Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:2224
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer: C/02/443983 / KG ZA 26-15 Vonnis in kort geding van 20 maart 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. G.V.M. van den Hoven, tegen [gedaagde partij] B.V. , statutair gevestigd te [plaats 2] , zaakdoende te [plaats 3] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: [gemachtigde] . 1 De zaak in het kort. 1.1. [eisende partij] is eigenaar van een chalet op het [recreatiepark] , waarvan [gedaagde partij] eigenaar is. Tussen meerdere bewoners van het park, onder wie [eisende partij] , en [gedaagde partij] is een geschil gerezen met betrekking tot de onderhoudsstatus en het (afval)beheer van het park. [eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] diverse beheers- en onderhoudswerkzaamheden uitvoert. De voorzieningenrechter heeft die vordering gedeeltelijk toegewezen. Hierna wordt die beslissing toegelicht. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 23 januari 2026, - de producties van de zijde van [eisende partij] , - de zitting ter plaatse en de mondelinge behandeling op 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pro forma aanhouding, - de producties van de zijde van [gedaagde partij] , - de akte eiswijziging tevens houdende overlegging producties, - de voortgezette mondelinge behandeling op 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 3 De feiten 3.1. [gedaagde partij] is eigenaar van het [recreatiepark] (hierna: het park) 3.2. [eisende partij] is sinds 5 december 2017 eigenaar van een recreatiewoning (chalet) met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen op het park. 3.3. In artikel 1 van de tussen beide partijen toepasselijke Algemene Bepalingen staat dat tot de gemeenschappelijke voorzieningen of gedeelten van het park onder meer worden gerekend de vijvers en groenvoorzieningen, de parkeerterreinen en de openbare paden en wegen. In artikel 7 van de leveringsakte is bepaald dat de eigenaren of gebruikers verplicht zijn het chalet te gebruiken als recreatiechalet voor een recreatief (nacht)verblijf en de ondergrond te gebruiken als tuin. In artikel 8 van de leveringsakte is bepaald dat iedere eigenaar of gebruiker verplicht is zijn privé gedeelte behoorlijk te onderhouden. 3.4. Het Huishoudelijk Reglement bepaalt met betrekking tot het onderhoud onder randnummer 47 dat iedere eigenaar zijn kavel, chalet en tuin in goede staat van onderhoud dient te houden. In randnummer 52 van het reglement staat dat men er zorg voor dient te dragen dat de tuin er te allen tijde verzorgd uit blijft zien en dat, als het park mocht constateren dat dit niet het geval is, zij gerechtigd is dit onderhoud door derden uit te laten voeren, waarbij de kosten op de eigenaar zullen worden verhaald. Met betrekking tot het vuilnis en tuinafval bepaalt het reglement onder randnummer 53 dat huisvuil en klein tuinafval in gesloten vuilnissakken moet worden gedeponeerd in de door de exploitant aan te wijzen vuilniscontainer, onder randnummer 54 van het reglement dat het niet is toegestaan om grofvuil naast de afvalcontainer te deponeren en onder randnummer 55 dat het begraven en/of opslaan van iedere vorm van afval ten strengste verboden is. 3.5. Bij de ingang van het park bevindt zich een slagboom. Deze kan door de bewoners worden geopend met een afstandsbediening, die door [gedaagde partij] aan hen is verstrekt. 3.6. Tussen meerdere bewoners van het park, onder wie [eisende partij] , en [gedaagde partij] is een geschil gerezen met betrekking tot de onderhoudsstatus en het (afval)beheer van het park. 3.7. Bij e-mail van 24 juni 2025 van de toenmalige advocaat van [eisende partij] is [gedaagde partij] in gebreke gesteld om, samengevat, het (afval) beheer en het onderhoud van het park te hervatten. 3.8. Op 21 november 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eisen [gedaagde partij] moet op grond van de leveringsakte, de algemene bepalingen en het huishoudelijk reglement deugdelijke en afdoende beheers- en onderhoudswerkzaamheden uitvoeren op het park. 5.3. [gedaagde partij] erkent dat in het algemeen tot 2025 gaandeweg sprake is geweest van een ontwikkeling waarin van toerekenbare tekortkoming met betrekking tot het onderhoud sprake is geweest. Zij stelt nu bezig te zijn met het (achterstallig) onderhoud op het park. Zij heeft [eisende partij] -evenals de overige bewoners op het park- daarover geïnformeerd. Zij betwist de op haar rustende verplichtingen thans niet na te komen. Daarnaast voert zij aan dat begin maart 2026 over 2025 gestuurde nota’s van de parklasten betaald dienen te worden nu zij de nakoming van haar verplichtingen heeft hervat in de loop van 2025. 5.4. Dit beroep op opschorting door [gedaagde partij] wordt voorshands niet gegrond geoordeeld. [gedaagde partij] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door haar in de loop van 2025 een zodanige inhaalactie van herstel van onderhoud is ingezet en in zodanige mate dat een beroep op opschorting door de bewoners met betrekking tot betaling van de parklasten niet langer opgaat. In dit verband neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de kantonrechter in drie vonnissen van 22 november 2017, 17 juli 2019 en 16 november 2022 heeft vastgesteld dat [gedaagde partij] tekort schiet in haar verplichtingen waarmee op [gedaagde partij] thans een zware stelplicht rust waar het gaat om het nakomen van haar verplichtingen waaraan geenszins is voldaan. [eisende partij] is naar voorlopig oordeel daarom niet gehouden de volledige parklasten over 2025 te voldoen. Wat dan wel verschuldigd is laat zich in het kader van dit kort geding niet vaststellen. De voorzieningenrechter zal de door [eisende partij] gestelde tekortkomingen hierna bespreken. Ad I de waterhuishouding (retentiebekken en regentonnen) 5.5. In het vastgesteld bestemmingsplan “ [recreatiepark] ” uit 2010 staat -onder meer- het volgende: 3 Planbeschrijving (…) 3.3. Verkavelingsplan Algemeen Het verkavelingsplan vormt de basis voor de in het onderliggende bestemmingsplan opgestelde juridische regeling. Hieronder volgt een beschrijving van de verschillende functies. (…) Water: “ Centraal binnen het plangebied is een waterpartij gesitueerd waaromheen verschillende recreatieverblijven gelegen zijn. (…). De op de verkaveling weergegeven kleinere waterpartijen zijn indicatief en komen binnen de groenbestemming te liggen. Hoewel de plaatsbepaling van de waterpartijen indicatief is, dienen deze wel gerealiseerd te worden ten behoeve van waterhuishoudkundige doeleinden. De totale omvang van de retentievoorzieningen binnen deze delen van het plangebied moet minimaal 1.320 m² bedragen.” (…) 4. Uitvoeringsaspecten. 4.5. Water Inleiding Door [deskundige] is in het kader van het onderhavige bestemmingsplan een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de watertoets, welke in de bijlagen is opgenomen. In overleg met het waterschap Brabantse Delta is op basis van de uitgangspunten van dit onderzoek de onderstaande waterparagraaf opgesteld. (…) Uit de doorlatenheidsmeting blijkt dat de doorlatendheid op de locatie zeer slecht is (0,01m/dag). In de zandige, zwak ziltige bovengrond (tot 0,6 m-mv) vindt tijdens de doorlatendheidsmeting nauwelijks infiltratie plaats. Onder de zandige bovengrond bevindt zich een leemlaag tot 3,0 m-mv. Hier zal eveneens nauwelijks of geen infiltratie plaats vinden. Beleid De waterbeheerder voor het plangebied is het Waterschap Brabantse Delta. De waterbeheerder heeft diverse uitgangspunten opgesteld voor het omgaan met water bij ontwikkelingen. De algemene voorkeur van de waterbeheerder om met water om te gaan, is de voorkeursvolgorde ‘vasthouden’, ‘bergen’ en ‘afvoeren’. Vasthouden wil zeggen, zoveel mogelijk water binnen het gebied houden door zoveel mogelijk onverhard oppervlak te hebben of door bijvoorbeeld platte daken te gebruiken. Bergen wil z Zo is onduidelijk gebleven of de vereiste watercapaciteit in de retentiebekkens aanwezig is tot 1.320 m² (met een diepte van 1 m). Het Waterschap heeft in 2006 en 2008 al ingestemd met het uitgebrachte wateradvies, zodat het belang bij het opvragen van een wateradvies zonder enige toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk is. 5.9. Dit onderdeel van vordering I en II wordt daarom afgewezen. 5.10. Vordering II wordt ook afgewezen ten aanzien van de eis met betrekking tot het plaatsen van de regentonnen. De wenselijkheid van het plaatsen van regentonnen om de opslagcapaciteit van het regenwater te vergroten blijkt inderdaad uit genoemde stukken. Dat zegt echter niets over de vraag door wie die regentonnen moeten worden geplaatst en voor wiens rekening de kosten daarvan komen. Desgevraagd heeft [eisende partij] daarvoor ook geen grondslag kunnen noemen. Ad II de boom bij de erfgrens van het perceel van [eisende partij] , 5.11. [eisende partij] heeft gesteld dat de boom zich bevindt in de verboden grens van 2 meter tot zijn perceel. [eisende partij] grondt zijn vordering op het burenrecht (artikel 5:42 BW). 5.12. [gedaagde partij] heeft niet weersproken dat het burenrecht van toepassing is. Het standpunt van [gedaagde partij] dat de boom zich niet binnen voormelde grens bevindt kan niet gevolgd worden nu de voorzieningenrechter tijdens de bezichtiging heeft waargenomen dat het een opschietende boom betreft die zich binnen de grens van twee meter tot het perceel van [eisende partij] bevindt. 5.13. Dit onderdeel van de vordering I wordt daarom toegewezen. Ad III de vuilcontainer 5.14. De vuilcontainer bevindt zich achter een hekwerk met afgesloten poort. [gedaagde partij] heeft daarbij een bord geplaatst dat de poort 1x per week opengaat, op maandag van 09.00 tot 18.30 uur hetgeen ook de praktijk is. 5.15. [eisende partij] vordert dat de vuilcontainer op elk moment van de dag, alle dagen van de week, toegankelijk is voor de eigenaren van het park en dat deze voldoende frequent geleegd wordt zodat zich geen afval ophoopt naast de container. 5.16. [gedaagde partij] heeft erkend dat het hek waarachter de container geplaatst is, tot voor kort alleen op maandagen van 09.00 uur tot 18.30 uur geopend was maar dat thans ook op andere, wisselende tijden het toegangshek geopend is. Zij is tegen een ruimere openstelling omdat zij toezicht wil kunnen houden op de vuilcontainer, waarin door parkbewoners niet alleen huisvuil maar ook puinafval en meubilair wordt gestort. 5.17. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de mogelijkheid om toezicht te willen houden op de vuilcontainer geen reden mag zijn om de stortfaciliteit maar zeer beperkt open te stellen. Een faciliteit om huisvuil ordentelijk in te zamelen en af te voeren is een basisbehoefte voor de bewoners van het park. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat deze dagelijks tussen 09.00 uur en 18.30 uur toegankelijk moet zijn. 5.18. Dit onderdeel van de vordering I wordt daarom toegewezen. Ad IV het groenonderhoud, de paden en opgeslagen bouwmaterialen 5.19. [eisende partij] eist dat het groenonderhoud deugdelijk wordt gedaan zodat geen (overvloedig) onkruid aanwezig is in de plantsoenen op het park en dat verharde paden worden aangelegd en de reeds aangelegde paden die beschadigd zijn, worden hersteld. 5.20. De voorzieningenrechter heeft niet kunnen vaststellen de situatie op het park tijdens de bezichtiging of daarna een beeld heeft gegeven van ernstig gebrek aan onderhoud van of ernstig tekortschieten met betrekking tot het onderhoud van de groenvoorzieningen. [gedaagde partij] heeft zich eerder bereid verklaard aan de eis van [eisende partij] tegemoet te (willen) komen en zij heeft foto’s overgelegd waaruit blijkt dat werkzaamheden aan de groenvoorziening en snoeiwerkzaamheden plaatsvinden. Ook de recent ten behoeve van de voortgezette mondelinge behandeling overgelegde foto’s geven een beeld dat daar thans werk van wordt gemaakt. 5.21. [gedaagde partij] heeft zich ook b Tijdens de bezichtiging ter plaatse is gebleken dat het oude posthok met daarin de postkluisjes voor de bewoners, door [gedaagde partij] is verwijderd. Diverse bewoners hebben daarom zelf bij de ingang van het park aan de straatzijde postvakjes geplaatst 5.33. [gedaagde partij] heeft toegezegd dat zij de oude situatie zal herstellen in die zin dat binnen de grenzen van het park een nieuw posthok met afsluitbare postvakjes voor alle bewoners gerealiseerd zal worden, waarvoor de bewoners € 75,00 per jaar dienen te betalen, zoals voorheen. 5.34. [eisende partij] heeft betwist dat in het verleden afzonderlijk voor de postvakjes werd betaald. In artikel 11 van de leveringsakte is bepaald dat de kosten van postbezorging door de exploitant afzonderlijk in rekening worden gebracht bij de koper. Het standpunt van [eisende partij] zoals door hem verwoord ter zitting, dat er geen kosten in rekening werden gebracht voor de postvakjes, stemt niet overeen met zijn eigen vordering en ook niet met de brief van zijn advocaat van 11 november 2025, waarin deze [gedaagde partij] sommeert tot herstel van de postvakjes, zodat eigenaren die voor een postvakje betaald hebben daarover kunnen beschikken. Het bedrag van € 75,00 dat [gedaagde partij] stelt daarvoor in rekening te brengen komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat [eisende partij] aanspraak kan maken op een eigen postvakje nadat hij daarvoor aan [gedaagde partij] heeft betaald. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om dit ook tot te wijzen ten aanzien van de overige eigenaren, nu zij geen partij zijn in dit kort geding. 5.35. Dit onderdeel van de vordering I wordt daarom toegewezen als na te melden Ad VIII de slagboom 5.36. [eisende partij] vordert [gedaagde partij] te veroordelen te bewerkstelligen dat de slagboom bij de ingang van het park te allen tijde functioneert en aantoonbaar voorzien is van een werkend SOS-protocol [eisende partij] heeft in dit verband in de dagvaarding gesteld dat de slagboom een lange tijd niet gefunctioneerd heeft, maar dat dit probleem inmiddels is verholpen. De slagboom heeft echter geen SOS-protocol. 5.37. [gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de huisartsenpost en de politie de slagboom ingeval van een SOS-melding kunnen bedienen, maar de brandweer niet. 5.38. Nu de slagboom weer functioneert is er geen grond voor toewijzing van deze vordering, zodat dit onderdeel van de vordering I ook wordt afgewezen. [eisende partij] heeft niet aangegeven op welke grond de slagboom voorzien moet zijn van een werkend SOS-protocol. Ad IX de beheerder 5.39. de vordering van [eisende partij] strekt ertoe dat de beheerder van [gedaagde partij] 24/7 bereikbaar is en binnen een redelijke termijn reageert op vragen, verzoeken en klachten. 5.40. De voorzieningenrechter wijst deze vordering als te vergaand af. [gedaagde partij] heeft onweersproken gesteld dat de beheerder dagelijks op het park aanwezig is. [eisende partij] heeft de onvoldoende onderbouwd waarom er noodzaak is om ook gedurende de nacht bereikbaar te zijn. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen 5.41. Het vorenstaande betekent dat vordering I wordt toegewezen voor wat betreft de onderdelen II, III, V en VII. De dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als hierna onder de beslissing vermeld 5.42. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toewijzing van het onder III gevorderde. Mocht [gedaagde partij] het periodiek terugkerend onderhoud aan de algemene gedeelten van het park alsmede de services staken dan zal er sprake zijn van een nieuwe toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen door [gedaagde partij] en kan [eisende partij] alsdan weer nakoming vorderen. De proceskosten 5.43. Hoewel een deel van de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen moet [gedaagde partij] toch de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisende partij] betalen. De voorzieningenrechter