Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-17
ECLI:NL:RBZWB:2026:1942
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1972 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen), en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het UWV over eisers aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.1 Het UWV heeft eisers aanvraag voor een WW-uitkering in een besluit van 4 november 2024 (primair besluit) afgewezen. 1.2. Het UWV heeft in het bestreden besluit van 20 februari 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, en aan eiser een WW-uitkering toegekend en daarbij een maatregel opgelegd inhoudende dat de uitkering wordt verlaagd met 50%. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Beide partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Overwegingen Feiten en procesverloop 2. Eiser was vanaf 1 mei 2024 op basis van een oproepovereenkomst voor 0 uur werkzaam bij [werkgever] (de werkgever). Eiser heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering omdat hij per 20 oktober 2024 geen werk meer had. Deze aanvraag heeft geleid tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding. Het standpunt van het UWV 3. Volgens het UWV is bij de aan eiser toegekende WW-uitkering terecht een maatregel opgelegd van verlaging van de uitkering met 50%. Het UWV stelt dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden, omdat hij zelf ontslag heeft genomen. Het UWV baseert zich daarbij op een verklaring van eiser van 25 oktober 2024 tegenover een medewerker van het UWV, inhoudende dat hij ontslag heeft genomen na een ruzie met een collega. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van de werkgever van 4 november 2024. Volgens het UWV is wel sprake van verminderde verwijtbaarheid, omdat eiser na het ontslag heeft geprobeerd om weer te gaan werken bij de werkgever. 3.1. De rechtbank stelt vast dat de opgelegde maatregel niet expliciet in het bestreden besluit is opgenomen. Zij leest dit besluit echter in samenhang met het voornemen tot wijziging van het primaire besluit van 3 februari 2025, waarin de maatregel wel duidelijk is vermeld. Partijen hebben ter zitting desgevraagd gesteld het bestreden besluit ook zo te lezen. Eisers standpunt 4. Volgens eiser heeft het UWV hem ten onrechte een maatregel opgelegd. Hij betwist dat hij zelf ontslag heeft genomen bij de werkgever, en stelt onder verwijzing naar enkele bewijsstukken dat hij op 20 oktober 2024 is weggestuurd na een ruzie op de werkvloer. Eiser voert verder aan dat hij bij het gesprek met de medewerker van het UWV niet heeft verklaard dat hij zelf ontslag heeft genomen, en dat de verklaring zoals opgetekend in de memo van het UWV van 25 oktober 2024 niet overeenkomt met wat hij daadwerkelijk heeft verklaard. Deze is ook niet aan hem voorgehouden ter controle. Eiser betwist verder dat voortzetting van de arbeidsrelatie redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Hij stelt tot slot dat het UWV de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op onjuiste wijze heeft vastgesteld, nu ten onrechte geen twee punten zijn toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift en de telefonische hoorzitting. Relevante wet- en regelgeving 5. De relevante wet- en regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Waar gaat deze zaak over? 6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het UWV eiser een maatregel mocht opleggen van verlaging van de uitkering met 50%. Daarvoor is met name van belang of sprake is van verwijtbare werkloosheid. Verder is in geschil of het UWV de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase op juiste wijze heeft vastgesteld. Mocht het UWV eiser de bestreden maatregel opleggen? 7. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij ve Daarbij heeft het UWV van belang geacht dat de werkgever eiser na diens ontslagname de toegang tot de werkplek heeft ontzegd en hem, ondanks zijn poging om zijn werkzaamheden te hervatten, niet meer tot het werk heeft toegelaten. De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Niet is gebleken dat sprake is van een uitzondering als bedoeld in paragraaf 7 van de beleidsregels. De rechtbank acht de opgelegde maatregel daarom terecht. Is de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase correct vastgesteld? 8. De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde een bezwaarschrift en een aanvullend bezwaarschrift heeft ingediend. Daarnaast heeft een (telefonische) hoorzitting plaatsgevonden. Omdat het UWV in het bestreden besluit eisers bezwaren tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, had het UWV voor de bezwaarprocedure twee procespunten moeten toekennen (één voor de bezwaarschriften en één voor de hoorzitting), zoals ook erkend door het UWV ter zitting. In het bestreden besluit is echter slechts één procespunt toegekend. Dit betekent dat deze beroepsgrond slaagt. Conclusie 9. Gelet op het gebrek zoals genoemd in rechtsoverweging 8 is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij slechts één procespunt is toegekend voor de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat voor de bezwaarfase twee procespunten moeten worden toegekend, waardoor de totale proceskostenvergoeding in bezwaar € 1.294,- bedraagt. Aangezien ter zitting is gebleken dat het UWV al uitvoering heeft gegeven aan de proceskostenvergoeding zoals die was vastgesteld in bezwaar, betekent dit in de praktijk dat het UWV dan alsnog het tweede procespunt, met een waarde van € 647,-, zal moeten vergoeden. In zoverre treedt deze uitspraak in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Voor overige blijft het bestreden besluit in stand. 10. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat eisers gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin slechts één procespunt is toegekend voor de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase; - bepaalt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar € 1.294,- bedraagt; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € € 1.868,- aan proceskosten in beroep aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier op 17 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelge