Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2243
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,573 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 text/xml public 2026-04-14T09:00:32 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE 25/5688 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 text/html public 2026-04-13T11:52:33 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE 25/5688 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5688 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [vereniging 1] , uit [plaats 1] , en [vereniging 2] uit [plaats 2] , gezamenlijk eisers, (gemachtigde: mr. R. Hörchner), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op het handhavingsverzoek van 24 oktober 2024 inzake de percelen aan de [adres] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eisers hebben het college op 28 april 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Tevens hebben eisers op 21 augustus 2025 een e-mail gestuurd naar verweerder ter herinnering van de behandeling van het handhavingsverzoek. Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd? 4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. Het college heeft bij brief van 10 maart 2026 aangegeven dat er wegens capaciteitsproblemen nog geen besluit is genomen op het handhavingsverzoek. Daarbij heeft het college aangegeven voornemens te zijn om binnen vier weken een besluit af te geven. Gelet hierop acht de rechtbank een langere termijn dan twee weken niet noodzakelijk. Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college twee weken krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 text/xml public 2026-04-14T09:00:32 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE 25/5688 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 text/html public 2026-04-13T11:52:33 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2243 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE 25/5688 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5688 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [vereniging 1] , uit [plaats 1] , en [vereniging 2] uit [plaats 2] , gezamenlijk eisers, (gemachtigde: mr. R. Hörchner), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op het handhavingsverzoek van 24 oktober 2024 inzake de percelen aan de [adres] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eisers hebben het college op 28 april 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Tevens hebben eisers op 21 augustus 2025 een e-mail gestuurd naar verweerder ter herinnering van de behandeling van het handhavingsverzoek. Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd? 4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. Het college heeft bij brief van 10 maart 2026 aangegeven dat er wegens capaciteitsproblemen nog geen besluit is genomen op het handhavingsverzoek. Daarbij heeft het college aangegeven voornemens te zijn om binnen vier weken een besluit af te geven. Gelet hierop acht de rechtbank een langere termijn dan twee weken niet noodzakelijk. Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college twee weken krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.