Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1966
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,161 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1966 text/xml public 2026-03-20T09:21:12 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-16 C/02/433493 / FA RK 25-1564 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1966 text/html public 2026-03-19T15:24:50 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1966 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-02-2026 / C/02/433493 / FA RK 25-1564 afwijzing verzoek ontzegging recht op omgang, vaststelling voorlopige regeling en UHA verwijzing beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/433493 / FA RK 25-1564 Datum uitspraak: 16 februari 2026 beschikking over gezag en omgang in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman in Leiderdorp, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens in Roosendaal, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 27 maart 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - het rapport van de Raad van 3 september 2025; - de brief van mr. Mattheussens van 4 september 2025; - de brief van mr. Mattheussens van 12 september 2025; - de brief van mr. Bruggeman van 15 september 2025; - de brief van mr. Bruggeman van 4 februari 2026 met bijlagen; - de brief van mr. Bruggeman van 5 februari 2026 met bijlage; - de brief van mr. Bruggeman van 11 februari 2026 met bijlage; - het op 16 februari 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek; - het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] . 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 16 februari 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw, met haar advocaat en de advocaat van de man. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad. De man is juist opgeroepen, maar is niet gekomen. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van 21 december 2022 heeft de rechtbank beslist dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw en dat partijen en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt: - [minderjarige] verblijft de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, met als wisselmoment vrijdag; - met ingang van 1 januari 2023 tot het moment dat de man weer over (geschikte en in de buurt gelegen) woonruimte beschikt geldt voormelde co-ouderschapregeling niet. In plaats daarvan geldt dan de volgende tijdelijke regeling: partijen hebben ten minste drie dagen van te voren contact met elkaar via sms over wanneer er contact kan plaatsvinden en ze spreken dan ook af wanneer, hoe laat en waar het contact zal zijn. Daarbij geldt dat er regelmatig contact tussen de man en [minderjarige] zal zijn en dat de man haar enkel meeneemt naar voor haar bekende plekken, zoals naar grootouders vaderszijde en pleegouders vaderszijde; - ten aanzien van de feestdagen en verjaardagen: - Kerstavond en eerste kerstdag verblijft [minderjarige] bij de vrouw; - Tweede kerstdag verblijft [minderjarige] bij de man; - Oud en Nieuw verblijft [minderjarige] bij de vrouw; - bovenstaande wordt het jaar erop omgedraaid; - op haar verjaardag verblijft [minderjarige] bij de man en zij viert haar verjaardag dan op een andere dag nog bij de vrouw met grootouders moederszijde; - verjaardagen van de man en de vrouw viert [minderjarige] bij de betreffende ouder; - [minderjarige] gaat naar de verjaardagen van grootouders van moederszijde en vaderszijde, ook als ze dan eigenlijk bij de andere ouder is. 2.3 Bij vonnis in kort geding van 12 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de Raad verzocht om ten behoeve van en vooruitlopend op deze bodemprocedure een onderzoek te verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de vragen: - Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Zijn er contra-indicaties voor contact tussen de man en [minderjarige] en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? - Indien er geen contra-indicaties voor contact zijn: komt uitvoering van de door de ouders overeengekomen en in de beschikking van 21 december 2022 vastgelegde co- ouderschapsregeling tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ? - Zo nee, hoe dient de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? welk rapport uiterlijk op 1 september 2025 pro forma dient te worden ingebracht in deze bodemprocedure. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt bij beschikking te bepalen dat: I. het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd wordt en de vrouw met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast; II. primair: aan de man de omgang met [minderjarige] voor een jaar wordt ontzegd; subsidiair: de zorgregeling wordt gewijzigd in begeleide omgang, door een deskundige en ervaren organisatie op het gebied van omgang, tussen de man en [minderjarige] voor 1 à 2 uur op een zaterdag of zondag dan wel een andere, door de begeleiding te bepalen dag; III. de verzochte beschikking uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 3.2 De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. De man verzoekt zelfstandig, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man recht heeft op onbegeleide omgang met [minderjarige] vier maal iedere zaterdag, althans een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 14.00 uur, en vervolgens iedere zaterdag, althans een zaterdag per veertien dagen, van 10.00 uur tot 17.00 uur, althans zodanig te bepalen als het de rechtbank vermeent te behoren. De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat tijdens de relatie met de man veelvuldig sprake was van huiselijk geweld. Ook verkeerde de man meerdere keren per dag onder invloed van verdovende middelen. In augustus 2021 heeft de vrouw de gezamenlijke woning wegens huiselijk geweld definitief verlaten. Vervolgens zijn partijen, in samenspraak met Veilig Thuis, een zorgregeling overeengekomen. Nadat de vrouw in november 2021 van de politie vernam dat de man was opgepakt vanwege een geweldsdelict, heeft zij besloten [minderjarige] niet meer zonder begeleiding bij de man te laten zijn. De man is toen ter nakoming van de overeengekomen zorgregeling een kort geding procedure gestart. Bij vonnis in kort geding van 22 december 2021 is [minderjarige] voorlopig aan de vrouw toevertrouwd en is een co-ouderschapsregeling vastgesteld. Daarnaast is de Raad verzocht om een onderzoek te doen. De vrouw is vervolgens een bodemprocedure gestart. Na onderzoek door de Raad is bij beschikking van 21 december 2022 (wederom) een co-ouderschapsregeling vastgesteld die vervolgens is opgeschort zolang de man geen eigen woning had. Voor dat geval was een tijdelijke regeling opgenomen. Deze tijdelijke regeling is niet goed verlopen. Uiteindelijk kreeg de man een woning in [woonplaats 2] en konden partijen de co-ouderschapsregeling weer oppakken. Ook deze regeling is niet zonder strubbelingen verlopen.
Volledig
De man begon weer bedreigingen aan het adres van de vrouw te uiten. Ook bleek dat de man in het bijzijn van [minderjarige] vaak onder invloed van alcohol en drugs was. Ook raakte hij weer verzeild in strafbare feiten. Op 10 maart 2025 is de man, terwijl hij onder invloed was, met [minderjarige] in de auto gestapt. De man is vervolgens met zijn auto in de sloot terecht gekomen. De politie is ter plaatse gekomen en vermoedde dat de man onder invloed was. Tegen de politie verklaarde hij dat zijn huidige partner (thans ex-partner) had gereden. Tevens weigerde hij mee te werken en verzette hij zich tegen zijn arrestatie. Ook bleek hij vuurwerk en een ploertendoder bij zich te hebben. Op het bureau heeft de man vernielingen aan zijn cel gepleegd. [minderjarige] is toen opgevangen door Veilig Thuis, de ambulance en de politie. De vrouw heeft haar in de ochtend opgehaald. Toen de man vernam dat de vrouw [minderjarige] had opgehaald, gaf hij aan zelf zijn dochter naar school te zullen brengen. Omdat de politie en Veilig Thuis zich grote zorgen maakten over het gedrag en de uitlatingen van de man zijn er veiligheidsmaatregelen getroffen in het gebied van de woning van de vrouw. Door de medewerkster van Veilig Thuis is nog opgemerkt dat zij bij de man thuis is geweest en daar een ernstig vervuilde woning aantrof. Hiernaast heeft de vrouw contact met de huidige ex-partner van de man gehad. Uit het overgelegde appverkeer tussen hen blijkt dat de ex-partner door de man meerdere malen stevig is mishandeld. Tevens blijkt hieruit dat de man [minderjarige] aanzette om zijn ex-partner uit te schelden en dat hij in het bijzijn van [minderjarige] veel vloekt en scheldt. Ook heeft de ex-partner aangegeven dat de man al in de ochtend begon met alcohol drinken en dat er wapens en drugs in zijn woning aanwezig waren. Verder is onlangs de auto van de man in brand gestoken en zijn er personen in zijn woning binnengedrongen om hem te bedreigen en te mishandelen. Gelet op al deze omstandigheden meent de vrouw dat de zorgregeling niet in zijn huidige vorm kan worden voortgezet. Het is overduidelijk dat het opvoedklimaat bij de man schadelijk is voor [minderjarige] en haar welzijn. De vrouw meent dat de man eerst aan zijn drank- en drugsgebruik en aan zijn gewelddadige gedrag naar anderen toe dient te werken. Zij deelt de grote zorgen van Veilig Thuis en verzoekt dan ook de man de omgang met [minderjarige] voor een jaar te ontzeggen. Subsidiair verzoekt zij de man enkel contact met [minderjarige] onder begeleiding toe te staan. Verblijf in de woning van de man is naar haar mening uitgesloten. Inmiddels is met begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] gestart. Uit de verslaglegging hiervan blijkt dat de man tijdens de omgang veel op zijn telefoon zit. Ook is een keer door de begeleider alcohol bij de man geroken. Daarnaast is de vrouw van mening dat aan haar het eenhoofdig gezag dient toe te komen. De man is niet in staat om goede beslissingen voor zichzelf te nemen. Daarbij zijn de leefomstandigheden bij de man, ook volgens Veilig Thuis, niet goed voor [minderjarige] . Tevens blijkt dat hij niet in staat is zijn drank- en drugsgebruik voor [minderjarige] aan te passen. Onder invloed van deze middelen heeft de man onverantwoorde acties gepleegd, zoals onder invloed achter het stuur plaatsnemen, het aangaan van gevechten in het bijzijn van [minderjarige] en [minderjarige] opdragen anderen uit te schelden. Op die momenten heeft de man laten zien niet in staat te zijn beslissingen in het belang van [minderjarige] te kunnen nemen. Ook heeft hij haar veiligheid en welzijn ernstig in gevaar gebracht. Ook blijkt ook uit de stukken dat de communicatie tussen partijen niet goed is. Door de recente gebeurtenissen is deze communicatie tot een dieptepunt gedaald. De vrouw meent dat zij niet meer hoeft te dulden dat de man in de communicatie allerlei bedreigingen naar haar uit. Zij heeft er overigens geen moeite mee de man te informeren, maar wil niet meer afhankelijk zijn van zijn buien en middelengebruik voor overleg en het nemen van gezagsbeslissingen. In aanvulling hierop is namens en door de vrouw tijdens de zitting nog aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft tegen begeleide omgang. [minderjarige] vindt het ook leuk om wekelijks haar vader te zien. Onbegeleide omgang, zoals de man zelfstandig heeft verzocht, kan echter niet aan de orde zijn gelet op de in het verzoekschrift aangegeven zorgen over de thuissituatie, het gedrag en het middelengebruik van de man. De vrouw is daarnaast van mening dat zij nu al met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] moet worden belast. Zij probeert al vanaf 2021 op een normale manier met de man te communiceren en samen met hem beslissingen over [minderjarige] te nemen. Daartoe heeft de vrouw al meegewerkt aan een traject ter verbetering van de onderlinge communicatie. De onderlinge communicatie laat echter nog steeds sterk te wensen over. Op dit moment neemt de vrouw alle beslissingen over [minderjarige] alleen. Het feit dat de man ook nog met gezag over [minderjarige] is belast, heeft er nog niet voor gezorgd dat er geen belangrijke beslissingen over [minderjarige] konden worden genomen. Indien de rechtbank, voordat zij een beslissing over het gezagsverzoek zal nemen, partijen nog in de gelegenheid wil stellen om in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) met hulpverlening aan de onderlinge communicatie te werken, dan is de vrouw bereid om hieraan mee te werken. Zij verwacht echter niet dat dit tot een verbetering van de onderlinge communicatie zal leiden. 4.2 De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en heeft een zelfstandig verzoek ingediend. Hij legt hieraan ten grondslag dat, anders dan de vrouw stelt, de man wel betrokken is bij het wel en wee van [minderjarige] . Hij wenst juist meer bij haar opvoeding te worden betrokken. Dat de man zich soms wat ongelukkig uit, is een gevolg van zijn frustratie over dat hij niet meer bij de opvoeding van [minderjarige] wordt betrokken, haar zo weinig mag zien en geen onbegeleid contact met haar mag hebben. Van een situatie die een beëindiging van het gezamenlijk gezag rechtvaardigt, is echter geen sprake. Daarnaast heeft de man goed contact met [minderjarige] , hetgeen onder andere blijkt uit het laatste verslag over de begeleide omgang. Indien het verzoek van de vrouw om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen wordt toegewezen, zal de man geen contact meer