Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1959
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,634 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1959 text/xml public 2026-03-20T09:18:54 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-16 C/02/444947 / FA RK 26-733 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1959 text/html public 2026-03-19T15:09:40 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1959 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-02-2026 / C/02/444947 / FA RK 26-733 Toewijzing IBS RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444947 / FA RK 26-733 Datum uitspraak: 16 februari 2026 Beschikking voortzetting inbewaringstelling op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1941 in [geboorteplaats] , hierna te noemen betrokkene, wonend in [plaats 1] , verblijvende in een [accommodatie] te [plaats 2] , advocaat mr. F.E.R.M. Verhagen uit Breda. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door mr. J.H.P.M. Verhagen; mevrouw [persoon 1] , specialist ouderengeneeskunde; mevrouw [persoon 2] , kwaliteitsverpleegkundige; mevrouw [persoon 3] , nichtje van betrokkene mevrouw [persoon 4] , nichtje van betrokkene; de heer [persoon 5] , zwager van betrokkene. 2 Wat vaststaat 2.1. Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in de [accommodatie] te [plaats 2] . De burgemeester van de gemeente Breda heeft de inbewaringstelling op 10 februari 2026 afgegeven. 3 Het verzoek 3.1. Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene geeft aan dat zij het liefst naar huis wil omdat zij nog voor zichzelf kan zorgen. Betrokkene heeft immers altijd alles zelf gedaan. Daarnaast geeft betrokkene aan dat er niets aan haar verteld wordt om haar te beschermen. 4.2. De specialist ouderengeneeskunde voert, samengevat, aan dat er bij betrokkene sprake is van vergevorderde dementie vermoedelijk Alzheimer. Betrokkene heeft continue ondersteuning nodig bij het eten en drinken en het nemen van de medicatie, onder andere voor haar borstkanker. De echtgenoot van betrokkene is als mantelzorger weggevallen omdat hij is opgenomen in het ziekenhuis. Niet zeker is of en wanneer hij ontslagen wordt uit het ziekenhuis. Bij betrokkene is sprake van desoriëntatie en een verstoring in het kortetermijngeheugen. De specialist ouderengeneeskunde is van mening dat het niet realistisch is dat betrokkene naar huis kan, zelfs niet als de echtgenoot wel weer naar hun woning zou terugkeren, gelet op de situatie kort voor deze ziekenhuisopname. Echtgenoot zorgde voor betrokkene terwijl hij door zijn eigen ziekte dit fysiek eigenlijk al niet meer aan kon. Daarbij werd de zorg voor betrokkene ook steeds zwaarder i.v.m. haar cognitieve achteruitgang. 4.3. De kwaliteitsverpleegkundige verklaart dat betrokkene vaak vergeet om te eten en ook vaak de weg kwijt is. Betrokkene weet dan ook niet wat er aan de hand is met haar man. Daarnaast heeft betrokkene veel sturing en begeleiding nodig voor de dagelijkse verzorgingshandelingen (wassen, aankleden, medicatie innemen, eten en drinken). 4.4. De zwager van betrokkene geeft aan dat nog niet duidelijk is wanneer de man van betrokkene ontslagen wordt uit het ziekenhuis. De man van betrokkene eet en drinkt heel slecht en komt nog verward over. 4.5. De nichten van betrokkene geven gezamenlijk aan dat betrokkene de laatste tijd hard achteruit is gegaan. 4.6. De advocaat van betrokkene refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De wens van betrokkene om terug te keren naar huis is begrijpelijk volgens de advocaat, maar het is de vraag of dit realistisch is. Daarnaast is het fijn voor betrokkene dat haar beide nichten aanwezig zijn. 5 De beoordeling 5.1. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes weken. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene niet meer in staat is om voor zichzelf te zorgen. Mevrouw is niet meer in staat om de meest basale dagelijkse verzorgingshandelingen te verrichten. Daarnaast verwaarloost zij zichzelf als het gaat om de benodigde zorg voor de bij haar geconstateerde borstkanker. De enige mantelzorger, haar echtgenoot, is opgenomen in het ziekenhuis en zal naar verwachting niet snel terugkeren. Maar zelfs zal zou hij terugkeren naar huis, dan nog is de vraag of de zorg voor betrokkene in de thuissituatie haalbaar is omdat zij 24-uurs-zorg nodig heeft. 5.3. Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer. 5.4. Het ernstig nadeel is zodanig onmiddellijk dreigend dat een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. 5.5. Voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk en geschikt om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene is door haar beperkingen niet meer in staat om adequaat voor zichzelf te zorgen en kan niet meer op een veilige manier zelfstandig wonen. 5.6. Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene ervaart haar opname als onwerkelijk en is ervan overtuigd dat ze thuis goed voor zichzelf kan zorgen. 5.7. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. In de thuissituatie zijn de grenzen bereikt met betrekking tot de inzet van minder ingrijpende mogelijkheden. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1941 in [geboorteplaats] ; 6.2. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 30 maart 2026. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 2 maart 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.