Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:2007
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,646 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:2007 text/xml public 2026-03-24T09:24:36 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-17 C/02/413445 / FA RK 23-4100 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:2007 text/html public 2026-03-23T15:45:30 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:2007 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-02-2026 / C/02/413445 / FA RK 23-4100 afwijzing wijzing van gezag. vaststelling zorgregeling. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/413445 / FA RK 23-4100 datum uitspraak: 17 februari 2026 nadere beschikking over gezag en omgang in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof in Gilze, gemeente Gilze en Rijen, tegen [de man] hierna: de man, wonende in [plaats 1] , advocaat: voorheen mr. I. Wudka in Maastricht, over het minderjarig kind van partijen: - [minderjarige] , geboren te [plaats 1] op [datum] 2021, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - de in deze zaak gegeven beschikking van 4 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken; - een rapportage van Centrum Jeugd en Gezin (CJG) van de gemeente Raamsdonksveer van 28 april 2025; - de brief van de Raad van 11 juli 2025; - het rapport van de Raad van 10 december 2025; - de brief van mr. Van Kerkhof van 19 december 2025; - de brief van mr. Wudka van 22 december 2025. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking van 4 maart 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] , dit met ingang van 9 maart 2024. Verder heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost ten behoeve van de in die beschikking opgenomen resultaten. De rechtbank heeft daarbij de Raad verzocht, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van volgende vragen: - welke omgangsregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? - zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? - bestaat er, als de ouders samen het gezag behouden een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? en daarover te rapporteren en te adviseren. De rechtbank heeft ten slotte de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden en zich iedere verdere beslissing voorbehouden. 2.2 Thans is nog aan de orde het verzoek van de vrouw om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat: I. primair: de aantekening van het gezamenlijk ouderlijk gezag van 7 december 2021 door te halen; subsidiair: het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en voorts te bepalen dat de vrouw voortaan eenhoofdig belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; II. andere beslissingen te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] geraden acht. 2.3 Daarnaast is thans nog aan de orde het zelfstandig verzoek van de man om: - een contact/omgangsregeling vast te leggen waarbij de man [minderjarige] om het weekend van vrijdagavond 18:00 uur tot zondagavond 18:00 uur bij zich heeft. Het overdrachtspunt zou dan het [station] moeten worden, waar naar toe beide partijen zich alsdan dienen te begeven; - dan wel een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeend te moeten bepalen. 2.4 Blijkens de voormelde rapportage van het CJG zijn niet alle in de beschikking van 4 maart 2024 genoemde resultaten van het (jeugd)hulptraject behaald. Zo is het de man niet gelukt om de gemaakte (omgangs)afspraken altijd en op tijd na te komen. Dit zorgt voor spanningen tussen partijen en voor verdriet, teleurstelling en onrust bij [minderjarige] . 2.5 Omdat niet alle resultaten van het (jeugd)hulptraject zijn behaald, heeft de Raad een onderzoek gedaan ter beantwoording van de in de beschikking van 4 maart 2024 genoemde vragen. De Raad adviseert om de huidige voorlopige weekendregeling voort te zetten, in die zin dat [minderjarige] in de even weekenden naar de man gaat, waarbij de overdracht plaatsvindt op NS [station] (de rechtbank begrijpt: op zaterdag) om 11:00 uur en de man [minderjarige] (de rechtbank begrijpt: op zondag) om 18:00 uur bij de vrouw terugbrengt. Eventueel kunnen de tijden dat [minderjarige] terug moet zijn bij de vrouw met het ouder worden van [minderjarige] in onderling overleg worden aangepast. Daarnaast adviseert de Raad om te bepalen dat de man naar [minderjarige] belt in het weekend dat hij bij de vrouw verblijft en dat de vrouw naar [minderjarige] belt in het weekend dat hij bij de man verblijft. Verder adviseert de Raad om de zomervakantie en de meivakantie bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij [minderjarige] de eerste drie weken van de zomervakantie en de eerste week van de meivakantie bij de man verblijft. Ten aanzien van de kerstvakantie adviseert de Raad om te bepalen dat [minderjarige] in de week na kerst bij de man verblijft vanwege de drukte bij zijn werk voorafgaand aan de kerstdagen. De Raad adviseert voorts om in de herfstvakantie en de carnavalsvakantie het weekend dat [minderjarige] bij de man doorbrengt te verlengen met de vrijdag ervoor of de maandag erna. De Raad is niet gebleken van problemen op het gebied van het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. De Raad is zelfs van mening dat partijen dit al behoorlijk doen. Daarbij ziet de Raad alleen maar risico’s voor [minderjarige] als de man geen gezag meer over hem zou hebben. Hij zou dan minder betrokken worden door de hulpverlening terwijl uit het onderzoek duidelijk is geworden dat dit heel belangrijk is. Zo blijft de man op de hoogte en kan hij beter aansluiten bij de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarbij zijn er uit het onderzoek geen juridische argumenten naar voren gekomen die de wens van de vrouw om met het eenhoofdig gezag te worden belast kunnen onderbouwen, zoals bijvoorbeeld het klemcriterium. De Raad adviseert dan ook om niet over te gaan tot een wijziging van het gezag. 2.6 Namens de vrouw is bij brief van 19 december 2025 aangevoerd dat zij kan instemmen met de door de Raad geadviseerde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Wel wordt opgemerkt dat de Raad niet noemt op welke dagen [minderjarige] naar de man zal gaan en zal worden teruggebracht. Dit moet zaterdag respectievelijk zondag zijn. De vrouw is echter niet in staat om vanaf haar adres van verblijf te rijden naar [plaats 2] om [minderjarige] aan de man over te dragen. Dit heeft te maken met het feit dat zij voltijds ouder is van nog twee minderjarige kinderen, waarvoor zij in de weekenden tal van verplichtingen heeft, zoals met betrekking tot hun sport en hobby’s. Gelet daarop verzoekt de vrouw te bepalen dat het halen en brengen volledig door de man zal worden verzorgd. Ten aanzien van het ouderlijk gezag refereert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Wat de vrouw wel zorgen baart, zijn de aanhoudende aanspraken van de man dat hij wil en zal terugkeren naar Syrië. De zaak kan naar de mening van de vrouw schriftelijk worden afgedaan.
Volledig
2.7 Namens de man is bij brief van 22 december 2025 aangevoerd dat hij het ongerechtvaardigd vindt als de gehele haal- en brengverplichting bij hem komt te liggen. Het steeds helemaal op en neer reizen tussen [plaats 3] en [plaats 4] is onevenredig zwaar Ook de man heeft andere verplichtingen zoals het onderhouden van een omgang met zijn minderjarige kind uit een ander huwelijk. De man verzoekt dan ook om wat dit betreft het advies van de Raad te volgen. Voor de rest is de man het eens met de conclusies in het rapport van de Raad. De man wenst nog wel op te merken dat hij niet van plan is om terug te keren naar Syrië. Hij heeft in Nederland een nieuwe relatie en wil graag zijn zorgverplichting nakomen. Ook wat de man betreft mag de zaak buiten zitting worden afgedaan. Gezag 2.8 In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is. 2.9 De Raad heeft geadviseerd om niet tot wijziging van het gezag over te gaan. De Raad vindt dat partijen al op een behoorlijke manier het gezamenlijk gezag uitoefenen. Ook vindt de Raad het voor [minderjarige] beter als de man met het gezag over hem blijft belast. 2.10 De rechtbank stelt vast dat de vrouw, mede naar aanleiding van het advies van de Raad, zich ten aanzien van het gezag aan het oordeel van de rechtbank refereert. Uit de reactie van de vader leidt de rechtbank af dat hij zich aansluit bij het advies van de Raad. 2.11 De rechtbank sluit zich ook aan bij het onder 2.5 en 2.9 beschreven advies van de Raad. De rechtbank is overigens niet gebleken dat sprake is van een van de in de wet genoemde gronden om tot wijziging van het gezag over te gaan. Het uitgangspunt blijft dan ook het wettelijk stelsel, te weten dat beide ouders dienen te zijn belast met het gezag. De rechtbank zal het op het gezag betrekking hebbende verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 2.12 In artikel 1:253a BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijke gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. 2.12 De rechtbank stelt vast dat partijen kunnen instemmen met de door de Raad geadviseerde zorgregeling tussen de man en [minderjarige] , behoudens voor wat betreft het halen en brengen. De vrouw wil dat de man het halen en brengen voor zijn rekening neemt, terwijl de man wil dat ook de vrouw hiervan een deel op zich neemt, zoals door de Raad is geadviseerd. 2.13 De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de grote afstand tussen de woonadressen van partijen, van hen als ouders mag worden verwacht dat zij beiden een aandeel van het halen en brengen voor hun rekening nemen, zoals ook door de Raad is geadviseerd. De rechtbank heeft er begrip voor dat de vrouw ook de zorg heeft voor haar andere kinderen. Zij is echter, als hoofdopvoeder, ook verantwoordelijk voor [minderjarige] en zijn contacten met de man. Daarbij heeft ook de man nog de zorg voor zijn andere kind. Dit maakt dat de rechtbank de door de Raad geadviseerde zorgregeling zal vastleggen, waarbij beide partijen een deel van het halen en brengen op zich nemen, zoals in het dictum onder 3.1 zal worden beschreven. 2.14 Aan partijen wordt meegegeven dat zij in onderling overleg die zorgregeling kunnen aanpassen, bijvoorbeeld als [minderjarige] ouder wordt en er rekening moet worden gehouden met zijn sociale contacten in de weekenden, zoals sporten en afspraken met vrienden. 2.15 Het advies van de Raad heeft mede betrekking op de invulling van de vakantiedagen en belcontacten in de weekenden tussen beide partijen en [minderjarige] . De verzoeken van partijen heeft echter geen betrekking op dit deel van het advies. De rechtbank zal hierover dan ook geen oordeel en beslissing geven. Zij gaat er echter wel van uit, nu partijen ook met dit deel van het advies hebben ingestemd, dat zij op vrijwillige basis hieraan invulling zullen geven. 2.16 Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij haar eigen kosten moet dragen. 2.17 Ten slotte wordt nog het volgende overwogen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat mr. Wudka zijn werkzaamheden als advocaat heeft neergelegd. Om deze reden zal een afschrift van deze beschikking niet naar hem worden toegestuurd. Wel zal een afschrift hiervan worden verzonden naar het huisadres van de man. 3 De beslissing De rechtbank: 5.1 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar: - in de even weekenden van zaterdag om 11:00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt op NS [station] tot zondag 18:00, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw thuis terugbrengt; 5.2 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.3 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.