Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:2302
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,381 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2302 text/xml public 2026-04-02T09:00:06 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19 25/2304 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Breda Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2302 text/html public 2026-03-30T15:46:36 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2302 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-03-2026 / 25/2304 Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Woo. Gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/2304 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 24 april 2025 (bestreden besluit) over de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). Zijn verzoek ziet op alle communicatie over de vergunningprocedure bij een verleende omgevingsvergunning voor het kappen van drie bomen aan de [adres] in [plaats] , waaronder met name over het herplantplan. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 1.2. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.1. Op de zitting heeft eiser twee beroepsgronden ingetrokken. Dat betreft de beroepsgrond over de passages in document 2 en 3 die niet openbaar zijn gemaakt omdat (onvoldoende is gemotiveerd waarom) die passages niet onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Ook zijn subsidiaire beroepsgrond dat hij een nieuw Woo-verzoek over die passages heeft gedaan, heeft hij ingetrokken. 2.2. De beroepsgrond dat in document 2 en 15 ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo is ingeroepen, slaagt. De weggelakte passages staan in een e-mailwisseling tussen het college en de vergunningaanvrager. Dat alleen al maakt dat geen sprake is van intern beraad binnen een bestuursorgaan of tussen bestuursorganen onderling, zodat het college die weigeringsgrond niet kan inroepen. Een andere toepasselijke weigeringsgrond is niet gesteld of gebleken, zodat de rechtbank zelf in de zaak zal voorzien door te bepalen dat het college de betreffende passages alsnog binnen twee weken na vandaag openbaar moet maken. 2.3. Ook de beroepsgrond dat het college niet heeft gemotiveerd of ondanks een weigeringsgrond toch verstrekking van bepaalde gegevens aan eiser kon plaatsvinden (op grond van artikel 5.5 van de Woo) slaagt. Uit de beslissing op bezwaar blijkt immers niet dat het college die afweging heeft gemaakt. Dat deze beroepsgrond slaagt heeft verder geen gevolg, omdat het beroep al gegrond is en het college de passages die zijn weggelakt op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo al openbaar moet maken. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt deels het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het inroepen van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo in de documenten 2 en 15 ongegrond is verklaard. 3.1. Voor het vernietigde deel van het bestreden besluit zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en bepalen dat het college de op grond van dat artikel zwartgelakte delen van de documenten 2 en 15 alsnog binnen twee weken na verzending van dit proces-verbaal openbaar moet maken. Deze uitspraak komt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. 3.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten, bestaande uit de reiskosten in beroep van € 11,58. 4. Eiser is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank: - verklaart beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin in de documenten 2 en 15 openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo; - bepaalt dat het college de op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo zwartgelakte delen van de documenten 2 en 15 alsnog binnen twee weken na het verzenden van dit proces-verbaal openbaar moet maken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 11,58 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De griffier is niet in de gelegenheid om dit proces-verbaal te ondertekenen. rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.