Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:2236
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 text/xml public 2026-04-14T09:00:31 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE 26/880 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 text/html public 2026-04-13T11:34:32 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE 26/880 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/880 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 15 augustus 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen. 3.1. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. 4.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is. 4.3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 15 januari 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. Wordt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 vastgesteld? 6. Eiseres verzoekt, onder meer, om vaststelling van de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 en het opleggen van een termijn aan verweerder om de verbeurde rechterlijke dwangsom te betalen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bevoegdheid tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom is dan ook niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024. Het niet op tijd nemen door verweerder van een besluit met betrekking tot de rechtelijke dwangsom kan op grond van artikel 6:2, onderdeel b, dan ook niet gelijkgesteld worden met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, onderdeel b, en artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen het uitblijven van een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eiseres niet bij de bestuursrechter kan procederen over (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. Hetzelfde geldt voor de betaling van deze dwangsom. De rechtbank is dan ook onbevoegd en stelt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 niet vast. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ; verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep ziet op het vaststellen van (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en het opleggen van een termijn tot betaling van de verbeurde rechterlijke dwangsom; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 text/xml public 2026-04-14T09:00:31 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 BRE 26/880 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 text/html public 2026-04-13T11:34:32 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / BRE 26/880 NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/880 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer), en Dienst Toeslagen, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld na de uitspraak van de rechtbank van 15 augustus 2025. In die uitspraak staat dat verweerder binnen twee weken moet beslissen op het bezwaar van eiseres. Eiseres stelt nu beroep in omdat verweerder dat volgens haar niet heeft gedaan. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de rechtbank in haar uitspraak van 15 augustus 2025 al een termijn heeft gesteld waarbinnen verweerder een beslissing op het bezwaar moest nemen. 3.1. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een besluit genomen op het bezwaar van eiseres. Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd? 4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. 4.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is. 4.3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 15 januari 2024 is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat meer dan 60 weken zijn verstreken sinds het einde van de beslistermijn. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen. Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. Wordt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 vastgesteld? 6. Eiseres verzoekt, onder meer, om vaststelling van de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 en het opleggen van een termijn aan verweerder om de verbeurde rechterlijke dwangsom te betalen. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming ervan volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bevoegdheid tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom is dan ook niet aan het publiekrecht ontleend. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024. Het niet op tijd nemen door verweerder van een besluit met betrekking tot de rechtelijke dwangsom kan op grond van artikel 6:2, onderdeel b, dan ook niet gelijkgesteld worden met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 6:2, onderdeel b, en artikel 8:1 van de Awb kan alleen tegen het uitblijven van een besluit beroep worden ingesteld. Dat betekent dat eiseres niet bij de bestuursrechter kan procederen over (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden. Hetzelfde geldt voor de betaling van deze dwangsom. De rechtbank is dan ook onbevoegd en stelt de rechterlijke dwangsom die voortvloeit uit de uitspraak van 15 augustus 2025 niet vast. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee verweerder de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,- ; verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep ziet op het vaststellen van (de hoogte van) de verbeurde rechterlijke dwangsom en het opleggen van een termijn tot betaling van de verbeurde rechterlijke dwangsom; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak.