Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:2012
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,378 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2012 text/xml public 2026-03-27T13:48:41 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17 C/02/444544 / JE RK 26-178 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2012 text/html public 2026-03-25T12:19:55 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2012 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-02-2026 / C/02/444544 / JE RK 26-178 Voorlopige ondertoezichtstelling - forse zorgen over opvoedingsvaardigheden van de ouders, huiselijk geweld en alcoholproblematiek. Afwijzing verzoek verlening machtiging tot uithuisplaatsing, ondanks dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444544 / JE RK 26-178 Datum uitspraak: 17 februari 2026 beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, betreffende [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats 1] , België, hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.P.R. Peeters te Rijsbergen. De kinderrechter merkt als informant aan: WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). 1 Het procesverloop 1.1. Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoek van de Raad met bijlage, ingekomen op 29 januari 2026; - het stelbericht van mr. Peeters van 30 januari 2026; - het bericht van de Raad van 2 februari 2026, betreffende de inhoudelijke onderbouwing van het verzoek en het bijzonderhedenformulier; - de brief van de Raad van 5 februari 2026; - het bericht van mr. Teusink van 13 februari 2026, betreffende het verzoek voor aanwezigheid ter zitting van een begeleidster van de moeder. 1.2. Op 17 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad, - een vertegenwoordigster van de GI (telefonisch). 1.3. Op verzoek van de moeder heeft haar persoonlijk begeleidster van SDW met bijzondere toestemming van de kinderrechter de zitting bijgewoond. 2 De feiten 2.1. Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen) wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2. De minderjarigen wonen bij de ouders. Feitelijk wonen zij op dit moment bij de moeder alleen, nu de vader sinds december 2025 elders verblijft. 3 Het verzoek 3.1. De Raad heeft de voorlopige ondertoezichtstelling verzocht van de minderjarigen voor de duur van drie maanden. 3.2. Tevens heeft de Raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een gezinshuis voor de duur van drie maanden. 3.3. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de Raad 4.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Voor beide minderjarigen geldt dat sprake is van kindeigenproblematiek. Zij hebben te maken met een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij [minderjarige 2] is ook sprake van een spraak- en taalachterstand. Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat zij een medische zorgbehoefte heeft. Zij is te vroeg geboren en krijgt sondevoeding. Dit vraagt specifieke zorg- en begeleiding. Daarnaast is er bij haar sprake van een forse ontwikkelingsachterstand, heeft zij continue één-op-één begeleiding nodig en speelt er mogelijk ook hechtingsproblematiek. 4.2. Het gezin is bij Veilig Thuis bekend met meldingen over huiselijk geweld, waarbij spullen kapot gaan en er fysieke agressie plaatsvindt tussen de ouders. De minderjarigen zijn hiervan getuige. Er zijn daarnaast zorgen over alcoholmisbruik van de vader en de opvoedingsvaardigheden van beide ouders. Eerder is gebleken dat er zorgen zijn over de verzorging van de minderjarigen door de ouders. Zij zijn nalatig geweest in het toedienen van sondevoeding bij [minderjarige 1] . Inmiddels wordt dit verzorgd door [thuiszorg] . Hulpverlening maakt zich zorgen over de leerbaarheid van de ouders. Er lijkt bij hen geen sprake van onwil, maar van onmacht. Inmiddels verblijft de vader sinds december 2025 niet meer in de woning. Wel bezoekt hij de minderjarigen thuis. De moeder, bij wie sprake is van een licht verstandelijke beperking, draagt de zorg voor de minderjarigen en wordt daarbij intensief ondersteund door verschillende hulpverleningsinstanties zoals SDW, Amarant, de Centrale Zorg Groep (hierna: CZG) en [thuiszorg] . Ambulante hulpverlening is hiermee uitgeput. 4.3. Beide ouders hebben volgens de Raad bij de hulpverlening te kennen gegeven dat de zorg voor de minderjarigen hen teveel is. Zij stemmen dan ook in met de verzoeken en zijn akkoord met een uithuisplaatsing van de minderjarigen in de regio. Echter, er is geen plaats voor de minderjarigen in de regio beschikbaar. Daarin speelt mee dat het de bedoeling is om de minderjarigen gezamenlijk in een gezinshuis te plaatsen. Zij hebben specifieke en intensieve zorg nodig. Op papier zijn hiervoor in Nederland slechts zeven gezinshuizen beschikbaar. Het is zeer moeilijk gebleken om een geschikt gezinshuis voor de minderjarigen te vinden. Er is op dit moment slechts één passend gezinshuis beschikbaar in [woonplaats 2] . De ouders vinden dit te ver weg en zijn hiermee niet akkoord. De plek in [woonplaats 2] is nog tijdelijk, en in afwachting van deze zitting, beschikbaar. Op korte termijn zal er in de regio niets anders passend beschikbaar komen, wat maakt dat er geen andere alternatieven zijn. 5 Het standpunt van belanghebbenden en informant 5.1. Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangevoerd. Met het vertrek van de vader uit de woning doet zich een nieuwe situatie voor die niet in het raadsonderzoek en verzoek is meegenomen. De moeder heeft in hele korte tijd grote stappen gezet sinds de vader elders woont. Zijn alcoholprobleem en het samenwonen van de ouders waren triggers. Echter, dat is nu anders. Daarnaast zijn er zorgen over huiselijk geweld, maar ook dit is nu verleden tijd. De moeder is voornemens om een echtscheidingsprocedure te starten en hoopt met de vader gezamenlijk tot oplossingen te komen. Het is niet meer de bedoeling dat zij weer gaan samenwonen. Hoewel de moeder de zorgen over de minderjarigen erkent, vindt zij het belangrijk dat er aandacht is voor de nieuwe situatie, zoals hiervoor aangegeven. De moeder accepteert hulpverlening en het lukt haar zelfstandig om de sondevoeding van [minderjarige 1] te verzorgen. In de thuissituatie bij de moeder is verder SDW en de CZG betrokken. Zij bieden intensieve hulpverlening en zien dat de moeder in de afgelopen weken een positieve groei heeft laten zien. CZG meldt verder dat een plaatsing van de minderjarigen in [woonplaats 2] niet in hun belang wordt geacht. Een belangrijke afweging is dat een uitplaatsing van de minderjarigen in [woonplaats 2] een traumatisch effect op hen zal hebben. Zij worden uit hun vertrouwde thuis- en schoolsetting weggenomen en komen in een totaal andere regio terecht. De moeder was in eerste instantie akkoord met een uithuisplaatsing van de minderjarigen, echter alleen in de eigen regio. De nieuwe thuissituatie, die nog niet is onderzocht, heeft er toe geleid dat de moeder haar standpunt heeft gewijzigd. Zij wil nu sowieso geen uithuisplaatsing meer, dus ook niet in de eigen regio. In de visie van de moeder kan in de thuissituatie nog meer hulpverlening worden ingezet om haar (pedagogische) draagkracht te vergroten.
Volledig
In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling, waar de moeder akkoord mee is, kan onderzocht worden in hoeverre een uithuisplaatsing nog nodig is. Totdat hierover meer duidelijk is, dienen de minderjarigen bij de moeder te blijven wonen. Daarbij, wanneer een uithuisplaatsing alsnog nodig blijkt, kan de Raad inzichtelijk maken wat daadwerkelijk is geprobeerd bij het zoeken van een plek voor de minderjarigen in de regio. De Raad zegt en schrijft dat er binnen de regio geen plek is voor hen, maar onderbouwt dit verder niet. De moeder concludeert dat daarom het verzoek betreffende de voorlopige ondertoezichtstelling kan worden toegewezen, en dat het verzoek dat betrekking heeft op de machtiging tot uithuisplaatsing voor afwijzing in aanmerking komt. 5.2. Door en namens de vader is, samengevat, aangevoerd dat hij zich aansluit bij het standpunt van de moeder; de vader is akkoord met een voorlopige ondertoezichtstelling, niet met een machtiging tot uithuisplaatsing. Wanneer de minderjarigen in [woonplaats 2] zouden worden geplaatst heeft dit grote gevolgen voor het contact met hun beide ouders. Van de ouders wordt bovendien verlangd dat zij heen en terug ongeveer 500 kilometer moeten reizen om de minderjarigen te zien. Dit is zowel qua reistijd als financieel ondoenlijk. Zij zijn niet in het bezit van een auto. Beide ouders krijgen per week slechts leefgeld. De Raad voert aan dat er geen plek beschikbaar is in de regio, maar dit wordt niet onderbouwd. Bovendien kan dit op korte termijn weer anders zijn. De vader beaamt dat hij momenteel elders, te weten op een camping, verblijft. Hij is voornemens om te gaan werken aan zijn alcoholprobleem. Daarover heeft hij al contact gehad met Novadic Kentron. Hij ziet dat sinds zijn vertrek de situatie is veranderd en er een positieve sfeer in huis is. De ouders hebben samen afspraken gemaakt over wanneer de vader de minderjarigen thuis bezoekt. Tijdens die bezoeken gebruikt hij geen alcohol. Dit gaat goed. De vader is dankbaar voor de hulpverlening die het gezin wordt geboden. Een samenwoning van de ouders behoort inderdaad niet meer tot de mogelijkheden. 5.3. De GI brengt, samengevat, naar voren dat zij zich achter het verzoek van de Raad schaart. Beide maatregelen zijn noodzakelijk. De zorgen zijn fors. De minderjarigen hebben intensieve hulpverlening nodig, waaronder medische zorg. Ook de ervaring van de GI is dat de passende plekken niet voor het oprapen liggen, zeker niet als het gaat om een plaatsing van twee minderjarigen én er een intensieve en medische hulpverlening nodig is. Hoewel de GI de standpunten van de ouders over de plaatsing in [woonplaats 2] begrijpt, moet ook in gedachte worden gehouden dat het bij een uithuisplaatsing altijd zo is dat minderjarigen uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald. 6 De beoordeling Voorlopige ondertoezichtstelling 6.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 6.2. Op grond van artikel 1:257 BW kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. 6.3. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting blijkt dat er forse zorgen bestaan over de minderjarigen. Zij hebben ieder hun kind eigenproblematiek en kennen zij beiden een ontwikkelingsachterstand. [minderjarige 1] heeft daarnaast specifieke (medische) zorg- en begeleiding nodig vanwege de sondevoeding die zij met regelmaat toegediend moet krijgen. Hiervan is bekend dat de ouders die niet altijd en tijdig aan [minderjarige 1] toedienen. Naast voormelde zorgen zijn de minderjarigen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarover sinds april 2023 meldingen bij Veilig Thuis bekend zijn, en kent de vader een alcoholprobleem. De ouders onderschrijven de voormelde zorgen. 6.4. Met de Raad en de GI maakt de kinderrechter zich zorgen over de opvoedvaardigheden en leerbaarheid van de ouders. Zij hebben beiden te kampen met eigen persoonlijke problematiek en geven aan dat de zorg voor de minderjarigen hun teveel is. Meermalen is gebleken dat, hoewel in het gezin intensieve hulpverlening betrokken is vanuit meerdere organisaties, er bij de ouders geen sprake is van ‘goed genoeg ouderschap’, onder meer omdat er zorgen bestaan over een adequate verzorging van de minderjarigen en het nalatig zijn in het toedienen van sondevoeding bij [minderjarige 1] . 6.5. Gelet op voormelde omstandigheden kan de kinderrechter niet anders dan concluderen dat aan de gronden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Uit wat beide ouders hebben verklaard wordt afgeleid dat zij die conclusie onderschrijven. De kinderrechter acht betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk om de nodig geachte hulpverlening, die niet of onvoldoende in het vrijwillig kader kan worden gerealiseerd, te waarborgen, de progressie van de moeder en het traject van de vader bij Novadic Kentron te monitoren én in kaart te brengen in hoeverre er sprake is van een veilige opvoedsituatie in het licht van de nieuwe situatie bezien, waarbij de vader de woning heeft verlaten en de moeder binnenkort een echtscheidingsprocedure zal starten. 6.6. Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van beide minderjarigen dient dan ook te worden toegewezen. Voor zover de Raad verzoekt om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren geldt zal dit worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing over een voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van die maatregel is dan ook niet nodig. Machtiging tot uithuisplaatsing 6.7. Op basis van het bepaalde in artikel 1:265b lid 1 en lid 2 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de Raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.8. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting blijkt dat de ouders in eerste instantie instemden met een uithuisplaatsing van de minderjarigen, al dan niet in de regio. Nadat bleek dat er in de regio geen passende plek voor de minderjarigen kon worden gevonden en er alleen een plek beschikbaar was in [woonplaats 2] zijn de ouders van standpunt gewijzigd. Een uithuisplaatsing in [woonplaats 2] zal onder meer vanwege de afstand en de beperkte, financiële, middelen van de ouders zorgen voor een forse vermindering van het (fysieke) contact tussen de ouders en de minderjarigen. Daarbij komt dat beide ouders stellen dat er sprake is van een positieve verandering, nu de vader sinds december 2025 elders verblijft en hij zijn alcoholgebruik heeft verminderd. Namens de ouders is aangevoerd dat die nieuwe situatie niet of onvoldoende is onderzocht; nu het beter gaat en de samenwoning van de ouders is beëindigd verdient de moeder een kans om te laten zien dat zij de minderjarigen kan verzorgen en dat zij in staat is om de geuite zorgen te verminderen.
