Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1932
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,546 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1932 text/xml public 2026-03-25T14:05:51 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 BRE 25/4966 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1932 text/html public 2026-03-25T14:05:21 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1932 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / BRE 25/4966 WIA NTB RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4966 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 8 december 2023, ontvangen door het UWV op 2 januari 2024, om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) van [persoon] , een (ex-)werkneemster van eiseres. 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat de termijn waarbinnen het UWV moet beslissen inmiddels voorbij is. Eiseres heeft het UWV op 11 maart 2024 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 13 maart 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan. Eiseres heeft op 18 juni 2025 aan het UWV een brief verzonden, waarin nog een keer wordt gevraagd om een herbeoordeling. De rechtbank beschouwt deze brief als een aanmaning om op het oorspronkelijke verzoek om herbeoordeling te beslissen. Om die reden is het beroep niet onredelijk laat ingediend. Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd? 4. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 22 oktober 2025 uitgelegd dat de beslistermijn is overschreden, omdat de verzekeringsarts nog niet in de gelegenheid is geweest een herbeoordeling te verrichten. Zodra de verzekeringsarts in de gelegenheid is geweest een herbeoordeling te verrichten, zal de beslissing zo spoedig mogelijk worden afgegeven. Het UWV vraagt om een termijn van vier maanden en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Overijssel van 8 oktober 2024 en de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2025. 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd? 5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ; bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. ECLI:NL:RBOVE:2024:5276 en ECLI:NL:RBMNE:2025:41.