Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:2025
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/6291 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen Stichting [belanghebbende] , gevestigd in [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 juli 2024. In die uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane overdrachtsbelasting ongegrond verklaard. 1.1. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV) in combinatie met artikel 5d, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Wet BRV van toepassing is op de overdracht van het woningcomplex [adres] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing op de overdracht van het woningcomplex [adres] . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende is een woningcorporatie die zich richt op de reguliere sociale huisvesting in de regio [regio 1] en [regio 2] . 4.1. [Stichting] is een woningcorporatie die zich landelijk bezighoudt met de huisvesting van senioren en mensen met een zorgvraag. [Stichting] wil voldoende betaalbare woonzorgwoningen realiseren in complexen die aansluiten bij haar doelgroep. 4.2. Belanghebbende en [Stichting] zijn beide aangemerkt als toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Beide instellingen zijn ook aangemerkt als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). 4.3. Bij brief van 25 maart 2021 heeft [Stichting] aan de collega-corporaties laten weten een aantal complexen te willen verkopen omdat deze niet voldoende aansluiten bij de wensen en behoeften van haar doelgroep. 4.4. Belanghebbende en [Stichting] hebben op 13 september 2023 een overeenkomst van taakoverdracht gesloten ten aanzien van het zelfstandig gedeelte van de volkshuisvestelijke taak van [Stichting] dat uitgevoerd wordt middel van het complex [adres] . 4.5. [Stichting] heeft op 29 september 2023 48 woningen en verder toebehoren gelegen aan de [adres] (het complex [adres] ) overgedragen aan belanghebbende. Tegelijkertijd is een lening overgedragen middels contractoverneming gevolgd door objectieve novatie. De woningen in het complex [adres] worden verhuurd als sociale huurwoningen. 4.6. Tussen de gemeente Tilburg en [Stichting] zijn geen prestatieafspraken gemaakt. Na de overdracht van het complex [adres] is het complex direct onder de gemeentelijke prestatieafspraken die belanghebbende met de gemeente Tilburg heeft gemaakt komen te vallen. Motivering 5. In geschil is of voor de verkrijging van het complex [adres] overdrachtsbelasting verschuldigd is. Partijen zijn het erover eens dat de overdracht plaats heeft gevonden tussen ANBI’s, dat er voldoende passiva zijn overgedragen en dat commerciële factoren geen rol spelen. Partijen zijn het er tevens over eens dat geen sprake is van een overdracht van een gehele taak. In geschil is uitsluitend de vraag of sprake is van een overdracht van een zelfstandig onderdeel van een taak. Daarbij is dan in geschil of alle activa die betrekking hebben op de overgedragen taak zijn overgedragen, nu het contract met [vastgoedbeheerder] (het beheercontract) niet is overgegaan. 5.1. Belanghebbende voert aan dat met de overdracht van het complex [adres] ook een zelfstandig onderdeel van de volkshuisvestelijke taak van [Stichting] is overgedragen aan belanghebbende. De woningen zijn rechtstreeks functioneel en feitelijk dienstbaar aan het kunnen vervullen van de volkshuisvestelijke taak. Indien en voor zover de taakoverdracht plaats dient te vinden vanuit het perspectief van de geografische ligging, is aldus belanghebbende sprake van de overdracht van een zelfstandig deel van de volkshuisvestelijke taak. De geografische ligging strekt zich uit tot een deel van het land, de provincie, gemeente of wijk. Als wordt gekeken vanuit het perspectief van de doelgroep, dan kwalificeert de gefaseerde overdracht van alle complexen die niet geschikt zijn (te maken) voor ouderen met een zorgvraag aan verschillende woningcorporaties als een overdracht van een (zelfstandig deel van) de volkshuisvestelijke taak van [Stichting] . 5.2. De inspecteur stelt dat niet voldaan wordt aan alle voorwaarden van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onder h, van de Wet BRV. Zo is er geen sprake van een zelfstandig onderdeel van een taak omdat slechts een woningcomplex behorend tot een taakonderdeel is overgedragen. Ook vanuit geografisch perspectief wordt niet aan de voorwaarde voldaan omdat [Stichting] haar volkshuisvestelijke taken blijft uitoefenen in [plaats] . Daarnaast stelt de inspecteur dat niet alle activa zijn overgedragen omdat het contract met [vastgoedbeheerder] niet is overgegaan. 5.3. Op grond van artikel 2 van de Wet BRV is overdrachtsbelasting verschuldigd over de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Bij een taakoverdracht kan sprake zijn van vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet BRV. Dat artikellid luidt als volgt: “1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: […] h. bij fusie, splitsing, interne reorganisatie en taakoverdracht tussen verenigingen als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of algemeen nut beogende instellingen;” 5.4. De voorwaarden voor toepassing van de in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet BRV zijn uitgewerkt in artikel 5d van het Uitvoeringsbesluit Wet BRV. Voor zover van belang luidt dat artikel als volgt: “1. De in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de wet bedoelde vrijstelling is op een verkrijging door een vereniging als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een algemeen nut beogende instelling van toepassing: a. […] b. bij een taakoverdracht tussen twee of meer van deze verenigingen of instellingen, indien in het kader daarvan alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak aan de verkrijgende vereniging of instelling worden overgedragen, mits bij de overdracht commerciële factoren geen rol spelen. 2. De vrijstelling is niet van toepassing op de verkrijging indien de overdracht uitsluitend de exploitatie van onroerende zaken inhoudt of de afzonderlijke overdracht van onroerende zaken betreft of als de onroerende zaken niet worden aangewend voor de overgedragen taak.” 5.5. De beoordeling of sprake is van een taakoverdracht moet naar het oordeel van de rechtbank beoordeeld worden vanuit de overdrager. De tekst van artikel 15 van de Wet BRV spreekt immers over de overdracht van een taak, en niet over de verkrijging van een taak. 5.6. Naar het oordeel van de rechtbank is de overdracht van het complex [adres] een overdracht van een zelfstandig onderdeel van de taak van [Stichting] . Er is niet enkel sprake van een overdracht van een losse onroerende zaak. De rechtbank acht in dat verband relevant dat [Stichting] zich in het algemeenheid ten doel heeft gesteld om de reguliere sociale huisvesting af te stoten. Daar komt bij dat bij de overdracht relevant is geweest dat de ondersteuning die [Stichting] aan de huurders van de sociale huurwoningen aanbood, zou worden voortgezet. Belanghebbende doet als woningcorporatie meer dan alleen de verhuur van een woning.