Volledig
Dit maakt een uithuisplaatsing van de minderjarigen volgens hen overbodig. 6.9. Hoewel de kinderrechter zijn ogen niet kan sluiten voor de forse zorgen die er zijn, geldt dat een uithuisplaatsing moet dienen als een ultimum remedium. Namens beide ouders wordt gevraagd hen een laatste kans te geven om te laten zien dat zij het tij kunnen keren en zij de minderjarigen de veiligheid en verzorging kunnen bieden die zij nodig hebben. 6.10. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat op zich wel wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis, waarbij hij ervan uitgaat dat hiermee een gezinsgerichte voorziening wordt bedoeld. De kinderrechter zal ondanks dit oordeel de ouders de verzochte kans bieden en volgt daarin het namens de moeder gestelde dat hulpverlening die intensief bij het gezin is betrokken, te weten de CZG, adviseert om de huidige situatie voorlopig te continueren. CZG ziet een positieve ontwikkeling in het functioneren van de moeder en de algehele stabiliteit binnen het gezin mede door de afwezigheid van de vader. Met de ouders is de kinderrechter het eens dat deze nieuwe situatie vraagt om een nader onderzoek naar de mogelijkheden van de moeder om de minderjarigen thuis, al dan niet met bijstand van extra hulpverlening, op te voeden. De moeder lijkt gemotiveerd om met de hulpverlening aan de slag te gaan en is zij voornemens om een echtscheidingsprocedure te starten. Beide ouders geven in dit kader aan gemotiveerd te zijn om daarover samen nadere afspraken te maken. Aan de zijde van de vader geldt bovendien dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft ten aanzien van zijn alcoholgebruik. Hij zegt toe een behandeling bij Novadic Kentron te zullen volgen. Daarbij komt ook dat CZG, die de huidige opvoedsituatie het beste kent, een plaatsing van de minderjarigen in [woonplaats 2] op dit moment niet in hun belang acht. CZG vindt een uithuisplaatsing wel nodig, maar wel in de regio. In de tussentijd ziet CZG mogelijkheden om te werken aan het versterken van de pedagogische draagkracht van de moeder. 6.11. De kinderrechter volgt de ouders in hun standpunt dat door de nieuwe situatie en de positieve ontwikkelingen een uithuisplaatsing, al dan niet in [woonplaats 2] , op dit moment te verstrekkend is. Binnen de voorlopige ondertoezichtstelling dient te worden onderzocht in hoeverre de huidige positieve lijn, die als erg pril wordt beoordeeld, standhoudt en of de (pedagogische) draagkracht, en leerbaarheid, van vooral de moeder daadwerkelijk kan worden versterkt en dit een uithuisplaatsing onnodig maakt. De Raad kan in de komende periode daar een onderzoek naar doen. Met de ouders is de kinderrechter dan ook van oordeel dat wanneer een uithuisplaatsing toch nodig blijkt, dit verzoek kan worden gedaan tezamen met het te verwachten verzoek tot de reguliere ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Bij dat verzoek zal dan moeten blijken of de dan geldende actuele situatie een uithuisplaatsing rechtvaardigt. Het is aan de Raad om daarbij ook inzichtelijk te maken wat in het werk is gesteld om een plek voor de minderjarigen te vinden binnen de eigen regio van de moeder, althans op een kortere afstand dan [woonplaats 2] . Aan de Raad wordt ook meegegeven dat bij een eventueel nieuw verzoek ook inzicht wordt gegeven in wat de vader heeft gedaan om zijn alcoholgebruik onder controle te krijgen en de groei van (pedagogische) draagkracht van de moeder. 6.12. Het voormelde leidt ertoe dat naar het oordeel van de kinderrechter, ondanks dat voldaan wordt aan de gronden zoals genoemd in artikel 1:265b BW, het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen zal worden afgewezen. 6.13. De kinderrechter merkt hierbij tot slot nog op dat hij zich realiseert dat met een afwijzing van het verzoek de plek in [woonplaats 2] voor de minderjarigen niet beschikbaar zal blijven. Het risico bestaat daarmee dat de minderjarigen, indien een uithuisplaatsing later toch nodig blijkt, hierdoor mogelijk niet samen worden geplaatst. De ouders zijn tijdens de zitting op deze omstandigheden gewezen. 6.14. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, met ingang van 17 februari 2026 tot 17 mei 2026; 7.2. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026. Mededeling van de griffier : Tegen de eindbeslissing in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: - degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.