Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2026:202
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/5237 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats 1] , eiseres, (gemachtigde: mr. W.H. Lindhout), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 februari 2025 tegen de weigering van haar aanvraag om een omgevingsvergunning voor het realiseren van twee bedrijfsverzamelgebouwen op de locatie [straat] naast [huisnummer] , [plaats 2] van 6 februari 2025. 1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 2.1. De rechtbank heeft het college op 20 oktober 2025 en 17 november 2025 verzocht om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te dienen. Tot op heden heeft het college hieraan geen gehoor gegeven. Dit betekent dat de rechtbank op basis van de bij haar bekende stukken, ingediend door eiseres, uitspraak zal doen. Is het beroep ontvankelijk? 3. Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 februari 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Het college heeft de beslistermijn verlengd met zes weken. De rechtbank is het met eiseres eens dat de ontvangstbevestiging (van het bezwaarschrift) van 10 maart 2025 waarin de beslistermijn wordt verlengd, niet op de juiste manier ondertekend is. De rechtbank stelt echter ook vast dat uit de mandatenlijst, die bij het Algemeen mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit 2022 is gevoegd, blijkt dat de bevoegdheid om te beslissen tot verdaging van de termijn tot beslissing op het bezwaarschrift doorgemandateerd kan worden aan de medewerker bezwaar en beroep, die in dit geval de ontvangstbevestiging van 10 maart 2025 heeft ondertekend. Er is dus geen sprake van een bevoegdheidsgebrek, maar van een ondertekeningsgebrek. Dit ondertekeningsgebrek is een formeel gebrek waardoor geen belangen van derden zijn geschaad. Eiseres had namelijk alsnog een geldige ingebrekestelling in kunnen dienen. Dit gebrek kan daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. In dit geval eindigde de beslistermijn dan ook op 24 juli 2025. Eiseres heeft het college op 14 juli 2025 in gebreke gesteld en het college heeft de ingebrekestelling op 17 juli 2025. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. 3.1. Eiseres stelt dat, voor zover de ingebrekestelling van 14 juli 2025 te vroeg zou zijn, de e-mailberichten van 4 september 2025 om 15.50 uur en 11 september 2025 om 17.04 uur (de rechtbank leest in plaats hiervan: de e-mail van 8 september 2025 om 10.41 uur aangezien de e-mail van 11 september 2025 om 17.04 afkomstig is van het college) hebben te gelden als rechtsgeldige ingebrekestellingen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Uit de Awb en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, de hoger beroepsinstantie in geschillen als het onderhavige) volgt dat van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid