Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:2174
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,094 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 text/xml public 2026-03-30T08:00:13 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 C/02/445365 / JE RK 26-312 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 text/html public 2026-03-25T13:45:04 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / C/02/445365 / JE RK 26-312 Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445365 / JE RK 26-312 Datum uitspraak: 16 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, en [de vader] , hierna te noemen de vader, samen te noemen de ouders, wonende in [plaats] (België), advocaat mr. L.T.C.M. Geurts uit 's-Gravenhage, [pleegouder 1] en [pleegouder 2] , hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - beide ouders met hun advocaat; - een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI; de pleegvader; een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van 25 januari 2024 is, voor zover hier van belang, [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 8 februari 2024. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 2 februari 2024 is de beschikking van 25 januari 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van de kinderrechter onderworpen, en is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 april 2024. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2024 is voor [minderjarige] , zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken met ingang van 22 maart 2024 en tot 5 april 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.5. Bij beschikking van de kinderrechter van 27 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 april 2024 en tot 25 april 2024. 2.6. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 april 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 april 2024 en tot 19 april 2025. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 april 2024 en tot 19 oktober 2024. 2.7 Deze maatregelen zijn voor het laatst bij beschikking van 9 april 2025 verlengd tot 19 april 2026. 2.8 Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders noodzakelijk. Tot op heden lukt het niet om met de ouders tot een samenwerking te komen om zodoende te werken aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. Ondanks de vele pogingen blijven ouders weigeren om met de GI in gesprek te gaan. De GI staat nog altijd open voor een gesprek, maar stelt daarbij als voorwaarde dat dit gesprek face-to-face en op een acceptabele wijze plaatsvindt. Vanwege de grensoverschrijdende houding van de ouders is er ook geen contact meer tussen pleegzorg en de ouders. Ouders reageren niet meer op de wekelijkse informatiemails over [minderjarige] die vanuit pleegzorg worden verstuurd. Als er contact moet zijn, wil pleegzorg eerst samen met de GI en ouders in gesprek. Voorts benoemt de GI dat er momenteel rondom [minderjarige] veel aan de gang is. De behandeling bij [hulpverlening] gaat de goede kant op. [minderjarige] lijkt zich meer open te stellen, waardoor behandeling kan plaatsvinden. Ook lijkt [minderjarige] , na wat aversie, haar draai te hebben gevonden bij [sportbegeleiding] . De komende tijd wordt er gezocht naar een passende school of dagbesteding. 4.2. De moeder vertelt dat de ouders [minderjarige] voor het laatst hebben gezien tijdens de uitvaart van opa. [persoon] heeft toen aangegeven te willen overnachten bij de ouders. De ouders vinden het lastig om hierop te reageren, omdat zij bang zijn in de problemen te komen. De ouders hebben veel vragen, er is voor hen veel onduidelijk. Zij zouden graag zien dat de pleegouders de ouders betrekken bij zaken die spelen rondom [minderjarige] . De ouders hebben immers het gezag over haar en willen dus meebeslissen. Ten aanzien van de samenwerking met de GI stelt de moeder dat de GI alleen in gesprek wil gaan op haar kantoor. De ouders weigeren een voet binnen dit kantoor te zetten. Dat is erg jammer voor [minderjarige] , want de moeder heeft alles over voor haar dochter. Als [minderjarige] bij pleegouders wil blijven wonen, gaat moeder akkoord met de verzoeken van de GI. Zij wil dit wel graag van haarzelf horen. Tevens moet er aandacht komen voor de samenwerking met de GI. De communicatie loopt echt niet goed. Een direct contact met pleegouders is misschien beter. 4.3. De pleegvader benoemt dat [minderjarige] vorig jaar erg overvraagd werd. Ze had geen plezier op school en vond geen aansluiting bij een vriendengroep. Inmiddels zit zij beter in haar vel en is zij actief aan het sporten bij [sportbegeleiding] . [minderjarige] heeft een goede klik met de pleegmoeder. De pleegvader hoopt dat [minderjarige] de positieve ervaringen kan vasthouden. In de komende tijd zal gezocht worden naar een opleiding die goed bij haar aansluit. 4.4. De Raad is op grond van artikel 1:265j lid 3 BW verzocht om een advies te geven over de verzoeken van de GI. Omdat dit niet eerder is gelukt, adviseert de Raad ter zitting. De Raad stelt vast dat er best wel wat zorgen zijn over [minderjarige] en vindt het fijn om te horen dat er ontwikkeling in zit. Er is sprake van een moeizame samenwerking tussen de GI en de ouders. Dit valt te betreuren voor [minderjarige] , want deze situatie blijft voortduren. De Raad gaat binnenkort een onderzoek starten naar het gezag en acht het in het belang van [minderjarige] dat in de tussentijd haar plek bij de pleegouders gewaarborgd blijft met een daartoe strekkende machtiging. De Raad adviseert de verzoeken van de GI toe te wijzen. 4.5. [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij niet meer bij haar ouders wil wonen. Zij wil in het pleeggezin blijven. 5 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De kinderrechter constateert dat de ouders en [minderjarige] de Belgische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 text/xml public 2026-04-16T03:02:39 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 C/02/445365 / JE RK 26-312 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 text/html public 2026-03-25T13:45:04 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2174 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / C/02/445365 / JE RK 26-312 Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/445365 / JE RK 26-312 Datum uitspraak: 16 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] (België), hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, en [de vader] , hierna te noemen de vader, samen te noemen de ouders, wonende in [plaats] (België), advocaat mr. L.T.C.M. Geurts uit 's-Gravenhage, [pleegouder 1] en [pleegouder 2] , hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - beide ouders met hun advocaat; - een tweetal vertegenwoordig(st)ers van de GI; de pleegvader; een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van 25 januari 2024 is, voor zover hier van belang, [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 8 februari 2024. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 2 februari 2024 is de beschikking van 25 januari 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van de kinderrechter onderworpen, en is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 april 2024. 2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van 22 maart 2024 is voor [minderjarige] , zonder het voorafgaand horen van belanghebbenden, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken met ingang van 22 maart 2024 en tot 5 april 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. 2.5. Bij beschikking van de kinderrechter van 27 maart 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 april 2024 en tot 25 april 2024. 2.6. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 april 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 april 2024 en tot 19 april 2025. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 april 2024 en tot 19 oktober 2024. 2.7 Deze maatregelen zijn voor het laatst bij beschikking van 9 april 2025 verlengd tot 19 april 2026. 2.8 Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders noodzakelijk. Tot op heden lukt het niet om met de ouders tot een samenwerking te komen om zodoende te werken aan de doelen die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn gesteld. Ondanks de vele pogingen blijven ouders weigeren om met de GI in gesprek te gaan. De GI staat nog altijd open voor een gesprek, maar stelt daarbij als voorwaarde dat dit gesprek face-to-face en op een acceptabele wijze plaatsvindt. Vanwege de grensoverschrijdende houding van de ouders is er ook geen contact meer tussen pleegzorg en de ouders. Ouders reageren niet meer op de wekelijkse informatiemails over [minderjarige] die vanuit pleegzorg worden verstuurd. Als er contact moet zijn, wil pleegzorg eerst samen met de GI en ouders in gesprek. Voorts benoemt de GI dat er momenteel rondom [minderjarige] veel aan de gang is. De behandeling bij [hulpverlening] gaat de goede kant op. [minderjarige] lijkt zich meer open te stellen, waardoor behandeling kan plaatsvinden. Ook lijkt [minderjarige] , na wat aversie, haar draai te hebben gevonden bij [sportbegeleiding] . De komende tijd wordt er gezocht naar een passende school of dagbesteding. 4.2. De moeder vertelt dat de ouders [minderjarige] voor het laatst hebben gezien tijdens de uitvaart van opa. [persoon] heeft toen aangegeven te willen overnachten bij de ouders. De ouders vinden het lastig om hierop te reageren, omdat zij bang zijn in de problemen te komen. De ouders hebben veel vragen, er is voor hen veel onduidelijk. Zij zouden graag zien dat de pleegouders de ouders betrekken bij zaken die spelen rondom [minderjarige] . De ouders hebben immers het gezag over haar en willen dus meebeslissen. Ten aanzien van de samenwerking met de GI stelt de moeder dat de GI alleen in gesprek wil gaan op haar kantoor. De ouders weigeren een voet binnen dit kantoor te zetten. Dat is erg jammer voor [minderjarige] , want de moeder heeft alles over voor haar dochter. Als [minderjarige] bij pleegouders wil blijven wonen, gaat moeder akkoord met de verzoeken van de GI. Zij wil dit wel graag van haarzelf horen. Tevens moet er aandacht komen voor de samenwerking met de GI. De communicatie loopt echt niet goed. Een direct contact met pleegouders is misschien beter. 4.3. De pleegvader benoemt dat [minderjarige] vorig jaar erg overvraagd werd. Ze had geen plezier op school en vond geen aansluiting bij een vriendengroep. Inmiddels zit zij beter in haar vel en is zij actief aan het sporten bij [sportbegeleiding] . [minderjarige] heeft een goede klik met de pleegmoeder. De pleegvader hoopt dat [minderjarige] de positieve ervaringen kan vasthouden. In de komende tijd zal gezocht worden naar een opleiding die goed bij haar aansluit. 4.4. De Raad is op grond van artikel 1:265j lid 3 BW verzocht om een advies te geven over de verzoeken van de GI. Omdat dit niet eerder is gelukt, adviseert de Raad ter zitting. De Raad stelt vast dat er best wel wat zorgen zijn over [minderjarige] en vindt het fijn om te horen dat er ontwikkeling in zit. Er is sprake van een moeizame samenwerking tussen de GI en de ouders. Dit valt te betreuren voor [minderjarige] , want deze situatie blijft voortduren. De Raad gaat binnenkort een onderzoek starten naar het gezag en acht het in het belang van [minderjarige] dat in de tussentijd haar plek bij de pleegouders gewaarborgd blijft met een daartoe strekkende machtiging. De Raad adviseert de verzoeken van de GI toe te wijzen. 4.5. [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij niet meer bij haar ouders wil wonen. Zij wil in het pleeggezin blijven. 5 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De kinderrechter constateert dat de ouders en [minderjarige] de Belgische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt.