Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2291
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,303 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2291 text/xml public 2026-04-09T10:16:50 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/444587 / JE RK 26-184 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2291 text/html public 2026-04-03T10:50:31 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2291 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/444587 / JE RK 26-184 Ondertoezichtstelling na voorlopige ondertoezichtstelling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444587 / JE RK 26-184 Datum uitspraak: 24 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , Zeeland–West-Brabant, Middelburg, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door een begeleidster van het moeder-kindhuis; de advocaat van de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.3. Bij spoedbeschikking van 27 november 2025 is de nog ongeboren baby, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht gesteld van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 27 november 2025 en tot 11 december 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2025 het restant van het verzoek van de Raad toegewezen en [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 11 december 2025 tot 26 februari 2026. 2.5. De moeder en [minderjarige] staan in de basisregistratie personen geregistreerd met een onbekende nationaliteit. Aan de moeder is een vergunning verleend op grond van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 8 onder a, regulier voor bepaalde tijd. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad voert in het verzoek en tijdens de zitting het volgende aan. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de kwetsbare positie van [minderjarige] waarbij het middelengebruik van de moeder haar ontwikkeling heeft bedreigd en mogelijk nog zal bedreigen. De moeder is in december 2025 nog positief getest op cannabis. De Raad maakt zich gelet op het middelengebruik van de moeder ernstige zorgen over de kwetsbare positie waarin [minderjarige] zich bevindt nu dit middelengebruik de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig kan bedreigen. De moeder heeft in de eerste weken van de zwangerschap van [minderjarige] middelen gebruikt en het is nog niet duidelijk welke gezondheidsschade dit bij [minderjarige] heeft opgeleverd. Daarnaast is bij de moeder sprake van een lichte verstandelijke beperking welke bij de moeder extra stress kan veroorzaken. Bij terugvallen kan de moeder volledig ontremd en agressief gedrag laten zien. [minderjarige] kan de gehechtheidsrelatie met de moeder als onveilig ervaren wanneer de moeder onder invloed van middelen is of veel stress ervaart en dit niet goed gereguleerd krijgt. De moeder laat een zeer ambivalente houding zien ten opzichte van de hulpverlening. De Raad is van mening dat het dwingend kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is omdat de beschreven zorgen zich al geruime tijd voordoen en deze zorgen niet met hulpverlening in het vrijwillig kader zijn weggenomen. Er moet binnen de ondertoezichtstelling aandacht worden besteed aan de verslaving van de moeder, waarbij de verslavingszorg moet worden gemonitord en moet worden gekeken naar de (eventuele) inzet van dagbehandeling. Daarnaast moet er aandacht zijn voor de draagkracht van de moeder. Gedacht kan worden aan de inzet van een steungezin. Binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de op pagina 18 van het rapport genoemde doelen. 4.2. Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Het gaat goed met de moeder en [minderjarige] in het moeder-kindhuis. De moeder ervaart wel veel stress door het feit dat er verschillende jeugdbeschermers bij haar betrokken zijn in verband met haar andere kinderen. Het is voor de moeder belangrijk dat de hulpverlening en het netwerk rondom haar goed in beeld wordt gebracht. Ook ervaart de moeder veel stress rondom de vraag wat er met haar woning in [woonplaats] en het bewind en haar uitkering moet op het moment dat zij langer in het moeder-kindhuis verblijft, dan wel als ze naar een vorm van begeleid wonen gaat. Daar moet een goed plan voor komen en dat is er nog niet. De moeder ziet wel dat een ondertoezichtstelling nodig is. De moeder staat ook open voor de hulpverlening die binnen de ondertoezichtstelling zal worden geboden. Wel verzoekt de moeder de rechtbank om de ondertoezichtstelling niet voor een jaar, maar voor de duur van zes maanden uit te spreken zodat de kinderrechter vinger aan de pols kan houden. Over zes maanden moet er meer duidelijk zijn over het traject van Goed Genoeg Ouderschap dat zal worden ingezet, het copingmechanisme van de moeder en over de voortgang van de hulpverlening rondom haar andere kinderen. Dat is voor de moeder namelijk ook erg belangrijk. 4.3. De GI verklaart tijdens de zitting dat zij ook betrokken is bij de andere kinderen van de moeder dus dat zij de moeder al kent. De hulpverlening in het moeder-kindhuis is gestart met het traject van Goed Genoeg Ouderschap en aan de moeder is duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat verslavingszorg gaat starten. Dat gaat nu ook daadwerkelijk gebeuren en de moeder is daarvoor gemotiveerd. Het is belangrijk dat de moeder binnen die hulpverlening ondersteuning krijgt vanuit het moeder-kindhuis. De komende periode moet er zicht komen op wat de moeder nodig heeft in de opvoeding van [minderjarige] maar ook ten opzichte van haar andere kinderen. Daarbij moet in ieder geval gekeken worden naar de gebeurtenissen waardoor de moeder stress ervaart en naar de handvatten die de moeder nodig heeft om met die stress om te kunnen gaan. Het is van belang dat de moeder leert haar coping mechanisme te veranderen. De moeder heeft aangegeven dat zij door eenzaamheid ook stress ervaart dus daar moet ook aandacht voor zijn. 5 De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlandse recht van toepassing. Wettelijk kader 5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b.
Volledig
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van 8 maanden, te weten met ingang van 24 februari 2026 en tot 24 oktober 2026. Hij legt dit hierna uit. 5.4. De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Alhoewel de moeder goede stappen heeft gezet binnen haar verblijf in het moeder-kindhuis is er nog onvoldoende zicht op het effect van het middelengebruik van de moeder op de ontwikkeling van [minderjarige] . Het is nog niet duidelijk of de moeder voldoende abstinent van middelen is en kan blijven. Ook is de moeder op dit moment nog niet in staat om met stressmomenten om te gaan en bestaat de kans dat zij, door gebrek aan een goed coping mechanisme, terugvalt in middelengebruik. Hierop moet de GI meer zicht gaan krijgen. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat [minderjarige] opgroeit in een voor haar zorgeloze omgeving, waarbij de moeder op een juiste wijze kan aansluiten bij haar behoeften. Daarvoor is het noodzakelijk dat de moeder leert met haar stress om te gaan en zich juiste coping mechanismen aanleert. Het is aan de GI om de komende periode te beoordelen welke hulpverlening hiervoor (verder) moet worden ingezet en om deze te monitoren. Daaronder valt ook het monitoren van het traject van Goed Genoeg Ouderschap dat zal worden ingezet en het monitoren van de hulpverlening die in het kader van de verslavingszorg van start zal gaan. 5.5. De kinderrechter sluit zich aan bij de opgestelde doelen in het rapport van de Raad en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden: [minderjarige] groeit op binnen een veilige en stabiele opvoedingsomgeving, waarin regelmaat, rust en structuur wordt geboden, waar de moeder fysiek en emotioneel beschikbaar is en waarbij er geen sprake is van middelengebruik bij de moeder; [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat; De moeder is haar verslavingsproblematiek de baas en leert alternatieve copingsmanieren aan om met stress om te gaan; De moeder werkt mee aan onverwachte controles op middelengebruik; Er is 24 uur per dag zicht op de opvoedomgeving van [minderjarige] ; De moeder blijft zich begeleidbaar opstellen en houdt zich aan de gemaakte afspraken. In aanvulling daarop vindt de kinderrechter het van belang dat de GI de komende periode aandacht heeft voor het inregelen en stroomlijnen van de hulpverlening en de wijze waarop de hulpverlening een plek wordt gegeven in het leven van de moeder, nu de moeder op dit punt stress ervaart. 5.6. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen van de GI voor de duur van 8 maanden. De kinderrechter vindt het namelijk belangrijk dat op kortere termijn zicht komt op de opvoedsituatie van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de moeder en dat duidelijk wordt welke stappen de moeder binnen het moeder-kindhuis heeft gemaakt en of de in te zetten hulpverlening passend is. De kinderrechter zal de beslissing op het restant van het verzoek aanhouden tot een nader te plannen zitting begin oktober 2026. De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de nog te plannen zitting een briefrapportage bij de rechtbank in te dienen waaruit de stand van zaken blijkt. 5.7. De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 24 februari 2026 tot 24 oktober 2026; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. houdt de beslissing op het restant van het verzoek aan tot een nader te plannen zitting begin oktober 2026; 6.4. verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de nog te plannen zitting in oktober 2026 een briefrapportage bij de rechtbank in te dienen waaruit de stand van zaken blijkt, met afschrift aan belanghebbenden. Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier en op schrift gesteld op 10 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.