sinds haar geboorte te maken met onrust, onvoorspelbaarheid en spanningen in haar opvoedomgeving vanwege de aanhoudende ruzies, spanningen en signalen van geweld tussen de ouders. Er is veel wantrouwen en een gebrek aan communicatie tussen de ouders, waardoor zij er niet in slagen om samen te werken en afspraken te maken. Hierdoor is er geen sprake (geweest) van structureel en onbelast contact tussen [minderjarige] en haar vader. Sinds juli 2025 heeft er zelfs helemaal geen (fysiek) contact meer plaatsgevonden tussen [minderjarige] en haar vader. Dit is schadelijk voor de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] aan haar vader en haar identiteitsontwikkeling. De Raad is verder bezorgd over de zorgen en beschuldigingen die beide ouders uiten over de andere ouder en diens opvoedomgeving, en over de effecten hiervan op de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] . Het is de afgelopen periode nog niet gelukt om zicht te krijgen op de zorgen en beschuldigingen die ouders uiten over elkaar. Ook is het de ouders nog niet gelukt om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen of te verminderen. Daarom is er regievoering in het gedwongen kader nodig. 4.2. Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. Hij onderschrijft de door de Raad genoemde zorgen over en de risico’s voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader gaat er wel van uit dat de moeder aan de ondertoezichtstelling gaat meewerken. Hij hoopt dat er de komende tijd zicht komt op de opvoedsituatie van de moeder en dat de zorgen en beschuldigingen die de moeder uit, worden ontkracht. 4.3. Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. Zij vindt het goed dat er verder onderzoek wordt gedaan naar de situatie tussen de ouders en van [minderjarige] , zodat daar duidelijkheid over gaat ontstaan. 4.4. Namens de GI wordt naar voren gebracht dat er direct een nieuwe, vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor [minderjarige] en de ouders. De GI vindt het heel zorgelijk dat de moeder de afgelopen tijd heel veel beschikkingen niet heeft opgevolgd, terwijl hier maar weinig consequenties aan zijn verbonden. De moeder stagneert op allerlei punten, waaronder in het contact met de GI. Zij blijft zich richten op het voeren van een strijd met de vader in plaats van dat zij het belang van [minderjarige] vooropstelt. De GI heeft er dan ook weinig vertrouwen in dat de moeder zich aan een zorgregeling gaat houden. Daarbij benoemt de GI dat zij Zeeuws zijn ingericht. Als de moeder in [woonplaats 1] blijft wonen, maakt dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling praktisch ingewikkeld, onder andere voor het inzetten van hulpverlening. De komende tijd zal de moeder in ieder geval haar medewerking moeten gaan verlenen aan de ondertoezichtstelling en dus met de vader moeten gaan samenwerken. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechtbank een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 5.2. De meervoudige kamer van de rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de bovengenoemde voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. Daarom zal de rechtbank het (onweersproken) verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar, met ingang van 27 februari 2026 en tot 27 februari 2027. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. 5.3. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. Er is al sinds haar geboorte sprake van onrust, spanningen en onvoorspelbaarheid in haar opvoedomgeving vanwege de aanhoudende ruzies en spanningen tussen de ouders. De ouders wantrouwen elkaar en communiceren niet met elkaar, waardoor zij er niet in slagen om met elkaar samen te werken en afspraken te maken over [minderjarige] . Daardoor heeft [minderjarige] geen structureel en onbelast contact met haar vader gehad, en inmiddels zelfs al lange tijd helemaal geen fysiek contact meer met haar vader. Met de Raad acht de rechtbank dit schadelijk voor de hechtingsontwikkeling van [minderjarige] aan haar vader en de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Ook is [minderjarige] al meermaals verhuisd.
Volledig
Verder zijn er zorgen over [minderjarige] vanwege de beschuldigingen en zorgen die de ouders over elkaar en de opvoedomgeving van de ander uiten, en waar de afgelopen periode nog onvoldoende zicht op is gekomen. 5.4. Ondanks de betrokkenheid van de GI in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling gedurende de afgelopen periode, is het de ouders nog niet gelukt om de bovengenoemde zorgen te verminderen of weg te nemen. De verstandhouding en communicatie van de ouders zijn nog steeds erg verstoord en het is de ouders en de GI nog niet gelukt om toe te werken naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . De uitvoering van de ondertoezichtstelling is ook moeizaam gebleken, omdat de moeder daar niet altijd aan lijkt te willen meewerken. Daarbij is het dus nog niet gelukt om meer zicht te krijgen op de situatie van [minderjarige] en de ouders. De rechtbank is dan ook met de Raad van oordeel dat er voorlopig nog regievoering in het gedwongen kader nodig is. Daarbij overweegt de rechtbank dat alle partijen met de ondertoezichtstelling van [minderjarige] hebben ingestemd. 5.5. De rechtbank zal gelet op al het voorgaande [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar. Daarbij bepaalt de rechtbank dat de komende tijd moet worden gewerkt aan de doelen zoals geformuleerd door de Raad in de raadsrapportage, te weten: [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat; Ouders zijn voor [minderjarige] betrouwbare en veilige hechtingsfiguren. [minderjarige] ervaart blijvend stabiliteit en continuïteit in het contact met haar ouders; [minderjarige] heeft een positief, veilig en onbelast contact met haar beide ouders, maar ook met andere belangrijke personen; Ouders belasten [minderjarige] niet met hun (onderlinge) spanningen; Er is zicht op de opvoedomgeving, de opvoedvaardigheden en het persoonlijk functioneren van ouders, zodat duidelijk wordt of zij voldoende in staat zijn tot het sensitief (opmerken van signalen) en responsief (afstemmen op de signalen) opvoeden van [minderjarige] ; Ouders kunnen communiceren en afspraken maken in het belang van [minderjarige] , voor zover er voldoende veiligheid is die dit toelaat; Ouders respecteren elkaar als opvoeder en doen geen negatieve uitlatingen over elkaar in het bijzijn van [minderjarige] ; Ouders richten zich op de toekomst en stellen het belang van [minderjarige] voorop. Afspraken over contactherstel en -opbouw 5.6. Tot slot merkt de rechtbank op dat het de ouders samen met de GI tijdens een schorsing van de zitting is gelukt om met elkaar en de GI afspraken te maken over het contactherstel en de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de vader. De ouders en de GI hebben afgesproken dat de omgangsbegeleider aanstaande woensdag 4 maart 2026 nog eenmaal langsgaat bij de moeder en [minderjarige] . De twee woensdagen daarna (respectievelijk 11 en 18 maart 2026) zal er één uur contact plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding op een nog af te stemmen locatie in [woonplaats 1] . Vervolgens zal er op woensdag 25 maart 2026 gedurende twee uur begeleid contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader op een nog af te stemmen locatie in [plaats] en op woensdag 1 april 2026 zal er gedurende drie uur begeleid contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader op een nog af te stemmen locatie in [plaats] . De zorgregeling zal na een aantal weken worden geëvalueerd. De rechtbank vindt het positief dat de ouders en de GI erin zijn geslaagd om deze afspraken te maken. De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich hier aan zullen houden. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 27 februari 2026 en tot 27 februari 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. De Beer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Dijkman en mr. Hendriks, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.