Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2261
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,853 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2261 text/xml public 2026-03-27T12:54:05 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 en Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2261 text/html public 2026-03-27T11:48:48 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2261 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 en OTS en beslissing op bekrachtiging/vervallen verklaring SAW ondanks verzoek om aanhouding RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummers: C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 en C/02/443369 / JE RK 25-2294 Datum uitspraak verlenging ondertoezichtstelling: 24 februari 2026 Datum uitspraak schriftelijke aanwijzing: 10 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en over een schriftelijke aanwijzing in zaaknummers C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , hierna te noemen de GI, gevestigd te Middelburg, en in zaaknummer C/02/443369 / JE RK 25-2294 [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: In zaaknummers C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. L.A. Jansen te Oud-Beijerland, in zaaknummers C/02/443762 / JE RK 26-32 en C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 en C/02/443369 / JE RK 25-2294 [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. K. Beumer te Middelharnis. 1 Het verloop van de procedures 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: C/02/443762 / JE RK 26-32 het verzoekschrift met bijlagen van 7 januari 2026; het bericht van de GI van 19 januari 2026 met bijlage; het bericht van mr. Beumer van 26 januari 2026; het bericht van de GI van 28 januari 2026 met bijlagen; het bericht van de GI van 13 februari 2026 met bijlagen; het bericht van de GI van 23 februari 2026 met bijlagen; het e-mailbericht van de moeder van 24 februari 2026 met bijlagen; C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 december 2025; het bericht van mr. Jansen met bijlage van 29 december 2025; het bericht van mr. Beumer van 9 januari 2026; het bericht van de GI met bijlage van 19 januari 2026; het bericht van mr. Beumer met bijlage van 9 januari 2026; het bericht van mr. Beumer met bijlage van 26 januari 2026; het bericht van de GI met bijlage van 28 januari 2026; het bericht van mr. Beumer met bijlagen van 13 februari 2026; het bericht van mr. Jansen met bijlagen van 16 februari 2026; het bericht van mr. Jansen met bijlagen van 19 februari 2026; het bericht van mr. Beumer van 19 februari 2026 met bijlage; het bericht van mr. Beumer van 20 februari 2026 met bijlagen; het e-mailbericht van de moeder van 24 februari 2026 met bijlagen; C/02/443369 / JE RK 25-2294 het verzoek van de moeder met bijlagen van 8 december 2025; het e-mailbericht van de moeder van 24 februari 2026 met bijlagen. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - een vertegenwoordigster van de GI. Correct opgeroepen, maar niet verschenen zijn: - de moeder en haar advocaat. 1.3. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn verleend aan de advocaat-stagiaire van mr. Beumer. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.3. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.4. Bij beschikking van 14 februari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 februari 2025 tot 28 februari 2026. 2.5. Bij beschikking van 18 maart 2025 is, voor zover hier van belang, bepaalt dat de vader en [minderjarige] in het kader van de omgangsregeling voorlopig recht hebben op contact met elkaar één of twee keer per week voor de duur van 2 uur, vooralsnog begeleid, en onder regie van de GI, een en ander op de wijze zoals in r.o. 5.3 van die beschikking is overwogen. 2.6. Bij vonnis van 8 januari 2026 is de moeder veroordeeld tot nakoming van de beschikking van 18 maart 2025 en is ze bevolen haar medewerking te verlenen aan de voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , inhoudende dat de vader en [minderjarige] contact met elkaar hebben één of twee keer per week voor de duur van twee uur, vooralsnog begeleid, en onder regie van de GI, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat de moeder in strijd met de contactregeling handelt, met een maximum van € 10.000,-. 3 De verzoeken C/02/443762 / JE RK 26-32 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 3.2. De GI verzoekt op grond van artikel 1:263 lid 3 BW de schriftelijke aanwijzing d.d. 1 december 2025 te bekrachtigen. De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. C/02/443369 / JE RK 25-2294 3.3. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Ingeval de kinderrechter besluit om de schriftelijke aanwijzing niet vervallen te verklaren, dan verzoekt de moeder te bepalen, dat de GI passende en adequate maatregelen neemt ter ondersteuning van en hulp aan [minderjarige] , de andere betrokken kinderen en aan haar als moeder. 4 De standpunten 4.1. De GI stelt dat er in de afgelopen periode nog niet voldoende aan de gezinspatronen is gewerkt, omdat deze pas recent in kaart zijn gebracht. De reden hiervan is dat er langere tijd regie is gevoerd door het instroomteam van de GI, maar ook omdat de opdracht van de kinderrechter niet door de moeder wordt opgevolgd. De moeder ervaart veel stress rondom de contacten tussen de vader en [minderjarige] . Gebleken is dat de ouders geen vertrouwen hebben in elkaar. De afspraak dat ze alleen communiceren via de advocaten of via de hulpverlening geeft wat rust. De moeder is bang voor de vader en onbekend is of zij deze angst onbewust overbrengt op [minderjarige] . De moeder is bang dat [minderjarige] hetzelfde overkomt als haar (half)brusjes, namelijk dat er sprake is van controledwang en van emotionele beschadiging door het handelen van de vader. Ook loopt er een onderzoek bij de politie naar mishandelingen gepleegd door de vader. Op school is te zien dat [minderjarige] extra behoefte heeft aan bevestiging en dat haar stemming soms wisselt. Ze heeft mogelijk geen reëel vaderbeeld. Echter heeft er op 6 februari 2026 voor het eerst sinds lange tijd een videobelmoment tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Dit is positief verlopen. [minderjarige] reageerde blij op de vader en de vader heeft er een positief moment van kunnen maken. Het is in het belang van [minderjarige] om deze momenten te normaliseren en uiteindelijk toe te werken naar een uitbreiding en naar een andere vorm van contact. De GI herkent het beeld niet dat het contact met de vader niet veilig zou zijn voor [minderjarige] , temeer omdat er momenteel nog sprake is van begeleid contact. Voor wat betreft de schriftelijke aanwijzing stelt de GI dat deze bekrachtigd dient te worden. De moeder weigert momenteel haar medewerking te verlenen aan kindgesprekken met [minderjarige] , waardoor de jeugdbeschermer niet goed in kaart kan brengen wat de mening van [minderjarige] is omtrent het contact met de vader.
Volledig
Door de moeder is bijvoorbeeld gesteld dat [minderjarige] overstuur was na het contactmoment met de vader, maar de GI wil in kaart brengen waar dit vandaan komt en hoe [minderjarige] het contact heeft ervaren, zonder dat de moeder hierbij is. Hierbij is het normaal dat [minderjarige] overstuur zou zijn na het contactmoment, omdat ze haar vader al een lange tijd niet gezien heeft. Ook dient de moeder haar medewerking te verlenen aan de afspraken die horen bij het hulpverleningstraject van [hulpverlening 1] . [hulpverlening 1] is ingezet om het contact tussen [minderjarige] en de vader te begeleiden. Ook dient de moeder mee te werken aan de begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] in de toekomst. 4.2. Door en namens de vader is gesteld dat hij een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk vindt, mede om het contact tussen [minderjarige] en hem door te zetten. Het eerste contact op 6 februari 2026 is goed verlopen en de vader is blij dat hij [minderjarige] eindelijk weer een keer gezien en gesproken heeft. De vader vindt het fijn dat [minderjarige] hem herkende en dat ze enthousiast op hem reageerde. Ze kwam steeds dichter bij het scherm zitten en vertelde veel vanuit zichzelf. Uit het verslag van [hulpverlening 1] is gebleken dat de vader en [minderjarige] 24 minuten met elkaar hebben gebeld en dat dit soepel verlopen is. Ook bleek dat [minderjarige] op een positieve manier zelf het contact heeft gelegd met haar vader. Echter is het geplande contactmoment op 23 februari 2026 niet doorgegaan, omdat [minderjarige] ziek was. Er wordt nog naar een vervangend moment gezocht. De vader stelt dat het contact tussen hem en [minderjarige] veilig is, omdat er een begeleider bij zit en omdat er eerder is aangetoond dat het veilig genoeg is bij de vader. Hierbij zijn de aangiftes die tegen vader zijn gedaan vals en de vader denkt erover na om hier aangifte van te doen. Hij hoopt dat de zaak snel kan worden afgedaan met een sepot, zodat iedereen weet waar hij/zij aan toe is. De vader vindt het belangrijk dat de schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd, omdat het belangrijk is dat er met [minderjarige] alleen wordt gepraat, zonder dat de moeder hierbij aanwezig is. Zo kan er een beeld worden verkregen van de beleving van [minderjarige] . Ouderverstoting moet worden voorkomen, dus er moet nu doorgepakt worden met de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader. Dit lukt niet zonder de schriftelijke aanwijzing. 4.3. Door en namens de moeder is gesteld dat [minderjarige] voorafgaand aan het contactmoment met de vader op 23 januari 2026 zo van slag is geraakt dat ze moest overgeven. Het contactmoment is dan ook, in overleg met [hulpverlening 1] , niet doorgegaan. Op 6 februari 2026 stond er opnieuw een contactmoment gepland dat wel is doorgegaan. Echter was [minderjarige] hierna weer erg van slag. Door de moeder is verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren. Op 11 november 2025 heeft de moeder een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing gehad, terwijl de moeder de dag ervoor [minderjarige] bij de GI had ziekgemeld voor het kindgesprek en ze daardoor de afspraak niet kon nakomen. Moeder moest hier binnen een dag op reageren. Dit is onredelijk snel. Er werd een nieuw kindgesprek gepland op 25 november, zonder overleg. De moeder heeft toen tegen [minderjarige] verteld waarom dit kindgesprek is gepland, waardoor [minderjarige] van slag is geraakt. De moeder heeft om die reden besloten het kindgesprek af te zeggen. Op 2 december heeft de moeder een schriftelijke aanwijzing ontvangen en op 5 december hoort de moeder dat de GI dit wil laten bekrachtigen door de rechtbank. De afspraken in de schriftelijke aanwijzing zijn anders dan in de vooraankondiging. Wat hierbij opmerkelijk is, is dat er in de definitieve schriftelijke aanwijzing een datum vermeld staat waarop bekend is bij de GI dat die datum niet mogelijk is. De moeder zou met een andere datum komen, maar in de schriftelijke aanwijzing staat dat ze niet met een alternatieve datum gekomen is. Dit klopt, want dit was nog niet aan de orde en moest ook niet voor een bepaalde datum gerealiseerd zijn. Ook werd er een locatie genoemd terwijl eerder is afgesproken dat hierover nog overleg zou plaats vinden. Hierbij vindt de communicatie zeer onzorgvuldig en zonder enige afstemming plaats. Dit geldt ook voor het beleid dat door de GI wordt gevoerd. De GI deelt hierbij vaak inhoudelijke info over de schriftelijke aanwijzing terwijl dit niet gedeeld mag worden met een niet gezaghebbende ouder. Een schriftelijke aanwijzing wordt gegeven als er onvoldoende medewerking is bij de uitvoering van een hulpverleningsplan of als er een concrete bedreiging is voor de ontwikkeling van het kind. Van beiden is geen sprake. Het gaat goed met [minderjarige] en juist het contact met de vader veroorzaakt onrust. Hiernaast verleent moeder medewerking aan het hulpverleningsplan en heeft ze onder andere [minderjarige] zelf aangemeld bij [hulpverlening 2] . De moeder stelt dat het idee dat het opgroeien met één ouder een ontwikkelingsbedreiging vormt inmiddels grotendeels is achterhaald. Als het contact met haar vader wordt hervat, komt [minderjarige] terecht in een situatie waarin haar ouders al jaren geen contact hebben met elkaar. Een situatie waarin [minderjarige] jarenlang getuige is geweest van mishandeling en niet te vergeten het trauma dat is opgelopen in het systeem waarin [minderjarige] is opgegroeid. Zowel bij [minderjarige] als in het systeem is sprake van trauma. Het is in het belang van [minderjarige] en de mensen om haar heen om hierbij professionele ondersteuning te krijgen. Alleen dan kan zij later op een veilige manier contact opbouwen met haar vader. Tot slot moet een schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige zijn. Uit alles blijkt dat deze schriftelijke aanwijzing op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is en ook geen bedreiging voor de ontwikkeling wegneemt. 