Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:1983
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team jeugd Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-151057-24; 02-155745-24: 02-324166-24 + 02-092426-23 (vordering tul); 03-372487-24: 09-328879-24; 01-255940-24; 01-120903-25 (alle parketnummers ter zitting gevoegd) vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2026 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedag ] 2007 te [geboorteplaats] (Syrië), wonende te [woonadres] , thans verblijvende bij [verblijfadres] . 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 5 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 02-151057-24: op 2 mei 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 1] ; 02-155745-24: op 25 januari 2024 [benadeelde 2] heeft beledigd door haar in het gezicht te spugen; 02-324166-24: 1. op 19 juni 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 3] ;2. op 19 juni 2024 een ruit van de auto van [benadeelde 4] heeft vernield; 03-372487-24: op 26 augustus 2024 een fatbike van [benadeelde 5] heeft gestolen; 09-328879-24: op 7 juli 2024 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde 6] ; 01-255940-24: op 11 augustus 2024 softdrugs (hasj) bij zich heeft gehad; 01-120903-25: op 15 maart 2025 [benadeelde 7] heeft mishandeld met een tak. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten op de dagvaardingen wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het feit onder parketnummer 02-151057-24 verzoekt de officier van justitie verdachte partieel vrij te spreken van het maken van stekende bewegingen met een mes. In de zaak met parketnummer 02-324166-24 vraagt de officier van justitie bij feit 1 partiële vrijspraak van het slaan met een koevoet. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring in de zaken met parketnummers 01-120903-25, 03-372487-24, 09-328879-24 en 01-255940-24 aan het oordeel van de rechtbank. In de zaak met parketnummer 02-151057-24 verzoekt de verdediging verdachte partieel vrij te spreken van het maken van stekende bewegingen nu er geen letsel is geconstateerd bij het slachtoffer dat past bij steekbewegingen. De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen in de zaak met parketnummer 02-155745-24 nu niet is vast te stellen dat het speeksel van verdachte op het gezicht of het lichaam van de conductrice terecht is gekomen. De verdediging verzoekt in de zaak met parketnummer 02-324166-24 verdachte ten aanzien van feit 1 partieel vrij te spreken van het slaan met de koevoet nu dit op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van de onder feit 2 tenlastegelegde vernieling. Er ligt weliswaar een verklaring van de medeverdachte die verdachte aanwijst als degene die de ruit zou hebben ingeslagen, maar deze lijkt met name zichzelf vrij te willen pleiten. Verder is er geen objectief bewijs dat verdachte in verband brengt met deze vernieling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02-151057-24 Bij deze ontmoeting heeft verdachte een bankpas als onderpand aan de verkoper gegeven. Dit betrof een bankpas die niet op naam stond van verdachte maar was uitgegeven op naam van [persoon 1] . Verdachte heeft vervolgens een proefrit gemaakt op de fatbike maar heeft deze vervolgens meegenomen naar huis. Gelet op de omstandigheden, namelijk het overhandigen van een valse bankpas als onderpand, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op voorhand al het plan had opgevat om een proefrit met de fatbike te maken met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, waarbij hij die fatbike nooit rechtmatig onder zich heeft gehad. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. 09-328879-24: Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026; - het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 6] d.d. 11 juli 2024, pagina's 5-7 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL1500-2024223206; 01-255940-24: Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sr en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2026; - het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina's 5-6 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638; - het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pagina's 21-22 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2100-2024173638. 01-120903-25: Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat aangever [benadeelde 7] worden belaagd door een groep jongens. Een van hen heeft een tak in zijn hand en slaat de aangever daarmee in zijn gezicht waardoor [benadeelde 7] letsel heeft. [benadeelde 7] kent de jongen die met de tak heeft geslagen als [persoon 2] . Hij heeft ook een foto van hem en zijn telefoonnummer aan de politie doorgegeven. De politie herkent verdachte op die foto als zijnde verdachte en ook het telefoonnummer dat [benadeelde 7] heeft doorgegeven komt in de politiesystemen voor als een telefoonnummer dat aan verdachte toebehoort. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de aangever met een tak in zijn gezicht heeft geslagen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 02-151057-24: op 2 mei 2024 te Tilburg openlijk, te weten op de Heuvel, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [benadeelde 1] door die voornoemde [benadeelde 1] een kopstoot te geven en meermalen tegen het hoofd en de rug te slaan en te stompen en meermalen tegen het lichaam te schoppen en/of te trappen; 02-155745-24: op 25 januari 2024 te Etten-Leur, opzettelijk [benadeelde 2] , in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door die [benadeelde 2] in het gezicht te spugen; 02-324166-24: Feit 1: op 19 juni 2024 te Etten-Leur openlijk, te weten op de [straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 3] , door meermalen, - tegen het lichaam van die [benadeelde 3] te slaan (onder meer met behulp van een scooterhelm),- terwijl die [benadeelde 3] op de grond ligt tegen het lichaam van die [benadeelde 3] te slaan en schoppen; Feit 2: op 19 juni 2024 te Etten-Leur opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (Fiat Punto, [kenteken]), die geheel aan een ander toebehoorde, heeft vernield; 03-372487-24: op 26 augustus 202 De rechtbank rekent verdachte dit respectloze, onsmakelijke en beledigende gedrag als reactie op een correct en uitermate geduldig optreden van deze functionaris zwaar aan. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij sinds voornoemde feiten voor andere strafbare feiten is veroordeeld, waaronder soortgelijke feiten. In deze zaak is dan ook artikel 63 Sr van toepassing De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de Raad van 13 februari 2026 en de toelichting daarop ter zitting. Er zijn zorgen op verschillende leefgebieden. De Raad geeft aan dat een voorwaardelijke straf nog altijd meerwaarde zou kunnen hebben nu er in de afgelopen periode, afgezet tegen 2024, een (voorzichtig) positieve ontwikkeling te zien is. Zo zijn er in 2025 minder politiecontacten geweest en heeft verdachte op dit moment goed contact met zijn jeugdreclasseerder. De Raad ziet dit als de laatste kans voor verdachte om hulp te accepteren via de modaliteit van het jeugdstrafrecht. De Raad adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar. Bij deze proeftijd zijn de navolgende bijzondere voorwaarden noodzakelijk, te weten dat verdachte: -zich inzet voor een zinvolle dagbesteding/werk; -wordt verplicht mee te werken aan hulpverlening vanuit [hulpverlening] of een soortgelijke behandeling en aan hulpverlening die de Jeugdreclassering noodzakelijk acht ter voorkoming van recidive. De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Zouden de onderhavige zaken eerder bij de rechtbank zijn aangebracht dan was een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats geweest. Echter, nu het hier om oudere feiten gaat, zal de rechtbank geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de bewezenverklaarde misdrijven een taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 180 uur passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank verdachte opleggen een jeugddetentie van 118 dagen met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft verbleven, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze proeftijd koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Deze forse stok achter de deur is nodig om ervoor te zorgen dat verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking zal komen. Voor het in bezit hebben van (soft)drugs zal de rechtbank verdachte een werkstraf van 20 uren opleggen. 7 De benadeelde partij 02-155745-24: De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 500,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Gelet op de bedragen die in de jurisprudentie doorgaans worden toegewezen voor soortgelijke feiten acht de rechtbank het door de benadeelde partij gevorderde bedrag toewijsbaar tot een bedrag van € 250,- aan immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 januari 2024. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig wa