Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:2083
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,998 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:2083 text/xml public 2026-03-27T09:17:05 2026-03-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-19 C/02/445241 / JE RK 26-294 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2083 text/html public 2026-03-25T10:47:07 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2083 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-02-2026 / C/02/445241 / JE RK 26-294 Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445241 / JE RK 26-294 Datum uitspraak: 19 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Tilburg, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. In het procesdossier zit het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 19 februari 2026. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij de moeder. 2.3. [minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 oktober 2025 is deze maatregel verlengd tot 22 oktober 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken, om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en om deze beslissing onverwijld te nemen, oftewel zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. 3.2. De GI verzoekt daarnaast om een machtiging te verlenen om [minderjarige] (aansluitend) uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte accommodatie voor de duur van de ondertoezichtstelling, in dit geval tot 22 oktober 2026. 4 De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.2. Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige. 4.3. Uit de overlegde stukken blijkt, samengevat, onder meer het volgende. In verband met toenemende zorgen over [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de moeder, heeft de GI een (regulier) verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij deze rechtbank ingediend. De zitting in deze zaak is gepland op 5 maart 2026. De GI stelt nu dat er een acute situatie is ontstaan, waardoor het noodzakelijk is om [minderjarige] per direct uit huis te plaatsen. [minderjarige] verblijft feitelijk al vijf weken in het gezin van een vriend. De GI is hier vandaag op bezoek geweest. De moeder van deze vriend heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat [minderjarige] in de afgelopen twee dagen spoorloos is geweest en dat zij niet langer bij hen in het gezin kan blijven. Het was onduidelijk waar en met wie zij in de afgelopen dagen heeft verbleven. [minderjarige] heeft zelf hierover aangegeven dat zij tijdelijk bij een andere vriend in huis heeft verbleven. [minderjarige] wil vanwege de bestaande spanningen op dit moment absoluut niet terugkeren naar huis. 4.4. Nu [minderjarige] niet kan en wil terugkeren naar huis, zij niet langer tijdelijk in het gezin van de vriend waar zij in de afgelopen weken heeft verbleven kan blijven en zij op dit moment nergens anders in het netwerk terecht kan, is de kinderrechter reeds op grond hiervan van oordeel dat er nu sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat zij vanavond op straat staat of dat zij zelf ergens een slaapplek regelt, terwijl het onduidelijk is waar en met wie zij verblijft. Dit is niet veilig voor [minderjarige] en dus onverantwoord, met andere woorden niet in haar belang. De kinderrechter zal daarom, zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord, op het spoedverzoek beslissen. 4.5. De kinderrechter is bovendien, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van haar verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal daarom worden verleend met onmiddellijke ingang en tot 5 maart 2026. 4.6. De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat die beslissing per direct uitvoerbaar is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. 4.7. Verdere beslissingen op de resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening daarover te geven. Aangezien de belanghebbenden binnen twee weken in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun mening in deze zaak te geven, kan deze zaak niet worden gepland op de reeds geplande zitting op 5 maart 2026. De beslissing zal daarom voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting op [datum] 2026. Het verzoek in de andere zaak (met de reeds geplande zitting op 5 maart 2026) zal eveneens tegelijktijdig worden behandeld op [datum] 2026. Deze zitting zal dus naar voren worden gehaald. Dit betekent dat de reeds geplande zitting op 5 maart 2026 niet zal doorgaan; partijen zullen hierover nog apart bericht ontvangen. 4.8. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 februari 2026 tot 5 maart 2026; 5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting op [datum] 2026 om [uur] , bij mr. Van de Kraats als kinderrechter, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan de Stationslaan 10, 4815 GW; 5.4. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder, de vader en de GI; 5.5. bepaalt dat [minderjarige] , omdat zij vanwege haar leeftijd het recht heeft om haar mening in deze zaak te geven, een afzonderlijke brief zal krijgen met daarin een oproeping voor een kindgesprek dat op een ander moment zal plaatsvinden; 5.6. behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig.