Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:2084
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2084 text/xml public 2026-03-27T09:18:36 2026-03-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-19 C/02/444927 / JE RK 26-236 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2084 text/html public 2026-03-25T10:49:03 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2084 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-02-2026 / C/02/444927 / JE RK 26-236 Spoedmachtiging uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444927 / JE RK 26-236 Datum uitspraak: 19 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant , gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken. 1.2. Op 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de advocaat van de moeder; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.3. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. In de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 verleende de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 10 februari 2026 tot 24 februari 2026 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden. Op grond van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] op dit moment in een gezinsgerichte voorziening. 3 Het (resterende) verzoek Thans ligt het volgende verzoek nog ter beoordeling voor. 3.1. De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder dan wel een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de resterende duur van twee weken. 3.2. Tevens verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder dan wel een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. Namens de GI is naar voren gebracht dat [minderjarige] momenteel in een gezinshuis verblijft. Het gaat boven verwachting goed met [minderjarige] in het gezinshuis. De GI kan zich, vanwege de uitlatingen van de moeder tijdens de uithuisplaatsing, niet aan de indruk onttrekken dat de uithuisplaatsing lijkt voorbesproken met [minderjarige] . Er verblijven meerdere kinderen van haar leeftijd binnen het gezinshuis. Er heeft ook al contact met de moeder plaatsgevonden via beeldbellen. De GI wil graag op 5 maart 2026 in gesprek met de moeder over het verdere traject en de contactregeling. De GI merkt op dat de opstelling van de moeder een samenwerknig enorm bemoeilijkt. De GI ziet dat de moeder hard vecht voor haar principes. De GI hoopt echter ook dat zij haar eigen belangen ondergeschikt kan maken aan die van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft nu in het kader van een crisisplek binnen het gezinshuis. Mogelijk kan dit een langverblijfpleeggezin worden, afhankelijk hoe [minderjarige] gedijt binnen de voorziening. 4.2. Namens de moeder is naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing geen verrassing is voor de moeder. Zij wist dat er een uithuisplaatsing zou volgen, alleen niet wanneer. Het is prettig om te horen dat het goed gaat met [minderjarige] . De moeder wil onder geen beding in gesprek met de GI. De moeder herkent zich niet in het beeld dat zij psychotisch zou zijn. Bij de moeder is sprake van autisme waardoor een gesprek de nodige aandacht vraagt. Dat kan wellicht overkomen als “verward” maar er is absoluut geen sprake van een psychose. De advocaat verzoekt dit woord dan ook te schrappen uit de rapportages omdat dit geen eigen leven mag gaan leiden. De advocaat stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de vereisten voor een spoedmachtiging uithuisplaatsing en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De moeder is al jaren vergeefs op zoek naar hulpverlening. Zij is langzaam en in haar ogen onterecht in de trechter van de verplichte hulpverlening gekomen. Zij is strijdbaar en houdt vast aan haar principes. Dit maakt ook dat zij haar medewerking tot op heden weigert. De advocaat beseft zich dat deze impasse een zorg is voor de toekomst. De advocaat verzoekt primair het verzoek af te wijzen. Wel merkt de advocaat op dat er berusting is bij de moeder nu er geen vertrouwen meer is in de betrokken instanties. 5 De beoordeling 5.1. Bij de in deze zaak gegeven beschikking van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. 5.2. Uit de overgelegde stukken en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in voornoemde beschikking. 5.3. Nu de kinderrechter zal beslissen op het reguliere deel van het verzoek, zal zij het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen. Aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing 5.4. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 5.5. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. De gebeurtenissen van de afgelopen periode laten zien dat moeder op dit moment onvoldoende in staat is om veiligheid, stabiliteit en toezicht te bieden aan [minderjarige] in de thuissituatie. Haar communicatie oogt verward en onsamenhangend en de moeder weigert ieder contact met de GI. Die omstandigheden vormen een directe bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij komt dat [minderjarige] niet naar school gaat. 5.6. De kinderrechter zal het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen, nu aan de wettelijke criteria is voldaan. De door de GI verzochte periode acht de kinderrechter passend. Daarbij vraagt de kinderrechter aandacht voor fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de moeder haar vechtlust om kan zetten in samenwerking, zodat [minderjarige] weer snel naar huis kan. Uitvoerbaar bij voorraad 5.7. De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld. 5.8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) met ingang van 19 februari 2026 tot 10 januari 2027; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig.