Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2312
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,033 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2312 text/xml public 2026-03-31T15:46:08 2026-03-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-26 C/02/444731 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2312 text/html public 2026-03-31T09:22:29 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2312 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-02-2026 / C/02/444731 Toewijzing gedeeltelijke gezaguitoefening door GI voor aanmelding bij onderwijsinstelling ex artikel 1:265e BW. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444731 / JE RK 26-213 Datum uitspraak: 26 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsuitoefening door de gecertificeerde instelling in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026; een schriftelijk standpunt van de vader, ingestuurd op 26 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder (middels een videoverbinding); - een vertegenwoordiger van de GI. Opgeroepen en niet verschenen zijn: - de vader; - de advocaat van de moeder. Deze blijkt zich echter met ingang van 26 februari 2026 te hebben onttrokken. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek op 25 februari 2026, maar hij is hierop niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft op een behandelgroep van [accommodatie] in [plaats 1] . Bij beschikking van 9 januari 2026 met nummer C/02/442752 / JE RK 25-2181 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van een jaar, beide met ingang van 12 januari 2026 tot 12 januari 2027. In die beschikking heeft de kinderrechter ook overwogen dat nader onderzocht moet worden wat voor [minderjarige] het meest passende opvoedperspectief is. De kinderrechter heeft de verwachting uitgesproken dat de GI binnen negen maanden het perspectiefbesluit zal vaststellen en kenbaar zal maken aan de ouders. 2.3. De ouders weigeren om toestemming te geven voor de inschrijving van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling in de omgeving van een gezinshuis in [plaats 2] . 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de kinderrechter te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk wordt toegekend aan de GI, namelijk voor de aanmelding van [minderjarige] bij een onderwijsinstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verder verzoekt de GI te bevelen dat de beslissing zal worden aangetekend in het gezagsregister. 4 De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat het van belang is dat zijn ouders commitment tonen voor zijn vervolgwoonplek. [minderjarige] gaat sinds april 2025 gefaseerd en opbouwend naar een gezinshuis in [plaats 2] . [minderjarige] heeft het hier naar zijn zin en heeft aangegeven hier te willen wonen als het niet meer bij de ouders kan. Hij wil wel graag contact houden met zijn ouders en bezoekmomenten hebben. Het lukt de ouders echter niet om toestemming te geven voor de verhuizing van [minderjarige] naar het gezinshuis. De ouders weigeren om documenten voor de inschrijving van [minderjarige] bij een nieuwe onderwijsinstelling te ondertekenen. 4.2. Bij de mondelinge behandeling is hier door de GI aan toegevoegd dat het niet mogelijk is om [minderjarige] op zijn huidige school te laten als hij bij [accommodatie] weggaat; de school en [accommodatie] hangen immers samen. [minderjarige] verblijft al vanaf 2021 op een groep bij [accommodatie] , terwijl het juist goed voor hem is om te oefenen in gezinssituaties. Het gezinshuis in [plaats 2] bevalt [minderjarige] goed. Ook bij het gezinshuis merken ze dat zijn verblijf daar [minderjarige] goed doet. Hij heeft al stappen heeft gezet en blijkt leerbaar. De onduidelijkheid over waar hij heen gaat, maakt echter dat [minderjarige] hierover onzeker wordt en stilstaat in zijn ontwikkeling. Het gezinshuis heeft de frequentie van [minderjarige] bezoeken naar beneden bijgesteld omdat onduidelijk is hoe het verdere verloop zal zijn. [minderjarige] is hierdoor in verwarring. De GI wijst erop dat de gezinshuizen schaars zijn en dat een mogelijke andere locatie ook nog verder verwijderd dan [plaats 2] kan liggen. Bovendien is [minderjarige] al geruime tijd aan het wennen aan dit gezinshuis in [plaats 2] en dit gaat goed. Bij het zoeken naar een nieuw gezinshuis zou dit proces opnieuw moeten beginnen. 4.3. Door de moeder is aangevoerd dat er vooruitgelopen wordt op zaken, omdat het perspectief van [minderjarige] nog niet is vastgesteld. Zij staat wel achter een plaatsing van [minderjarige] bij een gezinshuis, maar zij wil voorkomen dat [minderjarige] meerdere malen moet verhuizen of wisselen van school. Ook vindt zij de afstand tussen [woonplaats] en het gezinshuis in [plaats 2] te groot. [minderjarige] krijgt nu bij [accommodatie] in [plaats 1] elke twee weken bezoek van zijn oma en ook het bezoek van de vader en moeder wordt bemoeilijkt als hij naar het gezinshuis in [plaats 3] gaat. De moeder zou liever zien dat [minderjarige] bij een gezinshuis in [woonplaats] of in de directe omgeving van [woonplaats] wordt geplaatst. 4.4. In de schriftelijke reactie van de vader heeft hij aangevoerd niet tegen hulpverlening of een passende plaatsing te zijn, maar dat hij zorgen heeft over de plaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis op deze afstand. Ook de vader wil niet dat er meermalen gewisseld wordt van schoollocatie. Een overplaatsing betekent een ingrijpende verandering en er moet worden voorkomen dat [minderjarige] binnen korte tijd weer overgeplaatst moet worden. De onderzoeksperiode van negen maanden voor een standpunt over het perspectief van [minderjarige] loopt immers nog en daarbij moet ook worden gekeken naar een terugkeer naar huis. Ook geeft de vader aan dat een bezoekregeling naar het gezinshuis in [plaats 2] voor hem praktische en financiële gevolgen zou hebben. 5 De beoordeling 5.1. Op grond van artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter bij en na de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit onder andere doen met betrekking tot de aanmelding van het kind bij een onderwijsinstelling. De duur van de gedeeltelijke uitoefening van het gezag is niet langer dan die van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. 5.2. De kinderrechter is van oordeel dat het voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is dat de GI wordt belast met het gezag over [minderjarige] voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Er is bij beschikking van 9 januari 2026 al een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in onder meer een gezinshuis gegeven, maar hier kan geen verdere uitvoering aan worden gegeven omdat de ouders geen toestemming geven voor de aanmelding van [minderjarige] bij een school in de buurt van het gezinshuis. Het is van groot belang voor [minderjarige] dat hij een vervolgstap kan maken en verder kan wennen aan het leven in een gezinssysteem.