Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2247
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,875 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2247 text/xml public 2026-03-27T13:44:41 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-24 C/02/442754 / JE RK 25-2183 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2247 text/html public 2026-03-27T10:13:45 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2247 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-02-2026 / C/02/442754 / JE RK 25-2183 Wijzigen omgangsregeling op het verzoek van de GI (i.h.k.v. voogdij). Analoge toepassing artikel 1:377e BW. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/442754 / JE RK 25-2183 Datum uitspraak: 24 februari 2026 Beschikking wijziging omgangsregeling in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI), betreffende [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg. De kinderrechter merkt als informant aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de GI van 5 december 2025 met bijlagen, ontvangen op 5 december 2025; - de stelbrief van [minderjarige 2] van 17 december 2025; - de stelbrief van mr. Van de Gein van 9 januari 2026; - het gewijzigde verzoekschrift van de GI, ontvangen op 15 januari 2026; - de aanvullende informatie van de GI, ontvangen op 22 januari 2026; - de onttrekking van mr. Van de Gein als advocaat van de moeder op 23 januari 2026; - het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van [minderjarige 2] van 30 januari 2026 met bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026; - de tussenbeschikking van 3 februari 2026. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 4 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen een vertegenwoordigster van de GI en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad. Alhoewel correct en tijdig opgeroepen is de moeder niet verschenen. 2 De feiten 2.1. De ouders hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige kinderen zijn geboren: - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] . - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats] . 2.2. De vader heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] erkend. 2.3. Bij beschikking van 4 november 2020 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 4 november 2020 en tot 4 november 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025. 2.4. Bij beschikking van 24 maart 2022 is – de toen nog ongeboren – [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 maart 2022 en tot 4 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025. 2.5. Bij beschikking van 3 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 3 januari 2024 en tot 17 januari 2024. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 november 2025. 2.6. Bij separate beschikkingen van 14 augustus 2024 zijn de verzoeken van de vader om mede met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te worden belast afgewezen en is bepaald dat de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot een omgangsregeling, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding en op het kantoor van [hulpverlening] in [plaats] (of onder begeleiding van een soortgelijke organisatie op neutraal terrein in de buurt van de minderjarigen), waarbij de regie over een eventuele wijziging in handen van de GI ligt, een en ander zoals overwogen in de beschikkingen. 2.7. Bij beschikking van 21 februari 2025 is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen, zoals is vastgelegd bij beschikkingen van deze rechtbank van 14 augustus 2024, gewijzigd en is bepaald dat er geen contact plaatsvindt tussen de minderjarigen en de vader totdat de overplaatsing naar een vervolgplek is gerealiseerd en dat er na de overplaatsing zo snel als mogelijk en op geleide van hetgeen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op dat moment aan kunnen wordt onderzocht of en zo ja op welke manier het contact tussen de vader en de minderjarigen kan worden hervat, waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsregeling in handen van de GI ligt. 2.8. Bij beschikking van 18 april 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis) verleend met ingang van 18 april 2025 en tot 4 november 2025. 2.9. Bij beschikking van 21 oktober 2025 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening verlengd met ingang van 4 november 2025 en tot 4 januari 2026. 2.10. Bij beschikking van 4 november 2025 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg benoemd tot voogdes over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . 2.11. Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 is de beschikking van 21 februari 2025 voor zover deze ziet op de omgang tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader tot heden bekrachtigd en voor zover deze ziet op de omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader vanaf heden vernietigd, waarbij de bij beschikking van 14 augustus 2024 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader is gewijzigd en de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is vastgesteld: - de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben recht op begeleide omgang met elkaar eenmaal per zes weken onder begeleiding van een professionele instantie; - waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader in handen van de GI ligt. 2.12. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in een gezinshuis. 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt, na wijziging, uitvoerbaar bij voorraad, de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen te wijzigen en te bepalen dat er voortaan eens in de acht weken begeleide omgang tussen de vader en de minderjarigen zal plaatsvinden, dan wel een regeling zoals in goede justitie vast te stellen. 3.2. De vader voert verweer tegen het verzoek van de GI en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de vader, voor het geval de GI ontvankelijk is in het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling, I. te bepalen dat hij en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot een omgangsregeling, inhoudende dat er twee uur per week contact tussen hen plaatsvindt onder begeleiding van [hulpverlening] of een soortgelijke organisatie op neutraal terrein, dan wel een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht, en II. te bepalen dat de GI de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking d.d.
Volledig
20 november 2025 bepaalde, dan wel de door de rechtbank in het kader van deze procedure vast te stellen omgangsregeling, dient na te komen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere keer dat de GI de omgangsregeling niet nakomt. 4 De standpunten 4.1. De GI handhaaft het verzoek. Bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 is bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot het hebben van contact eens per zes weken onder begeleiding van een professionele instantie. De omstandigheden zijn sindsdien gewijzigd. De minderjarigen zijn eind 2025 gestart met een intensieve behandeling (traumatherapie van [therapeut] ) en gebleken is dat de frequentie van de omgang te belastend voor hen is. Zij vertonen met name na een omgangsmoment zeer ontregeld gedrag, waarbij zij verhoogde spanningen en angst laten zien, moeite hebben om hun emoties te reguleren, slaapproblemen ervaren en snel prikkelbaar zijn. Er is dan sprake van zodanig veel onrust dat de minderjarigen nauwelijks tot ontwikkeling komen en voortdurend één-op-één-begeleiding nodig hebben. De ontregeling duurt gemiddeld zo’n vijf weken voort en trekt een zware wissel op de minderjarigen zelf en op het gezinshuis, dat zorgdraagt voor hun stabiliteit, veiligheid en emotionele welzijn. [minderjarige 1] zal bijvoorbeeld niet naar de reguliere peuterklas kunnen gaan, omdat zij dat niet aan kan. Daarbij komt dat de minderjarigen vanwege hun intensieve behandeling voldoende rust en herstelmomenten nodig hebben, waar zij nu vanwege de huidige frequentie in de omgang niet aan toekomen. Ook dient de omgangsregeling in frequentie te worden verlaagd om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de zorg voor de minderjarigen vanuit het gezinshuis niet in gevaar komt. De minderjarigen hebben op dit moment al elk een eigen logeergezin om het gezinshuis te ontlasten. De GI benadrukt dat de verzochte wijziging niets te maken heeft met het ouderschap van de vader of het verloop van de omgangsmomenten, maar op dit moment in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is, omdat de omgangsregeling niet aansluit bij hun behoeften en draagkracht. De lagere frequentie zal de minderjarigen meer ruimte bieden voor rust, stabiliteit en verwerking, en beter aansluiten bij hun huidige emotionele en psychische draagkracht. De komende tijd zal de GI blijven onderzoeken welke andere wijzigingen er kunnen worden aangebracht om de ontregelingen van de minderjarigen te verminderen. Ook zal er worden gekeken of er per minderjarige een andere omgangsregeling kan gelden gelet op het verschil in levensloop van de minderjarigen en hun mogelijk verschillende behoeftes. Daarbij benoemt de GI desgevraagd dat de traumabehandelaar van de minderjarigen expliciet is gevraagd om zich uit te laten over het verzoek van de GI om de omgangsregeling te wijzigen, maar dat de traumabehandelaar heeft aangegeven dat zij daar op dit moment geen advies over wil en kan geven, omdat zij zich nu niet richt op het contact. Het is volgens de GI tot slot mogelijk om een gesprek tussen de vader en de traumabehandelaar te laten plaatsvinden, zodat de vader nadere uitleg kan worden gegeven over de behandelingen van de minderjarigen. 4.2. Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader stelt dat de GI niet-ontvankelijk is in het verzoek om de omgangsregeling te wijzigen, nu er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. De GI voert voor het onderhavige verzoek namelijk dezelfde argumenten aan als tijdens de zitting in hoger beroep bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 9 oktober 2025. Deze argumenten zijn dus al door het Hof meegewogen in de beslissing dat een omgangsregeling op basis waarvan er eens per zes weken begeleid contact plaatsvindt tussen de vader en de minderjarigen, in het belang van de minderjarigen is. Daarbij komt dat de GI aangeeft dat de huidige frequentie van de omgang te belastend lijkt voor de minderjarigen. Er is echter nog steeds geen wetenschappelijk bewijs waaruit blijkt dat het gedrag dat de minderjarigen rondom de omgangsmomenten vertonen, wordt veroorzaakt door het contact met de ouders, en zo ja, welke. Volgens de vader kan daarom niet worden uitgesloten dat dit gedrag wordt veroorzaakt door een te lage frequentie in het contact. De afgelopen tijd is het contact tussen de vader en de minderjarigen steeds verder ingeperkt dan wel verminderd, en het gedrag van de minderjarigen is hierdoor niet verbeterd. Het contact tussen de vader en de minderjarigen verloopt bovendien erg goed, zoals de GI ook aangeeft, en de minderjarigen vertonen tijdens de omgang juist helemaal geen zorgelijk gedrag. Beide minderjarigen zijn daarnaast belast met hechtingsproblematiek, terwijl er niet wordt ingezet op het behoud en het versterken van de hechting tussen de minderjarigen en de ouders. Dit vindt de vader kwalijk, te meer nu hij tot nu toe de enige stabiele factor in het leven van de minderjarigen is geweest. Volgens de vader is het verder verlagen van de frequentie van het contact dan ook niet in het belang van de minderjarigen en juist schadelijk voor hen. Hij is ook bang dat de minderjarigen zich steeds verder van hem zullen vervreemden, zoals bij de opa en oma vaderszijde al gaande is. Daarom verzoekt hij de rechtbank bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek de omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat er voortaan eens per week contact plaatsvindt tussen de vader en de minderjarigen conform de beschikking van 14 augustus 2024. Aangezien de GI structureel te weinig prioriteit toekent aan het contact tussen de minderjarigen en de vader en het contact meermaals op het laatst moment heeft geannuleerd waardoor er inmiddels al elf weken geen contact is geweest, ziet de vader zich tevens genoodzaakt de rechtbank te verzoeken een dwangsom te verbinden aan de niet-nakoming van de omgangsregeling die het Hof heeft bepaald voor het geval de GI niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of die de rechtbank zal vaststellen als de GI wel ontvankelijk wordt verklaard. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de GI een organisatie is en dat de dwangsom van dien aard dient te zijn dat de GI niet in de verleiding kan komen om de omgangsregeling opnieuw naast zich neer te leggen. De vader maakt zich tot slot veel zorgen over dat intensieve behandeling die de minderjarigen op dit moment krijgen, te zwaar en heftig voor hen is. 4.3. De Raad adviseert de rechtbank de omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader te wijzigen conform het verzoek van de GI. De minderjarigen zijn belast met heftige problematiek, ondergaan momenteel intensieve behandelingen en laten ontzettend zorgwekkend gedrag zien. Daaruit blijkt volgens de Raad dat de draagkracht van de minderjarigen niet toereikend is voor de huidige omgangsfrequentie. Daarom is het nu cruciaal dat de vader, ondanks dat het niet aan zijn ouderschap ligt, een stapje terug doet in het contact met de minderjarigen om zo de belangen van de minderjarigen voorop te stellen. De Raad benadrukt tot slot dat het jammer is dat de traumabehandelaar geen advies over de omgang heeft willen en/of kunnen geven. Dit zou ook voor de vader fijn zijn. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.2.