5 De beoordeling Verlenging ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er nog steeds zorgen zijn over [minderjarige] , waardoor zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is nog onvoldoende aan de gezinspatronen gewerkt, de ouders hebben geen vertrouwen in elkaar en de moeder is bang voor de vader. Deze angst kan ze onbewust overbrengen op [minderjarige] . De kinderrechter vindt het hiernaast zorgelijk dat er ook op school te zien is dat de stemming van [minderjarige] soms wisselt en dat ze extra behoefte lijkt te hebben aan bevestiging. De kinderrechter vindt het een vooruitgang dat er inmiddels een contactmoment plaats heeft gevonden tussen [minderjarige] en de vader. Hij hoort en leest dat dit goed is verlopen, maar leest ook dat [minderjarige] na het contactmoment overstuur was. Echter vindt hij dit, net als de GI, (nog) geen zorgelijk signaal, omdat [minderjarige] haar vader al zo lang niet gezien had en dit emoties bij haar los kan maken. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat ze haar vader (opnieuw) leert kennen en dat dus - indien mogelijk - de contactmomenten genormaliseerd worden, zodat er uiteindelijk toegewerkt kan worden naar een uitbreiding van de contacten op het tempo van [minderjarige] . 5.3. Gezien het bovenstaande zijn de gestelde doelen in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet behaald en is een gedwongen kader nog noodzakelijk om tot een structurele verbetering te komen van de situatie van [minderjarige] . De kinderrechter heeft de uitspraak tot verlenging ondertoezichtstelling meteen uitgesproken hoewel de moeder niet op de zitting was. De ondertoezichtstelling zou kort na de zitting vervallen en dat zou niet in het belang van [minderjarige] zijn. Schriftelijke aanwijzing 5.4. Ingevolge artikel 1:263, eerste lid, BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Volledig
De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet kan instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Blijkens artikel 1:263 lid 3 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. 5.5. De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. Ook dient de schriftelijke aanwijzing het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht. 5.6. De moeder heeft op datum 19 februari 2026 verzocht de behandeling van de verzoeken over de bekrachtiging en de vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing aan te houden tot na de behandeling van het hoger beroep door het Hof van het boven genoemde vonnis van 8 januari 2026 van deze rechtbank. Dit heeft de kinderrechter afgewezen ten eerste omdat dat vonnis niet over de schriftelijke aanwijzing ging maar alleen over het nakomen van omgang, ten tweede omdat het nog lang zou duren voordat het hoger beroep zou dienen. Vervolgens heeft de moeder op 24 februari 2026, de dag van de mondelinge behandeling, verzocht de behandeling van de verzoeken over de schriftelijke aanwijzing aan te houden omdat zij niet bij de mondelinge behandeling kon komen omdat haar kinderen ziek waren. Tijdens de mondelinge behandeling bleken de GI en de vader hierop tegen te zijn, omdat de schriftelijke aanwijzing van groot belang is voor het apart spreken van de GI met [minderjarige] (en daarmee voor het onderzoek waarom [minderjarige] heftig kan reageren op mogelijk contactherstel met de vader) en voor het nakomen van de afspraken van de moeder met [hulpverlening 1] die de begeleide omgang begeleidt. De kinderrechter merkt de vader aan als belanghebbende in de zaak van de schriftelijke aanwijzing omdat de aanwijzing rechtstreeks verband houdt met het eventuele contactherstel tussen hem en [minderjarige] . 