Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:2029
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,164 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2029 text/xml public 2026-03-23T16:22:23 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17 C/02/443036 / KG ZA 25-677 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2029 text/html public 2026-03-23T16:21:39 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-02-2026 / C/02/443036 / KG ZA 25-677 Vorderingen in conventie en reconventie m.b.t. overname van de woning afgewezen. Aangesloten bij eerdere echtscheidingsbeschikking. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/443036 / KG ZA 25-677 Vonnis in kort geding van 17 februari 2026 in de zaak van [de man] , ingeschreven te [plaats] , eiser in conventie, gedaagde in reconventie; hierna te noemen: de man, advocaat: mr. R.M. van Breemen te Rijen, tegen [de vrouw] , ingeschreven te [plaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de brief van 15 januari 2026 van mr. Van Breemen; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties; - de brief met bijlage van 3 februari 2026 van mr. Van Breemen. 1.2. De zaak is besproken op de zitting van 3 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. 1.3. Tijdens de zitting heeft mr. Van Breemen een pleitnota voorgedragen. 2 De feiten 2.1. Tussen partijen staat het volgende vast: zij zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2009 (welk huwelijk op [datum 2] 2009 in Nederland is geregistreerd) tot [datum 3] 2025; zij zijn de eigenaar van de echtelijke woning aan het [adres] [plaats] (hierna: de woning); bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 1 november 2024, welke ten aanzien van de schrijfwijze van de naam van de man is verbeterd bij beschikking van 3 april 2025, is onder meer beslist dat de vrouw jegens de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning tot het moment waarop die woning wordt geleverd aan haar, de man of verkocht aan (een) derde(n), doch uiterlijk tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Daarnaast is de verdeling gelast op de wijze zoals volgt uit rechtsoverwegingen 4.57 tot en met 4.77 van die beschikking. Daaruit volgt (voor zover van belang) het volgende spoorboekje voor de woning: "- partijen verstrekken binnen één maand na de datum van deze beschikking aan KIN Makelaars Tilburg de opdracht om te woning te taxeren. Deze taxatie dient vervolgens zo snel mogelijk plaats te vinden en is bindend tussen partijen; - de vrouw dient vervolgens binnen één maand na de datum van het taxatierapport aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren, door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. De vrouw dient dit aan te tonen door middel van een schriftelijke verklaring of een hypotheekofferte van een bank. (…); - als de vrouw er niet (tijdig) in slaagt de echtelijke woning aan haar toegedeeld te krijgen, dient de man vervolgens binnen één maand na het bericht van de vrouw (dat zij de woning niet kan overnemen, dan wel binnen twee maanden na de datum van het taxatierapport) aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren, door overname van de hypothecaire geldleningen en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. De man dient dit aan te tonen door middel van een schriftelijke verklaring of een hypotheekofferte van een bank. (…) - als ook de man er niet (tijdig) in slaagt om de toedeling van de woning aan hem te financieren, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. Partijen dienen hiertoe binnen één week na bericht van de man (dat hij de woning niet kan overnemen, dan wel binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport) de makelaar de opdracht te geven. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. De hypothecaire geldleningen en de verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de verkoopopbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde” . - De woning is door KIN Makelaars Tilburg B.V. getaxeerd op een bedrag van € 285.000,=. Het taxatierapport dateert van 11 maart 2025. 3 De vorderingen 3.1. De man vordert, samengevat: 1. de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van haar eigendomsdeel van de woning aan de man, door: - de hypotheekadviseur te berichten dat ze alsnog instemt met de reeds getekende omzettingsverklaring van 15 oktober 2025, waarbij de verkoopprijs € 285.000,= zal zijn; en - alles te doen wat volgens de hypotheekadviseur en notaris nodig is om tot levering van haar eigendomsdeel van de woning aan de man over te gaan en om te komen tot ontslag uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid aangaande de hypothecaire schuld, waaronder mede te begrijpen het ondertekenen van een akte van scheiding en deling; 2. aan hem vervangende toestemming te verlenen om tot verkoop en levering van het eigendomsdeel van de vrouw aangaande de woning over te gaan, indien de vrouw niet haar volledige medewerking zoals hiervoor sub 1 gevorderd, verleent, en waarbij de man wordt gemachtigd tot het te gelde maken van de woning; 3. de vrouw te veroordelen de woning, onder medeneming van al haar goederen, te ontruimen en ontruimd te houden binnen vier weken na schriftelijke aanzegging van de man, maar niet eerder dan vier weken na betekening van het vonnis. 3.2. De vrouw vordert in reconventie, samengevat: de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan ondertekening van de omzettingsvoorstellen, op eerste verzoek van de vrouw, zoals opgemaakt door Argenta en SVN, waarbij de man akkoord geeft dat de hypothecaire geldleningen worden omgezet op naam van de vrouw; de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde van € 285.000,=, bij een door de vrouw aan te wijzen notaris, welke notaris de dag en het tijdstip bepaalt; te bepalen dat als de man niet tijdig aan de vorderingen onder a) en b) voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemmende wilsverklaring van de man voor dat deel van de omzettingsverklaring en dat deel van de notariële akte van levering, met bepaling dat de opgemaakte akte rechtsgeldig kan worden overgeschreven in de daartoe bestemde registers; te bepalen dat de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,= per dag voor elke dag dat hij de veroordelingen onder a. en b. niet nakomt, met een maximum van € 50.000,=; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling Vorderingen in conventie Spoedeisend belang 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de zitting. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen. 4.2. Volgens de man is de spoedeisendheid van zijn vorderingen erin gelegen dat de omzettingsverklaring, waarmee de woning aan hem kan worden toegedeeld, liep tot 10 januari 2026. Deze kan echter met enkele weken worden verlengd. Van de man kan bovendien niet langer verwacht worden dat hij zwervend blijft. Tot slot communiceren partijen niet met elkaar. 4.3. De vrouw heeft het spoedeisend belang niet betwist. 4.4. Tussen partijen is het spoedeisend belang van de vorderingen in conventie niet in geschil.
Volledig
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang ook voldoende volgt uit de aard van het gevorderde. De wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap is gelast in de echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024 (welke is verbeterd bij beschikking van 3 april 2025), aldus ruim een jaar geleden. Van uitvoering is het tot nu toe, meer dan een jaar later, nog niet gekomen. Beide partijen verkeren blijkens hun stellingen in onzekerheid over de verdere afwikkeling en het is hen beiden te doen om tot uitvoering te komen van hetgeen in die beschikking ten aanzien van de woning is beslist. Inhoudelijke beoordeling 4.5. De man vordert nakoming van de echtscheidingsbeschikking en hij legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van de echtscheidingsbeschikking is de vrouw als eerste in de gelegenheid gesteld om de woning over te nemen. Het taxatierapport van KIN Makelaars dateert van 11 maart 2025 en daaruit volgt een waarde van de woning van € 285.000,=. De vrouw had vóór 11 april 2025 moeten aantonen dat zij de woning kon overnemen. Pas op 18 juni 2025 heeft de vrouw kennelijk een offerte ondertekend, die de man pas voor het eerst heeft gezien bij de door haar ingediende conclusie van antwoord. Zij heeft de man al die tijd niet schriftelijk laten weten dat zij de wens en mogelijkheid heeft om de woning over te nemen. Dat heeft zij pas begin oktober 2025 gedaan. Haar termijn voor overname van de woning was toen al lang verstreken. Ook was de offerte van 18 juni 2025 toen al lang vervallen. De man stelt zich op het standpunt dat hij, conform de echtscheidingsbeschikking, vanaf begin oktober 2025 een maand de tijd had om aan te tonen dat hij in staat is de woning over te nemen. Hij vernam toen dat de vrouw al lang een nieuwe woning had, waaruit de man heeft afgeleid dat de vrouw de woning niet wenste over te nemen. Dit, terwijl de man dakloos is en sinds 18 augustus 2023 in de daklozenopvang verblijft. De man acht het alleen daarom al redelijk en billijk dat hij de echtelijke woning krijgt toebedeeld. Op 13 oktober 2025 heeft hij de vrouw bericht de woning over te willen nemen, onder toezending van het omzettingsvoorstel van de hypotheek (een verzoek om de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid). De man heeft hierdoor dus tijdig (binnen één maand na het bericht van de vrouw) aan haar laten weten dat hij de woning toebedeeld wenst te krijgen. De vrouw heeft dit omzettingsvoorstel op 15 oktober 2025 ondertekend. Kort daarna heeft de vrouw haar medewerking aan het omzettingsvoorstel ingetrokken, omdat ze kennelijk in de veronderstelling was dat dit een omzettingsvoorstel was op grond waarvan zij de woning kon overnemen. Dit is voor de man onbegrijpelijk, nu uit het omzettingsvoorstel duidelijk blijkt dat de man de woning zou overnemen. De hypotheekadviseur doet nu verder niets meer, totdat in rechte vast staat wie het alleen recht op de woning heeft. De man heeft er recht en belang bij dat hij zo snel als mogelijk alleen eigenaar van de woning wordt, omdat hij al bijna tweeënhalf jaar zwervend is. 4.6. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man. Doordat de man het niet eens was met de uitgangspunten en taxatie van de makelaar en aangaf dat de woning moest worden verkocht, is er bij de vrouw veel verwarring ontstaan. Dat heeft ertoe geleid dat zij een huurovereenkomst is aangegaan voor een woning in [plaats] , zodat zij met de kinderen in ieder geval niet op straat zou komen te staan. Ook heeft de vrouw daarom pas in juni 2025 contact opgenomen met haar hypotheekadviseur. De vrouw erkent dat zij de termijnen zoals opgenomen in de beschikking heeft laten verlopen. De man heeft op zijn beurt zijn termijn echter ook laten verlopen. Hij had tot uiterlijk twee maanden na de datum van het taxatierapport, aldus tot 11 mei 2025, de tijd om aan te geven of hij in staat was de toedeling van de woning aan hem te financieren. Dat heeft hij niet gedaan. De vrouw heeft in oktober 2025 pas een omzettingsverklaring van de man ontvangen, aldus buiten de voor de man geldende termijn. De vrouw was in de veronderstelling dat dit een omzettingsverklaring was om de woning aan haar toe te delen, zodat zij deze omzettingsverklaring heeft ondertekend. Toen bleek dat het een omzettingsverklaring betrof op grond waarvan de man de woning toebedeeld zou krijgen, heeft zij haar toestemming onmiddellijk ingetrokken. Volgens de echtscheidingsbeschikking dient de woning dan ook te worden verkocht. Uit de over en weer gedane vorderingen blijkt echter dat partijen verkoop van de woning niet wenselijk vinden. De door de rechtbank eerder gelaste wijze van verdeling dient opnieuw uitgangspunt te zijn bij het bepalen van de verdere afwikkeling. Die beschikking heeft namelijk bindende kracht tussen partijen, zodat in een nieuwe rechterlijke beslissing niet van die wijze van verdeling kan worden afgeweken. Dat de gestelde termijn zijn verlopen, doet aan het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing geen afbreuk. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat partijen gehouden zijn alsnog uitvoering te geven aan de reeds vastgestelde wijze van verdeling. De vrouw dient dan ook opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld om de woning aan zich te laten toedelen tegen de vastgestelde waarde en daartoe heeft zij reconventionele vorderingen ingediend. De vrouw brengt nog naar voren dat de voorzieningenrechter de beslissing in beginsel moet afstemmen op de beschikking in de bodemzaak. 4.7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Bij echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024, welke is verbeterd bij beschikking van 3 april 2025, is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder de woning, gelast. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Uit die beslissing blijkt dat partijen het erover eens waren dat de vrouw als eerste de mogelijkheid diende te krijgen om te onderzoeken of zij de overname van de woning kan financieren en daarna de man en dat zij het aan de rechtbank overlieten om een zogenaamd spoorboekje op te stellen. Uit die beschikking volgt dat de vrouw hiervoor één maand de tijd kreeg, te rekenen vanaf de datum van het taxatierapport. Dit betekent dat de termijn voor de vrouw liep tot 11 april 2025. Verder staat in de echtscheidingsbeschikking dat de man vervolgens binnen één maand na het bericht van de vrouw (dat zij de woning niet kan overnemen, dan wel binnen twee maanden na de datum van het taxatierapport) dient aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren. De voorzieningenrechter acht anders dan de man voorshands voldoende aannemelijk dat de woorden ‘dan wel’ zo moeten worden begrepen dat de man een termijn had tot uiterlijk twee maanden na de datum van het taxatierapport. Zijn termijn liep dus tot 11 mei 2025. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voor de man duidelijk moest zijn dat zijn termijn van één maand (om aan te tonen of hij de overname van de woning kan financieren) begon te lopen vanaf het moment dat de termijn van de vrouw was verstreken, aldus op 11 april 2025. Het doel van een spoorboekje is namelijk om te komen tot verdeling van de woning. De ratio daarvan is het stellen van duidelijke termijnen, zodat de voortgang van de verdeling wordt gewaarborgd. Daarmee verhoudt de uitleg van de man (dat zijn termijn pas in oktober 2025 begon te lopen) zich niet. Dat leidt ertoe dat de man zijn termijn om aan te tonen dat hij de toedeling van de woning aan hem kan financieren ook ver heeft laten verstrijken. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van de man worden afgewezen. Vorderingen in reconventie Spoedeisend belang 4.8. Volgens de vrouw heeft zij een spoedeisend belang bij haar reconventionele vorderingen, omdat partijen zijn verdeeld over de toedeling van de woning. Beiden zijn gebaat bij een beslissing, temeer omdat er minderjarige kinderen betrokken zijn. 4.9. De man betwist dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar reconventionele vorderingen. De vrouw heeft het spoedeisend belang niet (summierlijk) aangetoond of aannemelijk gemaakt.
Volledig
De vrouw heeft twee woningen in haar bezit, zodat zij geen spoedeisend belang heeft om de woning in eigendom te verkrijgen. 4.10. De voorzieningenrechter overweegt onder verwijzing naar r.o. 4.4. hiervoor dat het spoedeisend belang voldoende volgt uit de aard van het gevorderde. Inhoudelijke beoordeling 4.11. Ter onderbouwing van haar reconventionele vorderingen stelt de vrouw dat beide partijen de termijnen uit de echtscheidingsbeschikking hebben laten verlopen. De verdeling is daarom niet tot stand gekomen, zodat de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling opnieuw uitgangspunt moet zijn bij het bepalen van de verdere afwikkeling. Er is immers reeds beslist op de wijze van verdeling, welke beslissing bindende kracht heeft, zodat daarvan niet kan worden afgeweken. De eerder vastgestelde wijze van verdeling dient dus opnieuw het uitgangspunt te zijn. De vrouw dient opnieuw in de gelegenheid te worden gesteld om de woning aan haar te laten toedelen. Gezien de handelswijze van de man heeft de vrouw er geen vertrouwen in dat hij alsnog zijn medewerking gaat verlenen aan de wijze van verdeling zoals deze door de rechtbank is gelast. Daarom heeft zij recht en belang bij haar reconventionele vorderingen. 4.12. De man voert verweer tegen de reconventionele vorderingen van de vrouw. De man volgt de vrouw in haar stelling dat het spoorboekje zoals in de echtscheidingsbeschikking is vastgelegd, moet worden gevolgd. De man is echter van mening dat de vrouw haar recht om de woning over te nemen heeft verspild, nu zij voor 11 april 2025 had moeten aantonen dat ze de woning over kon nemen. De vrouw heeft dit pas op 13 oktober 2025 bij e-mail aan de man laten weten. Ook heeft zij de man niet op de hoogte gesteld van de (reeds vervallen) hypotheekrenteofferte van 18 juni 2025. De vrouw heeft de man niet eerder kenbaar gemaakt de woning over te willen nemen. De man heeft de vrouw alle tijd gegeven om te onderzoeken of ze de woning kan overnemen, maar zij heeft haar kansen verspild. 4.13. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Bij echtscheidingsbeschikking van 1 november 2024 (verbeterd bij beschikking van 3 april 2025) is de wijze van verdeling gelast. Ten aanzien van de woning heeft de rechtbank een spoorboekje opgenomen. Zoals gezegd, is tegen deze beslissing geen hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter overweegt daarom dat op grond van het bepaalde in artikel 236 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan beschikking, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Dat betekent dat de beslissingen die in het kader van de rechtsstrijd tussen partijen in de in kracht van gewijsde gegane beslissing zijn genomen, ook in een nieuw geschil tussen partijen tot uitgangspunt moeten worden genomen. De eerdere beslissing over de verdeling van de woning moet dus als uitgangspunt gelden. Beide partijen hebben zich echter niet gehouden aan de daarin gestelde termijn voor overname van de woning. Dat betekent volgens het spoorboekje van de echtscheidingsbeschikking dat de echtelijke woning moet worden verkocht. De vrouw, evenmin als overigens de man, heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom zij zich niet aan de gestelde termijn heeft gehouden en van een dergelijke reden is ook niet gebleken. De vrouw heeft voorts geen grondslag gesteld, noch is van een grondslag gebleken op basis waarvan de voorzieningenrechter in deze procedure een andere beslissing zou kunnen nemen. Dat betekent dat de vorderingen van de vrouw ook worden afgewezen. 4.14. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat de woning conform het spoorboekje uit de echtscheidingsbeschikking te koop moet worden aangeboden. Het staat partijen vrij om in dat verband een bod op de woning te doen, om te kijken of hij of zij de woning op die manier alsnog alleen in eigendom kan verkrijgen. Proceskosten 4.15. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst het gevorderde in conventie en in reconventie af; 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.