Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-05
ECLI:NL:RBZWB:2026:2
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1634 WMO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. K. Wevers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van een scootmobiel. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 (verzonden op 14 februari 2025) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Namens het college heeft mr. M.R. Wildeboer deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Relevante feiten en omstandigheden 3. Eiseres is een 62-jarige vrouw, bekend met een neurologische en psychische aandoening. Hierdoor is zij beperkt ten aanzien van mobiliteit en lichaamsvaardigheden. Zo kan zij slechts een beperkte loopafstand met de rollator afleggen en is zij aangewezen op een chauffeur om haar te vervoeren. In dat kader heeft eiser eerder op advies van Stichting SAP een indicatie verkregen voor gehandicaptenparkeerkaart als passagier. 3.1. Op 11 juni 2024 dient eiseres een aanvraag in voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van een scootmobiel. De consulent van Stichting Hulst voor Elkaar heeft vervolgens een adviesrapportrapportage uitgebracht. Vanwege de problemen van eiseres bij het verplaatsen in haar directe woonomgeving heeft de consulent het college geadviseerd om een vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een pgb voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van een 5-wiel scootmobiel. 3.2. Het college heeft de aanvraag vervolgens in afwijking van dit advies afgewezen en is overgegaan tot het nemen van de bestreden besluitvorming. Standpunt van het college 4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt dient te worden, omdat eiseres door haar echtgenoot wordt geholpen en vervoerd. Dit is gebruikelijke hulp die naar algemeen aanvaarde opvatting in redelijkheid verwacht mag worden van een echtgenoot. Van echtgenoten mag meer hulp worden verwacht dan bijvoorbeeld van kinderen of andere huisgenoten. De echtgenoot kan ook zelf de boodschappen gaan doen of de boodschappen thuis laten bezorgen. Ook kan de echtgenoot eiseres brengen naar medische afspraken en haar moeder voor de mantelzorg. Daarnaast is dagelijks boodschappen doen of naar haar moeder gaan een keuze van eiseres en geen verplichting. Eiseres kan ook gebruik maken van de taxiservice of collectief vervoer. Verder is van belang dat de echtgenoot geen dienstverband heeft en dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat hij overbelast is geraakt. Eiseres is niet afhankelijk van een begeleider om zich te verplaatsen. Zij kan zelfstandig en zelfredzaam zijn als ze met de taxi gaat, waarbij ze de rollator mee kan nemen. Voor een overbelasting van de echtgenoot op de gebieden huishouden en persoonlijke verzorging, kan een indicatie op grond Partijen verschillen met name van mening over de vraag of er sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van gebruikelijke hulp van de echtgenoot van eiseres. Het geschil spitst zich daarom toe op stap 4 van het eerdergenoemde stappenplan. Vervoersbehoefte – gebruikelijke hulp 8. Het college moet voor maatschappelijke ondersteuning zorgen. Dit is het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Bij een vervoersvoorziening draait het meestal om het vergroten van de participatie van een cliënt. Participatie is het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Uit de memorie van toelichting bij dit artikel blijkt dat dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate: mensen kan ontmoeten contacten kan onderhouden boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat iemand zich kan verplaatsen. 8.1. Uit de adviesrapportage van Stichting Hulst voor Elkaar blijkt dat eiseres na het doormaken van een hersenbloeding beperkt is geraakt op het gebied van mobiliteit. Eiseres gebruikt zowel binnen- als buitenshuis een rollator en heeft een maximaal loopbereik van 10 meter. De eerder ingeschakelde arts van Stichting SAP spreekt over een maximaal loopbereik van 100 meter met rollator. Om zich te kunnen verplaatsen in de directe woonomgeving en de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van eiseres te vergroten, is door de consulent van Stichting Hulst voor Elkaar geadviseerd om een vervoersvoorziening in de vorm van een 5-wiel scootmobiel toe te kennen. 8.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebruikelijke hulp van de echtgenoot de nodige hulp en ondersteuning kan bieden ten aanzien van de vervoersbehoefte van eiseres, waardoor er geen voorziening noodzakelijk is. 8.3. De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis van de Wmo volgt dat de wetgever het wenselijk heeft geacht dat gemeenten op het punt van de gebruikelijke hulp beleid ontwikkelen. Ter zitting is namens het college toegelicht dat er (nog) geen beleid is geformuleerd ten aanzien van de gebruikelijke hulp. Het college heeft in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hulst 2017 aangesloten bij de wettelijke definitie van gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. 8.4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat gelet op de beperkingen van eiseres het halen en brengen door de echtgenoot naar diverse locaties buitenshuis niet als oplossing gezien kan worden voor de mobiliteitsproblemen van eiseres. Gelet op haar beperkte loopbereik kan zij na het brengen door de echtgenoot bijvoorbeeld niet zelfstandig de winkel in om boodschappen te doen. Het gaat niet alleen om het ter plaatse komen, maar juist ook om zich daar – of in de directe woonomgeving –te kunnen verplaatsen. Het door het college genoemde collectief vervoersysteem (taxivervoer of flexbus) neemt de mobiliteitsproblemen van eiseres evenmin weg. Met het alleen voorzien van een vervoersoplossing wordt onvoldoende tegemoetgekomen aan de hulpvraag van eiseres, zodat dit niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. De mogelijkheden zoals bedoeld in stap 4 zijn dus ontoereikend en dan dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. 8.5. Het college heeft de aanvraag daarom ten onrechte afgewezen. Gelet hierop komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de belastbaarheid van de echtgenoot van eiseres of het gedane beroep op het vertrouwensbeginsel. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het college aan eiseres een vervoersvoorziening ver