Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:2233
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,032 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2233 text/xml public 2026-04-02T13:31:28 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 BRE 25/52 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2233 text/html public 2026-04-02T13:29:43 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2233 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / BRE 25/52 Is sprake van een besluit in de zin van 1:3 Awb? RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/52 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen Stichting [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college (gemachtigden: mr. van der Made en [gemachtigde 2] ). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een besluit van het college, waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betekent dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag wat als besluit aangemerkt kan worden en of in dit geval sprake is van een besluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Voor eiseres was aanwezig: [gemachtigde 1] , voorzitter van het bestuur van de Stichting [eiseres] (hierna: de stichting), vergezeld door [naam] , zakelijk leider van de stichting. Voor verweerder waren aanwezig: de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Totstandkoming van het besluit 4. Op 7 juni 2024 stuurt het college een brief naar de stichting over het door haar ingediende ontwikkelplan. In de brief is het ontwikkelplan door het college negatief beoordeeld, omdat het buiten de kaders van het cultuurbeleid valt en niet voldoet aan de manier waarop de gemeente Breda afspraken wil maken. Verder wordt benoemd dat er een aantal juridische belemmeringen en risico’s is. 4.1. Op 17 juli 2024 maakt de stichting bezwaar tegen voorgenoemde brief. Aangevoerd wordt dat de stichting de brief van 7 juni 2024 als besluit aanmerkt, omdat het college daarmee een beslissing heeft genomen in het kader van de Verordening Buurtrecht Breda 2018 en de Verordening voor meerjarige subsidies Cultuur Breda 2025. Inhoudelijk wordt verder aangevoerd dat het college de Verordening Buurtrecht Breda 2018 niet heeft nageleefd en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. 4.2. In de beslissing op bezwaar stelt het college dat de brief van 7 juni 2024 niet is gericht op enig rechtsgevolg en daardoor geen besluit is in de zin van de Awb. Hierdoor staat geen bezwaar open tegen deze brief. Toetsingskader 5. In artikel 1:3 van de Awb staat dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het moet gaan om een beslissing waarbij een publiekrechtelijke bevoegdheid wordt gebruikt, die erop gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor éen of meer anderen te laten ontstaan of teniet te doen. Kan de brief van het college van 7 juni 2024 aangemerkt worden als besluit? 6. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 7 juni 2024 geen besluit is in de zin van 1:3 Awb. 6.1. Het ontwikkelplan houdt in dat broedplaats Elektron verder wordt ontwikkeld. Om het plan te kunnen realiseren is van het college onder andere nodig: een eenmalige bijdrage van € 2.5 miljoen, een aantal verschillende vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening en exploitatie, inbreng van vastgoed en mogelijk meerjarige subsidies. De exacte details van het plan zouden, samen met het college, nader uitgewerkt moeten worden. Het ontwikkelplan is aan het college gepresenteerd als een uitnodiging om verder in gesprek te gaan. Daarbij is vermeld dat het om een concept ging. Ook in de aanbiedingsbrief is vermeld dat geen sprake is van een definitief voorstel. Door de stichting is toegelicht dat meerdere scenario’s zijn uitgewerkt, waarvan een is opgenomen in het ontwikkelplan. Dat is het voorkeursscenario. Daarmee sluit de stichting niet uit dat andere scenario’s onderzocht kunnen worden. Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat de stichting de intentie heeft gehad een aanvraag in te dienen in de zin van de Awb. Daarbij volgt uit de inhoud van het ontwikkelplan ook niet dat het een aanvraag is, nu het plan daarvoor onvoldoende concreet is en de voor een aanvraag benodigde informatie ontbreekt. 6.2. In de brief van 7 juni 2024 heeft het college een oordeel gegeven over de haalbaarheid van het door de stichting ingediende ontwikkelplan. De stichting stelt dat sprake is van een besluit, omdat in het kader van de Verordening Buurtrecht Breda 2018 en de Verordening voor meerjarige subsidies Cultuur Breda 2025 een beslissing is genomen door het college. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling. 6.3. Ter zitting biedt de gemachtigde van het college desgevraagd uitleg. De Verordening Buurtrecht Breda 2018 houdt een zelf opgelegde verplichting in van de gemeente Breda, tot het aannemen van een meer actieve en transparante houding ten aanzien van door burgers ingediende maatschappelijke initiatieven. Hieruit volgt feitelijk dat een contactpersoon wordt aangesteld die in het kader van regievoering regelt dat de ambtenaren die over de verschillende onderwerpen uit het ontwikkelplan gaan, samenkomen voor een vooroverleg. De verordening is niet de basis voor het indienen van een initiatief. 6.4. De rechtbank leidt hieruit af dat toepassing van de Verordening Buurtrecht Breda 2018 in dit geval heeft geleid tot een vooroverleg waaruit een negatieve beoordeling is gekomen. Een vooroverleg leidt echter niet tot een besluit in de zin van de Awb. Bovendien biedt de Verordening Buurtrecht Breda 2018 hiervoor geen juridische grondslag. Het negatief beoordelen van het ontwikkelplan heeft daarom niet geleid tot een verandering in de rechtspositie van de stichting. 6.5. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van A. Lemaire, griffier op 24 maart 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.