Volledig
Ondanks dat de GI niet in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarigen is de rechtbank van oordeel dat artikel 1:377e BW aldus moet worden uitgelegd dat de daarin toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen of te wijzigen, mede toekomt aan de gecertificeerde instelling die door de rechter is belast met de voogdij over de minderjarigen. Dat is in de onderhavige zaak de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland (de GI). De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de GI als voogdes van de minderjarigen de belangen van de minderjarigen behartigt. Ontvankelijkheid 5.3. De rechtbank kan ingevolge artikel 1:377e BW de bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.4. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting is gebleken dat de minderjarigen sinds eind 2025 zijn gestart met een intensieve behandeling (traumatherapie van [therapeut] ) en dat er de afgelopen tijd sprake is van een forse gedragsverandering bij beide minderjarigen. Zij vertonen met name na de omgangsmomenten wekenlang zeer verontrustend en ontregeld gedrag, zodanig dat dit hun ontwikkeling ernstig schaadt en de voortzetting van hun verblijf in het gezinshuis in gevaar brengt. Volgens de GI dient hieruit te worden afgeleid dat de frequentie van de omgangsregeling op dit moment te belastend voor de minderjarigen. Daarom heeft de GI de afgelopen weken enkele omgangsmomenten niet door laten gaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit, anders dan door en namens de vader is betoogd, dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat opnieuw naar de omgangsregeling kan worden gekeken. Inhoudelijke beoordeling 5.5. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat de huidige omgangsregeling op dit moment niet aansluit bij de behoeften en draagkracht van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Beide minderjarigen hebben in hun jonge levens al erg veel meegemaakt en zijn veelvuldig van verblijfplaats gewisseld, waardoor zij ontzettend kwetsbaar zijn. Daarom verblijven de minderjarigen in een gezinshuis waar hen een gespecialiseerde verzorging en opvoeding wordt geboden. Daarnaast worden beide minderjarigen intensief behandeld voor onder meer hun trauma’s en hechtingsproblematiek. 5.6. De rechtbank begrijpt dat er sinds enige tijd sprake is van een forse gedragsverandering bij beide minderjarigen. Volgens de uitgebreide informatie van de GI vertonen de minderjarigen met name na een omgangsmoment zeer ontregeld gedrag, waarbij zij verhoogde spanningen en angst laten zien, moeite hebben om hun emoties te reguleren, slaapproblemen ervaren en snel prikkelbaar zijn. Er is dan sprake van zodanig veel onrust dat de minderjarigen nauwelijks tot ontwikkeling komen en voortdurend één-op-één-begeleiding nodig hebben. Deze ontregeling duurt gemiddeld zo’n vijf weken voort. Dat leidt er met de huidige omgangsregeling toe dat de minderjarigen dan nog één ‘goede’ week hebben, waarna er weer een omgangsmoment plaatsvindt, met opnieuw de wekenlange ontregeling van de minderjarigen tot gevolg. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van de minderjarigen hierdoor ernstig geschaad. Daarbij neemt de rechtbank mede in overweging dat de minderjarigen als gevolg van deze langdurige ontregelingen niet toekomen aan voldoende rust en herstelmomenten, terwijl zij die vanwege hun intensieve behandelingen hard nodig hebben. Ook blijkt uit de overgelegde stukken dat de voortzetting van het verblijf van de minderjarigen in het gezinshuis in de huidige situatie onder druk komt te staan, terwijl deze plaatsing noodzakelijk is voor de stabiliteit, de veiligheid en het emotionele welzijn van de minderjarigen. De rechtbank acht het dan ook van belang dat de plaatsing van de minderjarigen in het gezinshuis behouden blijft. Hier ligt immers ook het perspectief van de minderjarigen. 5.7. Vanwege het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de huidige situatie onhoudbaar is geworden voor de minderjarigen en moet worden aangepast. Met de GI en de Raad, en anders dan de vader, is de rechtbank van oordeel dat een lagere frequentie in de contacten tussen de vader en de minderjarigen op dit moment meer in het belang van de minderjarigen lijkt. Een lagere omgangsfrequentie zal de minderjarigen naar verwachting meer ruimte bieden voor rust, stabiliteit en verwerking, en beter aansluiten bij hun huidige emotionele en psychische draagkracht. Dit acht de rechtbank gelet op het zeer verontrustende gedrag en de forse ontregelingen van de minderjarigen na afloop van de omgangsmomenten op dit moment in hun belang noodzakelijk. 5.8. De rechtbank zal daarom, conform het advies van de Raad, de omgangsregeling zoals deze is vastgesteld, wijzigen en een omgangsregeling vaststellen conform het verzoek van de GI, waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie en waarbij de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader in handen van de GI ligt. Dit betekent dat het verzoek van de vader ten aanzien van de omgangsregeling wordt afgewezen. Het opleggen van een dwangsom aan de GI acht de rechtbank in de huidige situatie niet passend, zodat het verzoek van de vader hiertoe eveneens zal worden afgewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.9. De rechtbank verklaart de gewijzigde omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. wijzigt met ingang van de datum van deze beschikking de bij beschikking van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 november 2025 vastgestelde omgangsregeling tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader en stelt met ingang van de datum van deze beschikking de volgende omgangsregeling vast tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader, waarbij: [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader recht hebben op begeleide omgang met elkaar eenmaal per acht weken onder begeleiding van een professionele instantie; de regie over een eventuele uitbreiding van de omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de vader in handen van de GI ligt. 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.