Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2249
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,564 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2249 text/xml public 2026-03-27T11:32:05 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/438297 / FA RK 25-3924 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2249 text/html public 2026-03-27T10:19:38 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2249 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/438297 / FA RK 25-3924 Gezamelijk gezag, co-ouderschapsregeling en verblijfsoverstijgende kosten beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/438297 / FA RK 25-3924 Datum uitspraak: 24 februari 2026 beschikking over gezag en omgang in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1], advocaat: mr. A. Koop - van Vliet in Breda, tegen [de vrouw] hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel - van der Rijken in Breda, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 28 juli 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Koop - Van Vliet van 4 augustus 2025 ; - het op 13 januari 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen; - het op 14 januari 2026 ontvangen aangepaste verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen; - de brief van mr. Koop - van Vliet van 21 januari 2026 met bijlage; - het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] . 1.2 De verzoeken zijn behandeld op de zitting van 27 januari 2026. Bij die zitting zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 1.3 Vóór deze zitting heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. 2.3 De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] . 2.4 Sinds december 2024 geven partijen uitvoering aan een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] week op week af bij één van zijn ouders verblijft. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. te bepalen dat de man mede met het gezag wordt belast over [minderjarige] II. een omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] : - in de oneven weken van zondag 19:00 uur tot en met zondag 19:00 uur bij de man verblijft; - in de even weken van zondag 19:00 uur tot en met zondag 19:00 uur bij de vrouw verblijft; en - de helft van de schoolvakanties en feestdagen, bij de man verblijft, tijdstippen en data, in nader, onderling, overleg te bepalen, althans een zodanige omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen die uw rechtbank juist en redelijk acht; Bij wege van voorwaardelijke verzoeken: I. te bepalen dat de vrouw, met ingang van de datum van de door uw rechtbank af te geven beschikking, de man maandelijks via e-mail – op het voor de vrouw bekende e-mailadres van de man – informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] , waarbij informatie wordt verstrekt over zijn gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten; en II. te bepalen dat de Raad op de kortst mogelijke termijn onderzoek zal doen naar het verzoek om de man tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Kosten rechtens. De man voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man. Zij verzoekt: I. het verzoek van de man tot toekenning van het gezag over [minderjarige] , af te wijzen; II. partijen te verwijzen naar hulpverlening in de vorm van [hulpverlening 1] , dan wel een andere hulpverleningsinstantie, door de rechtbank aan te wijzen; III. het verzoek van de man tot vaststelling van een co-ouderschapsregeling, af te wijzen en daarvoor in de plaats te bepalen dat [minderjarige] in principe week om week bij ieder van de ouders verblijft (oneven weken bij de vrouw en even weken bij de man) met een wissel op zondag na het eten, en dat het [minderjarige] vrij staat daar van af te wijken op zijn verzoek. De vrouw verzoekt zelfstandig: IV. de vakantie- en feestdagen regeling vast te leggen conform hetgeen daarover onder punt 28 (A t/m F) in het verweerschrift is genoemd; V. ten aanzien van de kosten te bepalen hetgeen daarover onder punt 31 tot en met 33 in het verweerschrift is genoemd dan wel een berekening van de kinderalimentatie te maken op basis van nog te ontvangen financiële gegevens van partijen. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 De man legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat partijen in de periode van 2002 tot en met juni 2024 een affectieve relatie met elkaar hebben gehad. Uit hun relatie zijn, naast [minderjarige] , de inmiddels meerderjarige [persoon 1] en [persoon 2] geboren. In het kader van de afwikkeling van de gevolgen van de beëindiging van de affectieve relatie hebben partijen getracht om onder begeleiding van een mediator afspraken te maken over [minderjarige] . Dit is echter niet gelukt. Ook heeft de man getracht een ouderschapsplan op te stellen. Hierover hebben partijen evenmin overeenstemming kunnen bereiken. Sinds december 2024 geven partijen uitvoering aan een co-ouderschapsregeling. Deze regeling is in overeenstemming met de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tot aan het beëindigen van de relatie tussen partijen. Nu er zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw en/of [minderjarige] geen sprake is van contra-indicaties voor omgang tussen de man en [minderjarige] , is de man van mening dat de door hem verzochte omgangs- c.q. zorgregeling moet worden vastgesteld. Daarnaast heeft de man meermaals aan de vrouw verzocht om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. De vrouw heeft de man te kennen gegeven hiermee niet in te stemmen. Nu, sinds de beëindiging van de affectieve relatie de communicatie tussen partijen stroef verloopt, heeft de man de vrouw aangeschreven om een hulpverleningstraject bij het CJG op te starten ter verbetering van de onderlinge oudercommunicatie en samenwerking. De vrouw heeft de man (uiteindelijk) bericht hiervan af te zien. De man is sinds de geboorte van [minderjarige] , nog steeds medeverantwoordelijk en daarnaast nog voor een groot deel betrokken bij zijn verzorging en opvoeding. Bij deze rol past ook dat hij wordt betrokken bij beslissingen die over [minderjarige] dienen te moeten worden genomen alsook dat hij zelfstandig informatie kan opvragen en vergaren over hoe het met [minderjarige] op school of bij andere (hulpverlenende) instanties gaat. De man ziet geen enkele reden waarom hij niet mede met het gezag over [minderjarige] kan worden belast. Indien de rechtbank het verzoek van de man om hem mede met het gezag te belasten over [minderjarige] toch mocht afwijzen dan verzoekt de man om een informatieregeling vast te stellen. Mocht de rechtbank zich ten aanzien van het verzoek om gezag onvoldoende geïnformeerd achten dan vindt de man een onderzoek door de Raad op zijn plaats. In aanvulling hierop is door en namens de man tijdens de zitting nog aangevoerd dat, hoewel de communicatie tussen partijen stroef verloopt, het hen wel lukt om met elkaar afspraken te maken over [minderjarige] en om, zonodig, van de co-ouderschapsregeling af te wijken. Verder moet voorkomen worden dat, indien er iets met de vrouw gebeurt, er een gezagsvacuüm ontstaat. De man handhaaft dan ook zijn standpunt dat gezamenlijk gezag in deze situatie op zijn plaats is. Hij vindt het wel van belang dat partijen met elkaar gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie.
Volledig
De man is geen voorstander van een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform HulpAanbod (UHA). Hij is van mening dat gekozen dient te worden voor een steviger hulpverleningstraject, waarbij niet alleen partijen maar ook alle drie hun kinderen en (op een later tijdstip) hun nieuwe partners worden betrokken. Daarbij denkt de man aan het systemische hulpverleningstraject ‘ [traject] ’ bij bijvoorbeeld [hulpverlening 2] . De vrouw zal hiervoor een verwijzing moeten vragen bij de huisarts, nu zij vooralsnog alleen met het gezag over [minderjarige] is belast. Daarnaast is de man van mening dat de door hem verzochte co-ouderschapsregeling moet worden vastgelegd en dat partijen naar [minderjarige] moeten uitdragen dat dit de regeling is waaraan hij zich moet houden. Aan [minderjarige] moet niet de ruimte worden gegeven om van deze regeling af te kunnen wijken. De man vreest namelijk dat dan het contact tussen hem en [minderjarige] zal verwateren en dat er mogelijk tot een contactbreuk zal worden gekomen. De man heeft door de overlijdens van zijn vader en schoonvader in de afgelopen periode niet veel tijd voor [minderjarige] gehad. Hij is evenwel voornemens om meer dingen met [minderjarige] te ondernemen. De man hoopt ook dat [minderjarige] zich voortaan vrijer zal voelen om tegen de man te zeggen wat hem dwars zit. Mogelijk dat hulpverlening hierbij een rol kan spelen. Voor wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen kan de man instemmen met een verdeling, waarbij de co-ouderschapsregeling tijdens de vakanties en feestdagen doorloopt, met uitzondering van de zomervakantie. De man is voor de zomervakantie afhankelijk van een twee weken durende sluiting van het bedrijf waarvoor hij werkt. Deze sluiting is weer afhankelijk van de bouwvak en van de schoolvakantie. De man stelt daarom een regeling voor waarbij [minderjarige] elk jaar gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en de laatste drie weken van de zomervakantie bij hem verblijft. De man heeft voor de zomervakantie 2026 al een vakantie geboekt vanaf 31 juli 2026 tot en met 17 augustus 2026. Omdat hij op 31 juli 2026 al vroeg moet vertrekken, ziet hij graag dat [minderjarige] op 30 juli 2026 om 19:00 uur bij hem is. De man is niet bereid om in verband met de verjaardag van de vrouw op 31 juli 2026 een dag later te vertrekken. Tot slot kan de man instemmen met het verzoek van de vrouw om ten aanzien van de kosten van [minderjarige] te bepalen, hetgeen daarover onder punt 31 tot en met 33 in het verweerschrift is genoemd. 4.2 De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man. Daartoe voert zij aan dat partijen bij gelegenheid van de beëindiging van de relatie met een mediator hebben gesproken over de totstandkoming van een ouderschapsplan. Uiteindelijk heeft de man de mediation in december 2024 stopgezet en is er geen ondertekend ouderschapsplan tot stand gekomen. Op 10 september 2025 vond er een viergesprek plaats tussen partijen en hun advocaten. Dat gesprek is vroegtijdig beëindigd, zonder resultaat. Conclusie was dat de man slechts verder wilde praten als de vrouw de toezegging deed dat het gezamenlijk gezag zou worden geregeld. De vrouw wilde die toezegging echter pas doen als er duidelijke afspraken over de (wijze van) communicatie zouden worden gemaakt. Partijen zijn na het viergesprek uit elkaar gegaan met de afspraak dat via het CJG hulp zou worden ingeschakeld. Direct na het viergesprek heeft de vrouw contact opgenomen met het CJG om deze hulpverlening op te starten. Zowel de vrouw als [hulpverlening 1] hebben vervolgens contact opgenomen met de man om hem te vragen zijn medewerking te verlenen. Op de berichten van de vrouw en [hulpverlening 1] heeft de man echter niet gereageerd. De vrouw ziet geen meerwaarde in gezamenlijk gezag. Er wordt nu al gehandeld alsof er sprake is van gezamenlijk gezag. De man wordt namelijk bij alle beslissingen rondom [minderjarige] betrokken. Het is de vrouw bekend dat het toekennen van gezamenlijk gezag in feite de hoofdregel is. Zij begrijpt dat en zal zich op dat vlak refereren aan het oordeel van de rechtbank. Echter, de communicatie tussen de ouders is een groot punt van zorg en voor de vrouw van cruciaal belang om de invulling van het gezamenlijk gezag te laten slagen. Feitelijk reageert de man (vrijwel) nooit op apps of mails van de vrouw. Hij laat niets van zich horen en doet af en toe een mededeling. Van overleg tussen partijen is geen enkele sprake. Zo heeft de man, tegen de afspraken in het concept ouderschapsplan over de verdeling van de zomervakantie in, de vrouw medegedeeld dat hij in de weken drie, vier en vijf van de zomervakantie 2026 met [minderjarige] op vakantie gaat. De vrouw heeft verder geen bezwaar tegen het verstrekken van informatie aan de man. Sterker nog, dit is wat de vrouw ook nu al doet. De man wordt altijd geïnformeerd als er bijzonderheden zijn in het leven van de kinderen. Een raadsonderzoek is wat de vrouw betreft dan ook niet nodig. De co-ouderschapsregeling, zoals die is afgesproken, loopt op zich redelijk. Er is in de praktijk tot op heden eenmalig afgeweken van deze regeling. Dat gebeurde op verzoek van [minderjarige] tijdens een toetsweek op school. [minderjarige] vond het fijner om bij de vrouw te verblijven en om bij haar te leren. Hij vindt bij de vrouw kennelijk meer rust om aan school te werken dan bij de man. Deze flexibiliteit moet ook in de toekomst mogelijk blijven. Dit past ook bij zijn leeftijd. In de beschikking zou kunnen worden vastgelegd dat [minderjarige] in principe week om week af bij de man en de vrouw verblijft en dat van die regeling kan worden afgeweken op verzoek van [minderjarige] . Omwille van de duidelijkheid vindt de vrouw het belangrijk dat in de beschikking wordt opgenomen hoe de contactregeling, inclusief vakanties en feestdagen, eruit zal gaan zien, zoals door haar is verzocht. In aanvulling hierop is door en namens de vrouw tijdens de zitting nog aangevoerd dat de vrouw het liefst had gezien dat partijen eerst aan de verbetering van hun onderlinge communicatie hadden gewerkt voordat er tot gezamenlijk gezag zou worden overgegaan. De zaak zou dan echter moeten worden aangehouden en dit is voor de vrouw niet per se nodig. Als de rechtbank tot gezamenlijk gezag over [minderjarige] beslist, dan vindt de vrouw het wel van groot belang dat partijen in het kader van een hulpverleningstraject gaan werken aan het verbeteren van hun communicatie. Zij zal daartoe bij de huisarts een verwijzing vragen naar [hulpverlening 2] . De vrouw handhaaft haar standpunt dat het voor [minderjarige] belangrijk is om de ruimte te krijgen om van de co-ouderschapsregeling af te kunnen wijken. De nieuwe situatie bij de man, die sinds kort met zijn nieuwe partner en haar kinderen samenwoont, vraagt veel van [minderjarige] . [minderjarige] vindt het lastig om hierover met de man te praten. Hij voelt zich ook niet altijd gehoord en gezien door de man. [minderjarige] heeft nog gesprekken met een kindercoach. Hij is hierdoor opener geworden en komt beter voor zichzelf op. De vrouw kan instemmen met het voorstel van de man waarbij [minderjarige] elk jaar gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij haar en de laatste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijft. Wat de vrouw betreft dient in de zomervakantie de overdracht van [minderjarige] plaats te vinden aan het eind van de derde week op zondag 19:00 uur. Ten aanzien van de zomervakantie 2026 heeft de man inmiddels een vakantie geboekt van 31 juli 2026 tot 17 augustus 2026. Hoewel de vrouw hierdoor mogelijk zelf niet of slechts kort met [minderjarige] op vakantie kan gaan, zal zij zich hierbij neerleggen. Zij stelt voor dat [minderjarige] dan vanaf het begin van de zomervakantie tot 30 juli 2026 om 19:00 uur bij haar verblijft en de rest van de vakantie bij de man. De week na de zomervakantie betreft een oneven week en dan zal [minderjarige] weer bij haar verblijven. 4.3 Namens de Raad is tijdens de zitting geadviseerd om te bepalen dat de man mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast. Dit is ook het wettelijk uitgangspunt.
Volledig
De Raad vindt het wel van groot belang dat partijen op korte termijn gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Het door de vrouw via het CJG voorgestelde hulpverleningstraject bij [hulpverlening 1] vindt de Raad te licht. Het hulpverleningstraject ‘ [traject] ’ vindt de Raad meer geschikt. Dit traject kan bij [hulpverlening 2] plaatsvinden. Partijen kunnen bij het CJG vragen welke hulpverleningsinstanties dit traject nog meer aanbieden. Mogelijk dat zij bij deze hulpverleningsinstanties eerder terecht kunnen dan bij [hulpverlening 2] . Daarnaast adviseert de Raad om de verzochte co-ouderschapsregeling vast te leggen. Deze regeling dient het uitgangspunt te zijn. Er moet voor worden gewaakt dat [minderjarige] de ruimte voelt om van de ene ouder naar de andere ouder te kunnen gaan als hem iets niet zint. De Raad vindt het daarbij belangrijk dat [minderjarige] zich bij de man gehoord en gezien voelt; dat hij bij de man zijn beleving kan delen, ook al komt die niet overeen met de beleving van de man. Gezag 4.4 In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.5 De rechtbank stelt vast dat de vrouw zich ten aanzien van het verzoek van de man om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast, refereert aan het oordeel van de rechtbank. Feitelijk worden belangrijke beslissingen over [minderjarige] al door partijen samen genomen. Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt van de wetgever. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van één van de uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag. De rechtbank vindt het daarbij van belang dat, mocht de vrouw of [minderjarige] wat overkomen, door de man beslissingen over [minderjarige] kunnen worden genomen. De rechtbank zal dan ook de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie en het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] toewijzen. Hulpverlening 4.6 De rechtbank vindt het met partijen en de Raad voor een goede uitoefening van het gezamenlijk gezag wel van groot belang dat partijen zo snel mogelijk gaan werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij bij de huisarts een verwijzing zullen vragen voor een hulpverleningstraject bij [hulpverlening 2] . Ook de rechtbank denkt daarbij aan een vorm van systeemtherapie waarbij alle drie de kinderen van partijen en eventueel op termijn ook de nieuwe partners worden betrokken, zoals ‘ [traject] ’. Tijdens dit hulpverleningstraject zal in het bijzonder ook moeten worden ingestoken op de interactie tussen [minderjarige] en de man. Het is voor beiden van groot belang dat [minderjarige] zich gehoord en gezien voelt door de man en dat hij tegen de man durft te zeggen wat hem dwars zit. Mogelijk dat de kindercoach van [minderjarige] hierbij ook een rol kan spelen. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 4.7 In artikel 1:253a BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijke gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken Co-ouderschapsregeling 4.8 De rechtbank stelt vast dat ouders overeenstemming hebben bereikt over vastlegging van een co-ouderschapsregeling. Partijen verschillen nog van mening over of het [minderjarige] vrij mag staan daar op zijn verzoek van af te wijken. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij het fijn zou vinden als hij in de week dat hij bij de man is vrij mag kiezen om naar de vrouw te gaan. Deze wens kwam bij de kinderrechter oprecht over. [minderjarige] is daarbij een jongen van bijna 14 jaar oud. Bij deze leeftijd past het dat er bij het vaststellen van een regeling ook rekening wordt gehouden met zijn mening. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] in principe in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw verblijft met een wissel op de zondag na het eten. Het staat [minderjarige] echter wel vrij daar op zijn verzoek van af te wijken. Voor [minderjarige] moet wel duidelijk zijn dat de co-ouderschapsregeling het uitgangspunt is en dat hiervan niet te pas en te onpas van kan worden afgeweken. De rechtbank gaat er vanuit dat hij alleen van de co-ouderschapsregeling zal afwijken als hij hier echt de behoefte aan heeft. Dit zal wellicht steeds minder het geval zijn als hij aan de (nieuwe) thuissituaties bij beide ouders is gewend en [minderjarige] bij beide ouders het gevoel krijgt dat hij wordt gezien en gehoord en dat hij kan zeggen wat hem dwars zit. De man heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij, zoals [minderjarige] graag wil, voornemens is om meer dingen met [minderjarige] te gaan ondernemen. De rechtbank vindt het een goed idee dat in het kader van het hulpverleningstraject het verloop van de co-ouderschapsregeling wordt gevolgd en gemonitord en dat er, daar waar nodig, wordt ingesprongen om deze regeling voor iedereen werkbaar te maken/houden. Vakanties en feestdagen 4.9 De rechtbank stelt vast dat de man kan instemmen met het verzoek van de vrouw over de verdeling van de vakanties en feestdagen, behoudens voor wat betreft de zomervakantie. Ten aanzien van de zomervakantie hebben partijen tijdens de zitting overeenstemming bereikt in die zin dat [minderjarige] elk jaar gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vrouw en de laatste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijft. Wat de vrouw betreft dient in de zomervakantie de overdracht van [minderjarige] plaats te vinden aan het eind van de derde week op zondag 19:00 uur. De man heeft hier zich hiertegen niet verweerd. Ten aanzien van de zomervakantie 2026 heeft de man inmiddels een vakantie geboekt van 31 juli 2026 tot 17 augustus 2026. De rechtbank zal de overeengekomen verdeling van de vakanties en feestdagen dan ook vastleggen. Ten aanzien van de zomervakantie 2026 zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] vanaf het begin van de zomervakantie tot 30 juli 2026 om 19:00 uur bij de vrouw en van 30 juli 2026 om 19:00 uur tot 23 augustus 2026 om 19:00 uur bij de man zal verblijven. De week na de zomervakantie betreft een oneven week en dan zal [minderjarige] weer volgens de vast te leggen co-ouderschapsregeling bij de vrouw verblijven. Kosten 4.10 Tot slot stelt de rechtbank vast dat de man instemt met het zelfstandig verzoek van de vrouw over de kosten van [minderjarige] . De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen. Brief [minderjarige] 4.11 heeft tijdens het kindgesprek tegen de kinderrechter gezegd dat hij graag een brief van de rechter krijgt waarin de beslissing staat vermeld. De kinderrechter wil graag aan zijn verzoek voldoen. Zij heeft hem de volgende brief geschreven. Beste [minderjarige] , Op 19 januari 2026 hebben wij met elkaar een gesprek gehad over de verzoeken van je vader en je moeder over het ouderlijk gezag, een co-ouderschapsregeling en over een regeling over de vakanties en feestdagen. Wij hebben een mooi gesprek met elkaar gehad. Je hebt toen tegen mij gezegd dat je het fijn zou vinden als jij in de week dat jij bij je vader bent, vrij mag kiezen om af en toe naar je moeder te gaan. Op 27 januari 2026 heb ik tijdens de zitting over de verzoeken van je ouders gesproken met je vader en zijn advocaat, je moeder en haar advocaat en met een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming. Ik heb op de zitting gezegd wat jij tegen mij hebt gezegd, zoals staat in de eerste alinea van deze brief. Je vader heeft toen gezegd dat hij het liefste wil dat jij je altijd aan de co-ouderschapsregeling houdt.
Volledig
Hij is namelijk bang dat hij je anders steeds minder gaat zien. Je vader heeft ook gezegd dat hij in de afgelopen periode niet veel tijd voor je heeft gehad vanwege sterfgevallen in de familie maar dat hij nu meer tijd heeft en wil maken om meer leuke dingen met je te doen. Na de zitting heb ik over de verzoeken van je ouders nagedacht. Ik heb besloten om je vader samen met je moeder het ouderlijk gezag te geven omdat dit eigenlijk ook al de feitelijke situatie is. Ook heb ik een co-ouderschapsregeling vastgesteld. Het is de bedoeling dat je je aan deze regeling zal houden. Als je echter soms écht heel graag bij je moeder wil zijn tijdens de week bij je vader, bijvoorbeeld om voor een proefwerk te leren, dan mag je van deze regeling afwijken. Ik denk dat, als je wat meer bent gewend aan de nieuwe woonsituatie bij je vader en je vader meer tijd voor je heeft en jij hem af en toe vertelt wat je fijn vindt bij hem en wat niet, je het ook goed bij hem zal hebben. Ook heb ik een regeling vastgesteld voor de vakanties en de feestdagen en over de kosten van jouw verzorging en opvoeding. Ik wens je het allerbeste toe en dank je voor ons leuke gesprek! Een hartelijke groet, [minderjarige] De kinderrechter 4.12 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ; 5.2 bepaalt dat de man en de vrouw in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met [minderjarige] als volgt: - In principe verblijft [minderjarige] in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw met een wissel op de zondag na het eten. Het staat [minderjarige] vrij daar op zijn verzoek soms van af te wijken, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.8 is opgenomen; - Jaarlijks in de maand januari overleggen de ouders over de regeling van het komende kalenderjaar en indien nodig en gewenst worden aanpassingen gemaakt. A. Voor wat betreft vakanties en feestdagen geldt de basisafspraak dat de omgang en het verblijf van [minderjarige] zoveel mogelijk op gelijke wijze tussen de ouders zal worden verdeeld. Als uitgangspunt voor de vakanties geldt dat elk van de ouders gedurende de helft van de vakanties en feestdagen [minderjarige] bij zich heeft. B. Op voorhand wordt afgesproken dat tijdens de korte vakanties van één week de zorgregeling van toepassing blijft en dat [minderjarige] tijdens de kerst- en meivakantie één week bij iedere ouder verblijft. C. Tijdens de zomervakantie zal [minderjarige] de eerste drie weken tot zondagavond 19:00 bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man verblijven, behoudens tijdens de zomervakantie 2026. Tijdens de zomervakantie 2026 verblijft [minderjarige] vanaf het begin van de zomervakantie tot 30 juli 2026 om 19:00 uur bij de vrouw en vanaf 30 juli 2026 om 19:00 uur tot 23 augustus 2026 om 19:00 uur bij de man. Tijdens de overige vakantieweken geldt de zorgregeling. D. Over de verdeling van de feestdagen hebben de ouders afgesproken, dat [minderjarige] in de even jaren de eerste kerstdag bij de vrouw verblijft en de tweede kerstdag bij de man. Oudjaar- en nieuwjaarsdag verblijft [minderjarige] in de even jaren bij de man en oneven jaren bij de vrouw. E. Verjaardagen van de ouders gaan niet voor op de basisregeling. Deze dag zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder bij wie hij volgens het zorgschema verblijft. De andere ouder mag op bezoek komen en [minderjarige] meenemen voor een activiteit. Uiteraard in overleg vooraf tussen de ouders. ` F. Voor de verjaardagen van [minderjarige] geldt een gelijke regeling. De andere ouder mag op bezoek komen en [minderjarige] meenemen voor een activiteit. Vaderdag brengt [minderjarige] door bij de man en Moederdag bij de vrouw. De ouders werken eraan mee dat [minderjarige] de verjaardagen van alle opa’s en oma’s kan bezoeken. 5.3 bepaalt dat, zo lang de co-ouderschapsregeling in stand blijft, iedere ouder de kosten van eten en drinken en verblijf van [minderjarige] betaalt voor de dagen dat hij bij hen verblijft. De verblijfsoverstijgende kosten, te weten: - kosten van school en opleiding (inclusief buitenschoolse activiteiten, computer, etc.); - kosten van sport en vrijetijdsbesteding (contributie en benodigde kleding); - kosten van vervoer (fiets en behalen rijbewijs); - niet vergoede medische kosten (onder andere beugel, psychologische begeleiding en andere medische hulp) worden bij helfte gedeeld. De ouder die de kosten gaat maken, voert, zo mogelijk vooraf, overleg met de andere ouder over de te maken kosten. Na een akkoord over de kosten zal de ouder die betaalt de andere ouder een betalingsverzoek sturen. De andere ouder zal de helft van de gemaakte kosten binnen een week betalen; 5.4 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.6 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door [minderjarige] , kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.