Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:2057
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,036 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2057 text/xml public 2026-03-27T08:08:05 2026-03-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-18 C/02/435074 / FA RK 25-2333 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2057 text/html public 2026-03-27T08:07:47 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2057 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-02-2026 / C/02/435074 / FA RK 25-2333 Verzoek eenhoofdig gezag - raadsonderzoek RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/435074 / FA RK 25-2333 Beschikking van 18 februari 2026 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. B.S. van Haeften, gevestigd te Den Haag, tegen [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, Als informant wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND , gevestigd te Middelburg, hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken: - het op 25 april 2025 ingekomen verzoekschrift tot het beëindigen van het gezamenlijk gezag/toekennen van het eenhoofdig gezag, met bijlagen; - het F9-formulier 12 januari 2026 van mr. Van Haeften, met aanvullende productie. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 16 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Verder waren aanwezig twee vertegenwoordigsters van de Raad, alsmede twee vertegenwoordigsters van de GI. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 1 februari 2022 heeft de rechtbank in het huwelijk van de ouders de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het aan die beschikking gehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking. De genoemde beschikking is op 8 februari 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.2 Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende nu nog minderjarige kinderen geboren: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] . 2.3 Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen. 2.4 In voornoemd ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de ene week bij de ene ouder verblijven en de andere week bij de andere ouder. 2.5 Bij kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 26 april 2023 is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de afspraken over de zorgregeling in het ouderschapsplan, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Vervolgens is de vrouw bij kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 mei 2023 veroordeeld tot nakoming van de afspraken over de zorgregeling in het ouderschapsplan, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt. 2.6 Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 augustus 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , na een voorlopige ondertoezichtstelling, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 augustus 2023 en tot 15 mei 2024. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2026. 2.7 Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 27 oktober 2023 is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geschorst tot de mondelinge behandeling op 22 november 2023, tenzij de GI op basis van de verkregen informatie beoordeelt dat het contact voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veilig kan plaatsvinden. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot de hiervoor genoemde mondelinge behandeling. De kinderrechter heeft verder het verzoek van de GI om zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden op het verzoek te beslissen, afgewezen. 2.8 Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 november 2023 is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geschorst tot de mondelinge behandeling op 21 december 2023, tenzij de GI op basis van de verkregen informatie beoordeelt dat het contact voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veilig kan plaatsvinden. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot de hiervoor genoemde mondelinge behandeling. 2.9 Bij beschikking van 5 januari 2024 is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , voor de duur van drie maanden, tot 5 april 2024, geschorst tenzij de GI op basis van de verkregen informatie beoordeelt dat het contact voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] veilig kan plaatsvinden. Het meer of anders verzochte is afgewezen. 3 Het geschil 3.1 De vrouw verzoekt om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair Te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de kinderen wordt beëindigd en dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt toegekend; Subsidiair Te bepalen dat er een raadsonderzoek wordt gelast. 3.2 De man heeft ter zitting verweer gevoerd en verzocht om het primaire verzoek van de vrouw af te wijzen. 3.3 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan. 4 De standpunten 4.1 De vrouw stelt dat wijziging van het gezag in belang van de minderjarigen is. Voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Sinds een lange tijd ontbreekt de noodzakelijke communicatie ten behoeve van de uitoefening van het gezamenlijk gezag tussen partijen. Er is sprake van een situatie waarbij de man en de kinderen sinds oktober 2023 geen contact meer met elkaar hebben. De man vervult dus al een langere tijd geen vaderrol meer in het leven van de kinderen. Tussen partijen al lange tijd sprake van een zeer verstoorde relatie. De afgelopen jaren is er sprake geweest van hulpverlening en de kinderen zijn onder toezicht gesteld. Partijen hebben ook een mediation traject doorlopen om te proberen om de communicatie beter te krijgen, helaas is de mediation volgens de vrouw door de man gestopt. Ook is de ouderschapsbemiddeling bij [hulpverlening] ingezet maar gestopt door de man, aldus de vrouw. Volgens de vrouw is er nu voor een langere tijd geen enkele communicatie met de man mogelijk. De kinderen zijn hier de dupe van. De vrouw heeft er gezien de lang lopende problematiek en de reeds ingezette hulp ook geen vertrouwen in dat dat op korte termijn anders zal zijn. Door het feit dat partijen samen niet in staat zijn om gezagsbeslissingen te nemen, raken de kinderen klem en verloren. Het gezamenlijk gezag is om deze reden ook in strijd met het belang van de kinderen. 4.2 De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij gezaghebbende ouder wenst te blijven. De kinderen lijden volgens hem onder de situatie. De man heeft in het belang van de kinderen een stap terug gedaan.
Volledig
De man wil betrokken blijven bij de kinderen en niet alleen op de hoogte worden gehouden, maar ook kunnen meebeslissen als er zich belangrijke zaken voordoen betreffende de kinderen. De man heeft maandelijks contact met de school van de kinderen. Hij heeft begrepen dat het beter met de kinderen gaat en dat er wat meer rust is ontstaan. De man is daar erg blij mee. De vrouw is met de kinderen verhuisd zonder enige vorm van overleg. Alle aantijgingen die door de vrouw zijn gedaan zijn onderzocht en hebben tot niets geleid. Dat de vrouw nu de zorg heeft voor de kinderen is ontstaan door de aantijgingen die zij, onterecht, heeft gedaan, aldus de man. 4.3 De GI heeft ter zitting opgemerkt dat er diverse trajecten zijn ingezet die allemaal niet zijn geslaagd. De samenwerking met de man verloopt moeizaam. Het kost veel moeite om ingezette trajecten te laten doorlopen. De GI gaat geen trajecten meer inzetten, maar de komende periode werken aan de afronding van de ondertoezichtstelling. Daarbij wordt onder andere een borgingsplan opgesteld waarin er in het bijzonder aandacht moet zijn voor de positie van de man, de informatievoorziening en de gezagsbeslissingen. 4.4 De Raad heeft ter zitting benadrukt dat het een ontzettend verdrietige en schrijnende zaak betreft. De Raad wil onderzoeken of er sprake is van een klemmende situatie bij beëindiging van het gezag. Er is nog een dunne lijn tussen de kinderen en de man, aldus de Raad. De man is nog betrokken bij de kinderen, in ieder geval via de school. Verder heeft de GI ook geen verzoek ingediend tot een gezagsbeëindigende maatregel, hetgeen volgens de Raad wel passend was geweest omdat de GI heeft verklaard geen hulpverleningstrajecten meer in te zullen zetten. 5 De beoordeling 5.1 Op grond van lid 1 van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag als bedoeld in artikel 1:251a lid 1 BW beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de minderjarige kinderen toekomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van lid 1 van voornoemd artikel kan de rechter bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 5.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat sprake is van gewijzigde omstandigheden omdat is gebleken dat communicatie tussen partijen ontbreekt en dat de man inmiddels meer dan twee jaar geen contact meer heeft met de minderjarigen – ondanks de ingezette hulpverlening en de ondertoezichtstelling die al vanaf augustus 2023 loopt. Gelet hierop is aan het vereiste van artikel 1:253n lid 1 BW voldaan. 5.3 De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun minderjarige kinderen. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet meer samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen, waar nodig, dat de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. 5.4 Voorop wordt gesteld dat het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en toekenning van het eenhoofdig gezag aan haar een ingrijpende beslissing is die een zorgvuldige belangenafweging vergt. De rechtbank acht zich op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting onvoldoende geïnformeerd om een goed gefundeerde en weloverwogen beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vrouw. 5.5 De visies van partijen over het verleden en over de huidige situatie ten aanzien van onder andere de noodzaak van hulpverlening, de betrokkenheid van de man bij de kinderen en het informeren van de man door de vrouw over zaken die de kinderen betreffen, staan haaks op elkaar en partijen hebben over en weer geen vertrouwen in elkaar. De kinderen hebben, ondanks de hulpverlening die hen is geboden, sinds oktober 2023 geen enkel contact meer met de man. De man heeft besloten om in ieder geval op dit moment en de afgelopen periode niet toe te willen werken naar contactherstel met de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat een onderzoek door de Raad noodzakelijk is om een onafhankelijk beeld te kunnen krijgen van de situatie van de kinderen en om te kunnen beoordelen wat in het kader van het ouderlijk gezag in het belang van de kinderen moet worden geacht. 5.6 De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen: - Is eenhoofdig gezag, zoals wordt verzocht door de vrouw, in het belang van de kinderen? - Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van partijen, een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen partijen en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is het anderszins in het belang van de kinderen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Wat hebben partijen nodig aan hulpverlening om te komen tot een goede invulling en uitoefening van het gezamenlijk gezag bij instandhouding hiervan, en kan dit van partijen ook verwacht worden? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? 5.7 De rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag voor de duur van zes maanden aanhouden in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de raad. De rechtbank wil uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum in ieder geval op de hoogte worden gesteld over de voortgang van het onderzoek door de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog niet gereed is. Na binnenkomst van het rapport zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren en aan te geven of zij een voorkeur hebben voor behandeling van de zaak op een zitting dan wel een andere wijze van afwikkeling van de zaak. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder rechtsoverweging 5.6 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank moet worden ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen; 6.2 houdt aan de beslissing op het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag tot 18 augustus 2026 PRO FORMA in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg. Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier op 18 februari 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.