5.7. De kinderrechter oordeelt dat de moeder op zich een gerechtvaardigd verzoek heeft gedaan om de behandeling ter zitting aan te houden zodat zij in de gelegenheid is haar uitgebreide verzoek toe te lichten en te reageren op de standpunten van de GI en van de vader. In de afweging van dit belang van de moeder, het belang van de vader in spoedig contactherstel met [minderjarige] en het belang van [minderjarige] zelf dat er zo spoedig mogelijk (veilig) contactherstel komt met haar vader en dat er onderzocht wordt waarom zij last heeft van spanningen en heftige reacties op eventueel contact met de vader en dus op uitsluitsel in hoeverre contactherstel eigenlijk in haar belang is, telt naar het oordeel van de kinderrechter nu het belang van [minderjarige] zwaarder. Verder uitstel en vertraging van het ingezette traject om te komen tot (veilig) contactherstel en tot uitsluitsel waarom [minderjarige] reageert zoals ze doet, maken deze doelen steeds lastiger en voor [minderjarige] steeds belastender. De kinderrechter zal daarom een beslissing nemen over de schriftelijke aanwijzing. 5.8. De kinderrechter oordeelt als volgt. De moeder vindt dat er zeer onzorgvuldig te werk is gegaan door de GI. Zij benoemt hoe het is gegaan. De kinderrechter meent dat daaruit en uit andere keren van niet doorgaan van afspraken blijkt dat de moeder aan andere zaken dan contactherstel met de vader voorrang geeft. De kinderrechter vindt dat de GI daarom voldoende zorgvuldig heeft onderbouwd dat een schriftelijke aanwijzing nodig was. Ook op 23 februari 2026 is het geplande contact niet doorgegaan. 5.9. De kinderrechter begrijpt de zorgen van de moeder, maar hij stelt het belang van [minderjarige] voorop. Zoals hierboven beschreven, is het eerste begeleide videobel-contact tussen [minderjarige] en de vader op zich goed verlopen. Ze reageerde blij toen ze de vader zag en praatte met hem. De moeder stelt dat [minderjarige] na het contact met de vader overstuur was. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat de GI met [minderjarige] alleen kan praten, zodat de GI van [minderjarige] zelf kan horen hoe ze het contact heeft beleefd, zodat ze niet (onbewust) door de moeder wordt beïnvloed in haar antwoorden en zodat de GI kan inschatten welke hulpverlening voor [minderjarige] passend zou zijn. De jeugdbeschermer is een neutraal persoon en op deze manier kan goed worden ingeschat hoe [minderjarige] de contacten met de vader beleeft. Deze werkwijze kan ook helpen bepalen om het tempo voor een eventuele uitbreiding te bepalen. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat de moeder haar medewerking blijft verlenen aan de afspraken die horen bij het hulpverleningstraject van [hulpverlening 1] en aan de begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] in de toekomst, net als ze op 6 februari 2026 heeft gedaan. Eerder is al gebleken dat het contact met de vader niet onveilig is en hierbij is er momenteel nog sprake van begeleid contact, mede vanwege de zorgen van de moeder. De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing dan ook bekrachtigen. 5.10. Omdat de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd heeft, zal hij het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren afwijzen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.11. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 6 De beslissing De kinderrechter: C/02/443762 / JE RK 26-32 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 februari 2026 en tot 28 augustus 2026; C/02/ 442776 / JE RK 25-2189 6.2. bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 1 december 2025; 6.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; C/02/443369 / JE RK 25-2294 6.4. wijst af het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 1 december 2025 vervallen te verklaren. De beslissing ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2025 door mr. De Beer, kinderrechter in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier en op schrift gesteld op 10 maart 2026. De beschikking ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. De Beer in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier, op 10 maart 2026. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Artikel 1:260 BW.