Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2257
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,194 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2257 text/xml public 2026-03-27T11:51:07 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/373483 / FA RK 20-3120 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2257 text/html public 2026-03-27T11:00:32 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2257 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/373483 / FA RK 20-3120 Vaststelling van een omgangsregeling. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/373483 / FA RK 20-3120 datum uitspraak: 24 februari 2026 nadere beschikking over omgang in de zaak van [de man] , hierna te noemen de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda, tegen [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze. betreffende de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het verdere procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 6 juni 2025 en alle daarin vermelde stukken; - het verslag van de GI van 21 augustus 2025 met als bijlage de afsluitrapportage van de GI van 21 augustus 2025; - het F9-fromulier van mr. Koop-van Vliet van 29 september 2025; - het F9-formulier van mr. van Kerkhof van 14 oktober 2025. 1.2 De zaak is met gesloten deuren nader behandeld op de zitting van 13 februari 2026. Verschenen zijn de advocaat van de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en haar begeleider van RMA-Zorg. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig. De man is, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2 De nadere beoordeling 2.1 Ter beoordeling ligt nog voor het verzoek van de man om te bepalen dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar op de volgende wijze: - in de eerste twee maanden: wekelijks een dagdeel op dinsdag van 9:00 uur tot 13:00 uur en op donderdag van 16:00 uur tot 19:00 uur evenals wekelijks een dag in het weekend op zaterdag of zondag van 9:00 uur tot 19:00 uur; - in de derde en vierde maand: wekelijks een dagdeel op dinsdag van 9:00 uur tot 13:00 uur en op donderdag van 16:00 uur tot 19:00 uur en eenmaal per veertien dagen van zaterdag 13:00 uur tot zondag 12:00 uur; - na ommekomst van vier maanden: wekelijks een dagdeel op donderdag van 16:00 uur tot 19:00 uur en eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9:00 uur tot zondag 17:00 uur, althans een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist en redelijk acht. 2.2 Bij beschikking van 6 juni 2025 heeft deze rechtbank overwogen dat zij zich onvoldoende geïnformeerd acht om op het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling te beslissen. [minderjarige] staat nog onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (GI). Haar ondertoezichtstelling is verlengd tot 29 augustus 2025. De GI is doende om de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling over te dragen naar het vrijwillig kader. Er wordt in dat kader een borgingsplan door de GI opgesteld, waarin de GI zich ook zal uitlaten over het verdere verloop van de omgangsregeling en welke afspraken er in dat kader moeten worden gemaakt. Dit borgingsplan is nog niet vastgesteld en ook niet gedeeld met partijen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de beslissing op het verzoek van de man nog eenmaal voor korte tijd moet worden aangehouden, te weten tot 26 augustus 2025 pro forma. Van de GI wordt verwacht dat zij, kort voor de feitelijke afronding van de ondertoezichtstelling, een verslag uitbrengt over de stand van zaken op dat moment en over het verdere verloop van de begeleide omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] alsook dat zij het vastgestelde borgingsplan deelt met partijen. De advocaten van partijen krijgen vier weken, uiterlijk tot 23 september 2025, de gelegenheid om te reageren en zich uit te laten over wat de inhoud van het verslag van de GI betekent voor het verzoek van de man, het standpunt van partijen en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan. 2.3 Op 21 augustus 2025 heeft de GI, onder overlegging van de afsluitrapportage en het daarin opgenomen borgingsplan, een actueel verslag uitgebracht over de stand van zaken rondom de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] in het kader van de afronding van de ondertoezichtstelling. Uit het verslag volgt het volgende. Na intern overleg is beoordeeld dat de bezoeken van de man met [minderjarige] begeleid moeten blijven. Als de bezoeken doorgaan is het contact tussen de man en [minderjarige] goed. [minderjarige] is gezien haar ontwikkelingsachterstand en beperking echter te kwetsbaar om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. Zij kan zich onvoldoende verstaanbaar maken. Daarnaast is de oudercommunicatie tussen partijen blijvend gespannen en wordt hierin ook geen verbetering verwacht waardoor onbegeleide omgang onvoldoende veiligheid en voorspelbaarheid zal bieden. De omgang vindt op dit moment plaats eens per veertien dagen op de zaterdag van 13:00 uur tot 14:30 uur onder begeleiding. Dit wordt voor nu gezien als de meest passende omgangsregeling gelet op de ontwikkelingsfase en de belastbaarheid van [minderjarige] . Een ruimere omgangsregeling zoals door de man verzocht is niet geschikt. De man biedt te weinig structuur en zegt afspraken regelmatig op het laatste moment af. Dit heeft een directe negatieve impact op [minderjarige] , vergroot de emotionele belasting en maakt de opvoedsituatie van de vrouw zwaarder. De ontwikkeling van [minderjarige] moet zo positief en gestructureerd mogelijk verlopen. Komende periode staat stabiliteit en voorspelbaarheid in de omgang voorop. De vrouw is zich ervan bewust dat de rol van de man belangrijk is voor [minderjarige] en staat er ook voor open dat deze rol in de toekomst groter wordt. Een uitbreiding van de omgangsregeling kan echter pas worden overwogen wanneer de man structureel laat zien dat hij betrouwbaar aanwezig is en voldoende rust en duidelijkheid kan bieden. Dit zal tussen partijen, bijgestaan door hun hulpverlening, besproken moeten worden. Indien dit niet lukt kan er geschakeld worden met de gemeente om hierin ondersteuning van een jeugdprofessional te krijgen. Het borgingsplan zal door de GI gedeeld worden met partijen. 2.4 Bij F9-formulier van 29 september 2025 heeft mr. Koop-van Vliet de rechtbank bericht dat zij en de man het verslag rondom de omgangsregeling met elkaar hebben besproken. Door de GI is aangegeven dat de planning van de bezoeken door de SDW moet worden opgepakt, maar de SDW heeft dit tot op heden nagelaten. Gelet hierop wordt verzocht de zaak opnieuw op zitting te plannen om stagnatie in de omgang tussen de man en [minderjarige] te voorkomen. 2.5 Bij F9-formulier van 14 oktober 2025 heeft mr. Van Kerkhof de rechtbank bericht dat de vrouw zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wens van de man om de zaak op zitting te behandelen. 2.6 Partijen hebben ter zitting het volgende naar voren gebracht. Vanaf kort na de afsluiting van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , heeft het omgangstraject van de SDW geen doorgang meer gehad. Op 22 september 2025 heeft er voor het laatst omgang tussen de man en [minderjarige] plaatsgevonden. De reden hiervan is de verhuizing van de vrouw naar [woonplaats 2] , waarna een discussie is ontstaan tussen de gemeente Zundert en de gemeente ‘s-Hertogenbosch over de vraag wie verantwoordelijk is voor de financiering van het omgangstraject. Partijen hebben meerdere malen om opheldering hierover verzocht en hebben hierin de samenwerking met elkaar opgezocht.
Volledig
Recent is door de gemeente [woonplaats 2] besloten dat zij voorlopig de financiering van een omgangstraject op zich gaan nemen. Op korte termijn zal er, aldus nog steeds partijen, weer begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] opgestart gaan worden. Onduidelijk is vooralsnog welke hulpverleningsorganisatie de omgang gaat begeleiden. Beide partijen geven aan het belangrijk te vinden dat er een omgangsregeling wordt vastgelegd, zodat voor de hulpverleningsorganisatie die de omgang gaat begeleiden helder is hoe de omgang, bij de start van het omgangstraject, vorm moet worden gegeven. Voorkomen moet worden dat in de omgang tussen de man en [minderjarige] , die zorgvuldig is opgebouwd, stappen terug worden gedaan. Daarbij achten partijen het aangewezen dat aangesloten wordt bij de omgangsregeling waaraan uitvoering werd gegeven tot aan het laatste omgangsmoment tussen de man en [minderjarige] , te weten een begeleid omgangsmoment een maal per twee weken met een duur van anderhalf uur. Partijen zijn het met elkaar eens dat onder regie van de nog aan te stellen hulpverleningsorganisatie nader onderzocht dient te worden of er toegewerkt kan worden naar onbegeleide omgang en/of een uitbreiding van de omgang in duur. 2.7 De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting aangevoerd dat zij kan instemmen met het vastleggen van de omgangsregeling zoals door partijen voorgesteld, die zij passend en in het belang van [minderjarige] acht. Deze omgangsregeling dient als uitgangspunt te gelden voor de nog aan te stellen hulpverleningsorganisatie, die de begeleiding van de omgang op zich gaat nemen. Dit geeft zowel partijen als de betreffende hulpverleningsorganisatie houvast en duidelijkheid. Belangrijk is dat de omgang tussen de man en [minderjarige] zo snel als mogelijk weer wordt opgestart. Binnen het omgangstraject dienen de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] nader beoordeeld te worden. 2.8 De rechtbank stelt voorop dat zij het niet in het belang van [minderjarige] acht dat de omgang tussen de man en [minderjarige] stil is komen te liggen, waarbij zij eraan hecht te vermelden dat partijen daarvan geen enkel verwijt valt te maken. In tegendeel, uit hun stellingen volgt dat zij er juist alles aan hebben gedaan om de omgang door te laten lopen. Met partijen en de Raad is de rechtbank van oordeel dat er, ook gelet op de lange duur van de procedure, nu duidelijkheid voor partijen moet komen over een omgangsregeling. De rechtbank acht dit ook van belang voor de nader aan te stellen hulpverleningsorganisatie die, zo blijkt uit de stellingen van partijen, de begeleiding van de omgang (verder) op zich gaat nemen. Nu met het eerdere omgangstraject helder is geworden wat in de omgang tussen de man en [minderjarige] (minimaal) haalbaar is en gelet op de eensluidende standpunten van partijen op dit punt, zal de rechtbank een omgangsregeling bepalen waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar eenmaal per twee weken gedurende anderhalf uur onder begeleiding van de nog aan te stellen nieuwe hulpverleningsorganisatie. In het kader van deze regeling dient onder regie van deze hulpverleningsorganisatie ook nader onderzocht te worden of er toegewerkt kan worden naar onbegeleide omgang en/of een uitbreiding van de omgang in duur. Het meer of anders door de man verzochte zal worden afgewezen. 2.9 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1 bepaalt, onder verwijzing naar hetgeen hierover is overwogen onder 2.8 hiervoor, dat de man en [minderjarige] recht hebben op omgang met elkaar éénmaal per twee weken gedurende anderhalf uur onder begeleiding; 3.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.