Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2308
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,324 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2308 text/xml public 2026-04-07T11:55:49 2026-03-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-26 C/02/445188 / JE RK 26-280 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2308 text/html public 2026-03-31T09:49:35 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2308 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-02-2026 / C/02/445188 / JE RK 26-280 Nadere beschikking na vots en spoeduhp RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445188 / JE RK 26-280 Datum uitspraak: 26 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] . de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , te Etten-Leur hierna te noemen de GI. 1 Het nadere procesverloop 1.1. Het nadere procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de in deze zaak gegeven beschikking van 18 februari 2026 met alle daarin genoemde stukken. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad en een stagiair; - een vertegenwoordiger van de GI. De overige aanwezigen hebben geen bezwaar tegen de aanwezigheid van de stagiair van de Raad. De kinderrechter geeft bijzondere toestemming om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Op 18 februari 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige] uitgesproken voor de duur van 2 weken, tot 4 maart 2026. [minderjarige] woont sinds deze beschikking weer bij de vader. 3 De (resterende) verzoeken 3.1. De vraag ligt voor of er tijdens de mondelinge behandeling feiten en omstandigheden naar voren komen die maken dat de spoedbeschikking van 18 februari 2026 dient te worden herroepen. 3.2. Daarnaast ligt ter beoordeling voor, het resterende deel van de verzoeken van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden. De Raad heeft daarnaast verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van drie maanden. 3.3. De Raad zoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het (nadere) standpunt van de Raad 4.1 De Raad is bij de mondelinge behandeling bij het verzoek gebleven dat er een maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging van [minderjarige] weg te nemen en verwijst hiervoor naar hetgeen is opgenomen in de beschikking van 18 februari 2026. Ook de uithuisplaatsing is nog steeds noodzakelijk in haar belang, aldus de Raad. 5 De standpunten van belanghebbenden en informant 5.1. [minderjarige] heeft de kinderrechter, samengevat, verteld dat zij blij is dat ze weer terug is bij de vader. De behandeling bij MST-CAN is inmiddels gestart en [minderjarige] heeft al twee gesprekken met de behandelaar gehad. Zij gaat momenteel niet naar school want er zijn problemen geweest op de school waarop zij zat. Er wordt nu naar een nieuwe school voor haar gezocht. Het contact met de moeder is nu minimaal. [minderjarige] heeft de moeder sinds de laatste beschikking eenmaal telefonisch gesproken en het gesprek verliep niet prettig. De moeder heeft [minderjarige] telefonisch geblokkeerd en ook met haar broers en zussen kan zij geen contact maken. [minderjarige] staat open voor hulpverlening en wil graag bij de vader blijven wonen. 5.2. Door de moeder is aangevoerd dat zij akkoord gaat met de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De moeder is echter tegen de (terug)plaatsing naar de vader omdat zij teveel onveiligheid ziet voor [minderjarige] bij hem. De moeder wil het beste voor [minderjarige] . Zij realiseert zich dat vader en [minderjarige] veel van elkaar houden, maar zij kan niet achter de plaatsing bij de vader staan omdat er bij de vader sprake is van een onveilige thuissituatie met huiselijk geweld. [minderjarige] gaat nauwelijks naar school. Het is voor de moeder niet mogelijk gebleken om [minderjarige] op te vangen of op te voeden. De vader houdt teveel invloed op [minderjarige] . De moeder vindt het vervelend dat zij steeds wordt ingeroepen als de situatie bij de vader escaleert, maar dat [minderjarige] daarna dan weer naar de vader kan terugkeren als het haar bij de moeder niet bevalt. De moeder vreest dat zonder hulpverlening de veiligheid van [minderjarige] niet kan worden gegarandeerd. De moeder staat achter MST-CAN, maar is bang dat de vader zich beter voordoet wanneer de hulpverlener van MST of andere hulpverlening erbij is. 5.3. De vader staat achter de verzoeken van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing bij hem. De vader heeft aangevoerd dat het gedrag van [minderjarige] soms pittig is en dat er problemen zijn (geweest) met school, vrienden en vriendinnen, een relatie die uitging en dat [minderjarige] zich behoorlijk kan verzetten tegen autoriteiten. De vader en [minderjarige] gaan beiden al naar een psycholoog en hebben hier baat bij. Maar de vader ziet ook het nut in van de behandeling vanuit MST-CAN die sinds de vorige spoedbeschikking al is opgestart. De vader heeft eerder de geweldsincidenten erkend en ziet in dat dit anders moet. 5.4. De GI heeft, samengevat, aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad staat. Er is inmiddels contact geweest met zowel [minderjarige] als de vader en de moeder. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en heeft laten weten dat er mogelijk relevante stukken zijn bij de politie Betuwe of de gemeente Altena in verband met een eerdere ondertoezichtstelling. Zowel de vader als [minderjarige] hebben uitgesproken dat zij graag samen willen zijn. De behandeling van MST-CAN is inmiddels begonnen en de GI zal de behandelaar komende maandag spreken. 6 De (nadere) beoordeling Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing 6.1. De kinderrechter verwijst naar de beschikking van 18 februari 2026. Hierbij is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026, zonder daaraan voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). Tijdens de mondelinge behandeling zijn de belanghebbenden alsnog in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze op het verzoek kenbaar te maken. 6.2. De kinderrechter dient te beoordelen of er tijdens de mondelinge behandeling nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 18 februari 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing in stand blijft. Inhoudelijke beoordeling resterend verzoek 6.3. Op grond van artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. 6.4.
Volledig
Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.5. Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.6. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de kinderrechter gebleken dat er een ernstig vermoeden bestaat dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn vanwege meldingen over huiselijk geweld zorgen over haar veiligheid. [minderjarige] en de vader gingen beiden al naar een psycholoog van de Burcht, maar dit kon niet voorkomen dat er een heftig geweldsincident tussen hen plaatsvond waardoor [minderjarige] op een crisisgroep werd geplaatst. De kinderrechter is bezorgd over de geweldincidenten en weegt daarbij ook mee dat [minderjarige] er melding van heeft gemaakt dat zij is mishandeld door de partner van de moeder en door de moeder. Na de spoedbeschikking van 18 februari 2026 waarbij [minderjarige] werd teruggeplaatst bij de vader, is MST-CAN meteen gestart. Zowel de vader als [minderjarige] hebben aangegeven dat zij een klik hebben met de behandelaar. Deze behandeling is echter nog maar net opgestart. De behandelaar heeft nog niet gesproken met de moeder. De kinderrechter acht het van belang dat de hulpverlening blijvend wordt geaccepteerd door de ouders en door [minderjarige] en ziet daarin een rol voor de GI. 6.7. Ook gaat [minderjarige] niet naar school terwijl dit van groot belang is voor een meisje van 13 jaar. Er zal met spoed naar een nieuwe school voor haar moet worden gezocht. Indien het de ouders niet lukt een nieuwe school te vinden, kan ook hier de GI mogelijk een rol gaan spelen. De kinderrechter zal [minderjarige] voorlopig ondertoezichtstelling van de GI voor de resterende duur. 6.8. De kinderrechter zal [minderjarige] ook uit huis plaatsen bij de vader met gezag. De eerdere zorgen omtrent de veiligheid van [minderjarige] bij de vader zijn er nog altijd, maar de kinderrechter verwijst naar rechtsoverweging 4.8 van de eerdere beschikking van 18 februari 2026. 6.9. De ouders hebben beiden een verschillende visie op de huidige situatie en die van het verleden. In het onderzoek dat door de Raad zal worden verricht in het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling, zal worden gekeken naar het systeem bij de vader en het systeem bij de moeder en zal worden gesproken met instanties en partijen die ook in het verleden een rol hebben gespeeld in het leven van [minderjarige] en de vader en de moeder. Nader onderzoek over de opvoedsituatie en de problematiek van betrokkenen is belangrijk en noodzakelijk. 6.10. De kinderrechter zal [minderjarige] gelet op het voorgaande voorlopig onder toezicht stellen tot 18 mei 2026. Ook zal de kinderrechter een machtiging geven om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader (met ouderlijk gezag) tot 18 mei 2026. De resterende verzoeken van de Raad worden dus toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 6.11. De kinderrechter zal de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de betrokkenheid van de GI niet onderbroken wordt. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant tot 18 mei 2026; 7.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader tot 18 mei 2026; 7.3. verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 5 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.