Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:2322
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,865 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2322 text/xml public 2026-04-01T15:40:02 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-27 C/02/391113 / FA RK 21-5035 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2322 text/html public 2026-03-31T12:24:32 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2322 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-02-2026 / C/02/391113 / FA RK 21-5035 overeenstemming na UHA beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/391113 / FA RK 21-5035 datum uitspraak: 27 februari 2026 beschikking over erkenning van het vaderschap en omgang in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. I. van Meeteren, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. L. Proenings, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] . Ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt [minderjarige] aangemerkt als belanghebbende en wordt hij vertegenwoordigd door mr. N.A. Boelhouwer, in de hoedanigheid van bijzondere curator. 1 Het verdere procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - de beschikking van de rechtbank van 24 januari 2022 en alle daarin genoemde stukken; - de op 13 mei 2024 en 19 november 2024 ontvangen (eind)rapportages van het UHA-traject; - de brief van mr. Van Meeteren van 12 december 2024; - de brief van mr. Proenings van 16 december 2024. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij beschikking van 24 januari 2022 heeft de rechtbank de provisionele verzoeken van de man, bekend onder zaaknummer C/02/391117 FA RK 21-5037, afgewezen. In de onderhavige bodemprocedure zijn partijen verwezen voor een (jeugd)hulpverleningstraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van het verloop en de resultaten van het te starten zorgtraject. De rechtbank heeft ook bepaald dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar om de week bij de vrouw thuis en dat deze contacten begeleid worden door mevrouw [naam] , waarbij er in de andere week contact plaatsvindt middels videobellen. 2.2 Thans zijn nog aan de orde de verzoeken van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] en vaststelling van een omgangsregeling. 2.3 Nadat partijen zijn verwezen voor een UHA-traject is [zorgaanbieder] als zorgaanbieder in februari 2023 gestart met het zorgtraject. Blijken de rapportage van 13 mei 2024 hebben beide partijen de intentie om het goed te doen voor [minderjarige] . [minderjarige] en de man hebben op dat moment structureel één keer per twee weken op donderdag drie uur aaneengesloten contact met elkaar. De komende maanden wordt de ondersteuning en begeleiding tijdens de omgang verder afgebouwd. Partijen hebben de intentie om na de zomervakantie 2024 de omgang wekelijks plaats te laten vinden, evenals uitbreiding met één keer per twee weken een halve (en daarna een hele) weekenddag. Partijen werken goed mee aan het UHA-traject. Gezien wordt echter dat de communicatie tussen de ouders kwetsbaar is en er zijn ook zorgen over het stagneren van de omgang tussen [minderjarige] en de man bij zorgen van partijen naar/over elkaar. [zorgaanbieder] adviseert het traject nog een half jaar voort te zetten om te werken aan verdere opbouw van de omgang. 2.4 Uit de eindrapportage van [zorgaanbieder] van 19 november 2024 blijkt dat partijen het traject bij [zorgaanbieder] nog hebben voortgezet en het is hen gelukt om afspraken te maken. [minderjarige] ziet de man wekelijks op donderdag. Partijen hebben communicatieafspraken gemaakt en op papier gezet. Ook hebben zij samen afspraken gemaakt en vastgelegd ten aanzien van de feestdagen en vakanties. Uitbreiding van de omgang in de toekomst stemmen partijen in onderling overleg af. Ook zijn partijen met elkaar overeen gekomen dat ze met elkaar de erkenning van [minderjarige] door de man gaan regelen via de gemeente. De man zal hierbij afzien van gezamenlijk gezag. 2.5 Namens de man is bij brief van 12 december 2024 aangegeven dat hij instemt met het advies zoals gegeven in het eindverslag UHA. Partijen zullen gezamenlijk de erkenning regelen en de man trekt zijn verzoek met betrekking tot het gezag over [minderjarige] in. 2.6 Namens de vrouw is bericht dat zij instemt met het advies zoals gegeven in het eindverslag UHA. Partijen zullen samen de erkenning van [minderjarige] door de man gaan regelen. De vrouw gaat akkoord met schriftelijke afdoening van de zaak. 2.7 De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben een hulpverleningstraject bij [zorgaanbieder] doorlopen. Het is partijen gelukt om hier afspraken te maken, namelijk dat [minderjarige] en de man wekelijks contact met elkaar hebben. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat zij samen de erkenning van [minderjarige] door de man bij de gemeente gaan regelen. 2.8 De man heeft in zijn brief van 12 december 2024 aangegeven zijn verzoek met betrekking tot het gezag intrekt. Nog even daargelaten dat door de man geen verzoeken zijn ingediend ten aanzien van het gezag, begrijpt de rechtbank dit zo dat de man met de erkenning geen gezamenlijk gezag wenst te verkrijgen. Blijkens het uittreksel uit de basisregistratie personen (BRP) en het uittreksel uit het gezagsregister heeft de man [minderjarige] op 21 januari 2025 erkend. Hierbij hebben partijen verklaard dat het gezag alleen door de moeder wordt uitgeoefend. Hiervan is een aantekening gemaakt in het gezagsregister. 2.9 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de afspraken door partijen ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] vaststellen, inhoudende dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar wekelijks op donderdag, waarbij partijen in onderling overleg deze omgang verder kunnen uitbreiden. Het verzoek tot vervangende toestemming erkenning zal de rechtbank afwijzen, nu de erkenning door partijen gezamenlijk is geregeld via de gemeente en er geen belang meer is bij een beoordeling van dit verzoek. 2.10 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 bepaalt dat de man en [minderjarige] recht hebben op omgang met elkaar wekelijks op donderdag, waarbij partijen in onderling overleg deze omgang verder kunnen uitbreiden; 3.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 in aanwezigheid van Van Diepen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.