met haar hebben, waardoor haar belang wordt geschaad. Zij heeft immers -als ieder kind - het recht om met beide ouders op te groeien. De man verzoekt dan ook om beide verzoeken van de vrouw af te wijzen. Verder is de man van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij ook onbegeleid contact met haar heeft. Dat versterkt hun band. Zij kunnen dan ook leuke dingen doen die in een begeleide setting niet mogelijk zijn. Vandaar dat hij verzoekt om een onbegeleide contactregeling vast te leggen. In aanvulling hierop is namens de man tijdens de zitting nog aangevoerd dat de man graag ziet dat verder wordt gegaan met de begeleide omgang tussen hem en [minderjarige] bij [zorgorganisatie 1] . Deze omgang verloopt redelijk. Mogelijk dat onder begeleiding van [zorgorganisatie 1] kan worden gekomen tot uitbreiding van deze omgang en uiteindelijk tot onbegeleide omgang. Daarnaast is de man van mening dat [minderjarige] er recht op heeft dat haar beide ouders als gezagdragende ouders betrokken zijn bij haar opvoeding. Op dit moment kan ook niet worden gesteld dat de man niet in staat is om verantwoorde beslissingen over [minderjarige] te nemen. Weliswaar uit de man zich af en toe wat onbeholpen, maar dit komt omdat hij zich niet altijd gehoord en gezien voelt en gefrustreerd is door de beperkte omgang met [minderjarige] . Dit is ook meer uit onmacht dan uit onwil. De man zal wel aan de slag moeten gaan om de door de vrouw naar voren gebrachte zorgen weg te nemen. Ook zal hij moeten meewerken aan een hulpverleningstraject ter verbetering van de communicatie met de vrouw. De man verzoekt hem hiervoor nog een kans te geven en nu niet over te gaan tot beëindiging van zijn gezag.
Volledig
4.3 De Raad heeft de bij vonnis van 12 mei 2025 gestelde vragen als volgt beantwoord. Ondanks dat de Raad constateert dat de ouders momenteel onvoldoende met elkaar kunnen communiceren, merkt de Raad op dat er nog geen belangrijke zaken voor [minderjarige] zijn geweest die niet met elkaar konden worden geregeld. De Raad heeft wel zorgen over de manier waarop de man contact legt met de vrouw en haar aanspreekt. Dit kan namelijk gepaard gaan met schelden, schreeuwen en het uiten van dreigementen. De Raad is van mening dat de man onvoldoende stil staat bij de ernst hiervan én dat dit voor de vrouw het communiceren met hem moeilijk maakt. Tot op heden lijkt het de man nog onvoldoende te zijn gelukt om zijn gedrag en houding hierin te veranderen. Positief is wel dat hij aangeeft nu niet het contact met de vrouw op te zoeken. De Raad is van mening dat de man eerst moet laten zien dat hij op een rustige en vriendelijke wijze met de vrouw kan communiceren. Vervolgens zal met de ouders moeten worden bekeken welke vorm van gezamenlijk ouderschap het meest passend is. Voor het verbeteren van de oudercommunicatie kan in het kader van het UHA de hulp van [zorgorganisatie 1] worden ingezet. Beide ouders staan hiervoor open. De Raad is dan ook van mening dat binnen dit hulpverleningstraject dient te worden bekeken of de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren en met elkaar afspraken over [minderjarige] te maken, om zodoende te voorkomen dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Doordat deze hulpverlening nog dient te worden opgestart, adviseert de Raad om de definitieve beslissing over het gezag aan te houden in afwachting van de resultaten binnen het UHA-traject. De vrouw heeft in maart 2025 het (onbegeleide) contact tussen [minderjarige] en de man gestopt. Zij heeft namelijk zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man en over zijn gedrag en alcohol- en drugsgebruik in haar bijzijn. De man (h)erkent deze zorgen niet. Positief is wel dat momenteel middels hulpverlening van [zorgorganisatie 2] begeleid contact is opgestart en dat dit goed lijkt te verlopen. Het is een kracht dat beide ouders hieraan hun medewerking verlenen. De vrouw heeft, ook gelet op de houding en gedrag van de man richting haar, echter nog veel zorgen over dit contact. Zij heeft momenteel nog onvoldoende vertrouwen in de man. De man wil echter graag dat er zo snel als mogelijk weer 'normaal' contact is tussen hem en [minderjarige] . De Raad is evenwel van mening dat begeleid contact nodig is om te bekijken hoe het contact tussen de man en [minderjarige] verloopt en of het hem lukt om voldoende bij haar aan te sluiten. Deze hulpverlening ia inmiddels door [zorgorganisatie 1] overgenomen. Binnen deze hulpverlening zal worden bekeken hoe de contactregeling er uiteindelijk uit kan zien. Daarom adviseert de Raad om de definitieve beslissing omtrent de contactregeling aan te houden in afwachting van de hulpverlening binnen het UHA-traject. In aanvulling hierop is namens de Raad tijdens de zitting nog aangevoerd dat de rechtbank partijen nog niet heeft verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Dit traject is al wel met partijen besproken en de gewenste resultaten zijn al aangevinkt. De Raad adviseert om partijen alsnog te verwijzen naar een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Inmiddels is er al gestart met begeleide omgang bij [zorgorganisatie 1] . Tijdens de begeleide omgang wordt gezien dat [minderjarige] geniet van het contact met de man, maar dat de man nog wel het nodige moet leren. Gelet hierop vindt de Raad een ontzegging van de omgang niet aan de orde. De Raad adviseert dan ook om dit verzoek van de vrouw af te wijzen. Van onbegeleide omgang, zoals de man heeft verzocht, kan echter ook nog geen sprake zijn. Hoewel wordt gezien dat de man een lieve en zorgzame vader voor [minderjarige] is, heeft hij zijn gedrag niet altijd in de hand. Van de man wordt verwacht dat hij werkt aan zijn emotie- en agressieregulatie. Pas als hij dat gedaan heeft, kan er sprake zijn van onbegeleide omgang. [minderjarige] is ook al meerdere keren getuige geweest van het agressieve gedrag van de man. De man dient inzicht te krijgen in wat dit gedrag bij [minderjarige] (en anderen) doet. Ten aanzien van het gezagskwestie hinkt de Raad op twee gedachten. Aan de ene kant heeft de man in de afgelopen periode geen verbetering in zijn gedrag laten zien, waardoor van een fatsoenlijke oudercommunicatie geen sprake is. Het is de vraag of de man hierin nog leerbaar is. Dit zou een beëindiging van zijn gezag nu al kunnen rechtvaardigen. Aan de andere kant zijn beide partijen bereid om in het kader van het UHA een traject ouderschapsbemiddeling aan te gaan. Er kan ook voor worden gekozen om de beslissing op het verzoek om beëindiging van het gezag aan te houden voor de duur van zes maanden in afwachting van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/ontzegging recht op omgang Het wettelijk kader 4.4 In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In het tweede lid van dit artikel staat dat de rechtbank eveneens op verzoek van een ouder een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben. In het vierde lid van dit artikel staat dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is. Daar waar in deze bepalingen gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling wordt in plaats daarvan gelezen: een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. In het vijfde lid van dit artikel staat dat de rechtbank alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een vergelijk tussen de ouders beproeft. 4.5 In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden: omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind; het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil; er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. 4.6 In artikel 1:377e BW staat dat een omgangsregeling die door de rechtbank is bepaald of door de ouders is afgesproken, kan worden veranderd. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd na de beslissing van de rechtbank of na de afspraken van de ouders. Dit kan ook als bij de beslissing van de rechtbank van verkeerde of onvolledige gegevens is uitgegaan. De overwegingen van de rechtbank 4.7 De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de vrouw sinds het incident in maart 2025 enige tijd geen uitvoering heeft gegeven aan de bij beschikking van 21 december 2022 vastgestelde co-ouderschapsregeling. Zij maakte zich, net als Veilig Thuis, namelijk grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige] als zij zonder verdere begeleiding bij de man was. Sinds enige tijd heeft de man in het kader van een begeleid omgangstraject weer contact/omgang met [minderjarige] bij in eerste instantie [zorgorganisatie 2] en nu [zorgorganisatie 1] . De begeleide omgang vindt wekelijks plaats gedurende (inmiddels) anderhalf uur per keer. Dit verloopt naar behoren. [minderjarige] vindt het leuk om haar vader wekelijks te zien. Wel zijn er dingen die de man tijdens de omgang nog kan verbeteren, waaronder het bezig zijn met zijn telefoon en het zich houden aan afspraken over het geven van cadeautjes/geld aan [minderjarige] .
Volledig
4.8 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een ontzegging van de man van het recht op omgang met [minderjarige] niet (meer) aan de orde is. Ook de vrouw stemt op dit moment in met begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] . Bovendien vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij op een onbelaste en plezierige manier contact kan hebben met haar vader. De rechtbank zal het onder II primair genoemde verzoek van de vrouw om de man het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen dan ook afwijzen. 4.9 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden sinds de beschikking van 21 december 2022 zodanig zijn veranderd dat de hierin vastgestelde co-ouderschapsregeling moet worden gewijzigd. Gelet op de zorgen over de thuissituatie, het gedrag en het (vermoedelijke) middelengebruik van de man, vindt de rechtbank onbegeleide omgang, laat staan de vastgestelde co-ouderschapsregeling, momenteel niet in het belang van [minderjarige] . De veiligheid van [minderjarige] , een meisje van nog maar vijf jaar oud, bij de man kan op dit moment onvoldoende worden gewaarborgd. De rechtbank vindt het in haar belang dat verder wordt gegaan met het begeleid omgangstraject bij [zorgorganisatie 1] en dat onder regie van [zorgorganisatie 1] tot eventuele uitbreiding of (deels) onbegeleide contacten kan worden gekomen. De rechtbank zal daarom de beschikking van 21 december 2022 in zoverre wijzigen en bepalen dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig recht hebben op wekelijks begeleid contact met elkaar gedurende anderhalf uur per keer, waarbij aan [zorgorganisatie 1] de regie wordt gegeven om deze omgang uit te breiden dan wel op termijn als dat in het belang van [minderjarige] wordt geacht (deels) onbegeleid te laten plaatsvinden. UHA 4.10 De rechtbank stelt vast dat de Raad in zijn rapport van 12 mei 2025 heeft geadviseerd om de beslissingen over de gezagskwestie en over de contactregeling aan te houden in afwachting van een hulpverleningstraject in het kader van het UHA. Dit traject is al door de Raad met partijen besproken en de gewenste resultaten zijn al door de Raad en partijen aangevinkt. Tot een daadwerkelijke verwijzing naar dit hulpverleningstraject is het echter nog niet gekomen. Wel is er inmiddels een begeleid omgangstraject gestart bij [zorgorganisatie 1] . Daarnaast is het voor de man gewenst dat hij hulpverlening krijgt voor zijn agressie- en emotieregulatie. Ook dient hij zich verre te houden van het gebruik van alcohol of drugs als [minderjarige] bij hem is. Met de Raad is de rechtbank immers van oordeel dat pas sprake kan zijn van onbegeleide omgang als de man op deze vlakken verbetering laat zien en de veiligheid van [minderjarige] bij hem is gewaarborgd. De rechtbank vindt het verder van belang dat partijen (weer) op een fatsoenlijke manier met elkaar gaan communiceren, zonder agressie, bedreigingen of scheldpartijen. Ook hierin ligt met name voor de man een taak weggelegd. De man moet gaan inzien wat zijn gedrag bij andere mensen teweegbrengt. Als de man op dit vlak geen verbetering laat zien, is het maar de vraag of van de vrouw nog kan worden verwacht dat zij samen met de man in het kader van gezamenlijk gezag afspraken en beslissingen over [minderjarige] moet nemen. Wijziging van het gezag naar eenhoofdig gezag uitgeoefend door de vrouw is dan wellicht in het belang van [minderjarige] aangewezen. 4.11 De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben al bij de Raad en ook op de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 17 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.12 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.13 Gebleken is dat de ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie); De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1). 4.14 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 4.15 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank de ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het (de) kind(eren). 4.16 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.17 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.18 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Past een verandering van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders, waarbij de vader nu alleen begeleid contact met haar heeft, bij de belangen van [minderjarige] ? - Zo ja, hoe moet die (onbegeleide) regeling er in de toekomst uit gaan zien (qua aard, duur en frequentie)? - Indien er contra-indicaties zijn voor onbegeleide omgang, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 4.19 Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.20 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.