Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:1924
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1924 text/xml public 2026-03-20T08:57:12 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-19 C/02/435802 / FA RK 25-2682 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1924 text/html public 2026-03-20T08:55:17 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1924 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-01-2026 / C/02/435802 / FA RK 25-2682 Beoordeling rechtsgeldigheid in Syrië gesloten huwelijk. Gegrondverklaring ontkenning vaderschap naar Nederlands recht (IPR). Aanhouding beslissing gerechtelijke vaststelling vaderschap naar Nederlands recht, om de vermoedelijke biologische vader in de gelegenheid te stellen om de minderjarigen met de toestemming van de moeder te erkennen, dan wel om een DNA-testuitslag over te leggen. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/435802 / FA RK 25-2682 Datum uitspraak: 19 januari 2026 Beschikking over gegrondverklaring ontkenning vaderschap en gerechtelijke vaststelling vaderschap in de zaak van [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. A. Kaynak te Rotterdam. De rechtbank merkt in deze procedure als belanghebbenden aan: de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025, hierna te noemen: [minderjarige 1] , de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025, hierna te noemen: [minderjarige 2] , beide minderjarigen worden vertegenwoordigd door: mr. J.A. SCANLAN , advocaat te Roosendaal, als bijzondere curator over de minderjarigen, hierna te noemen: de bijzondere curator. De rechtbank merkt daarnaast enkel ten aanzien van het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap als belanghebbende aan: [de juridische vader] , hierna te noemen: de juridische vader, wonende op een voor de rechtbank onbekend adres, vermoedelijk in het buitenland. De rechtbank merkt daarnaast enkel ten aanzien van het verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap als belanghebbende aan: [de vermoedelijke biologische vader] , hierna te noemen: de (vermoedelijke) biologische vader, wonende te [woonplaats 2] . 1 Het verdere procesverloop 1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 12 augustus 2025 en alle daarin genoemde stukken; het op 18 augustus 2025 ontvangen bericht van de bijzondere curator; het F9-formulier van 25 augustus 2025 van mr. Kaynak, met bijlagen; het rapport en advies van 1 oktober 2025 van de bijzondere curator; de brief van 8 december 2025 van mr. Kaynak, met bijlage; het F9-formulier van 23 december 2025 van mr. Kaynak, met bijlagen. 1.2. Op 10 december 2025 heeft de rechtbank de verzoeken in deze zaak, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord: de moeder, bijgestaan door mr. Kaynak en telefonisch door [persoon] , tolk in de Syrisch-Arabische taal (met [tolkennummer] ); de bijzondere curator. 1.3. Bij aanvang van de zitting constateert de rechtbank dat de juridische vader niet is verschenen. Nu de juridische vader ten aanzien van het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap is aangemerkt als belanghebbende, dient de rechtbank te controleren of hij correct is opgeroepen voor de zitting. Nu de juridische vader op een voor de rechtbank onbekende plek in vermoedelijk het buitenland verblijft, dient hij door middel van een oproeping in de Staatscourant te worden opgeroepen voor de zitting. Omdat het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap, naar het oordeel van de rechtbank, geen spoedeisend verzoek betreft, dient bij die oproeping een termijn te worden gehanteerd van minimaal drie maanden. Nu de juridische vader op 4 augustus 2025 is opgeroepen via de Staatscourant voor de zitting op 10 december 2025 en daarmee met inachtneming van voormelde driemaandentermijn, stelt de rechtbank vast dat de juridische vader correct is opgeroepen voor de zitting. 1.4. De rechtbank constateert vervolgens dat de (vermoedelijke) biologische vader, die ten aanzien van het verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap is aangemerkt als belanghebbende, ook niet is verschenen. Nu de (vermoedelijke) biologische vader is opgeroepen voor de zitting door middel van een oproeping in voormelde beschikking van 12 augustus 2025, welke is verstuurd naar het adres waarop hij ingeschreven staat in de BRP, stelt de rechtbank vast dat ook hij correct is opgeroepen voor de zitting. 1.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de behandeling van beide verzoeken in deze zaak in afwezigheid van de juridische vader en de (vermoedelijke) biologische vader voortgezet. 2 De nadere beoordeling Inleiding 2.1. Bij voormelde beschikking van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank mr. J.A. Scanlan benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht om schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken in te nemen. 2.2. Aan de orde zijn de verzoeken van de moeder, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat: tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; onder de voorwaarde dat voormeld verzoek wordt toegewezen en deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de (vermoedelijke) biologische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; te gelasten dat de griffier een afschrift van deze beschikking zendt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand op grond van artikel 1:20e lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW); te verstaan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam van de vermoedelijke vader] ” verkrijgen; kosten rechtens. 2.3. Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast: De moeder en de juridische vader zijn op [datum ] 2020 in Turkije met elkaar getrouwd. De moeder is op [geboortedag 1] 2025 bevallen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder en de juridische vader staan als (juridisch) ouders vermeld op de geboorteaktes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder, de (vermoedelijke) biologische vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de Syrische nationaliteit. De juridische vader heeft vermoedelijk ook de Syrische nationaliteit. De moeder, de (vermoedelijke) biologische vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen en hebben hun gewone verplaats in Nederland. De huidige woon- en verblijfplaats van de juridische vader is niet bekend, maar hij verblijft vermoedelijk in het buitenland. De onderbouwing van de verzoeken van de moeder 2.4. Namens en door de moeder is ter onderbouwing van haar verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder en de juridische vader zijn op [datum ] 2020 in Turkije met elkaar getrouwd. Aangezien de moeder zich in Nederland wilde vestigen en de juridische vader dit niet wilde, hebben zij hun relatie op een gegeven moment beëindigd. In 2021 is de moeder, samen met haar kinderen uit een eerder huwelijk, naar Nederland gereisd. De juridische vader is toen in Turkije achtergebleven. De moeder beschikt inmiddels over een Nederlandse asielstatus voor bepaalde tijd (categorie III), afgegeven op 14 september 2021, met geldigheid tot 14 september 2026. Ter zitting heeft de moeder haar verblijfsvergunning getoond aan de rechtbank. In Nederland hebben de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader een relatie met elkaar gekregen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uit deze relatie geboren. Tijdens de zwangerschap zijn de moeder en de (vermoedelijke) juridische vader op grond van Islamitische wetgeving met elkaar getrouwd. De moeder wist dat zij op dat moment getrouwd was met de juridische vader.
Volledig
Aangezien de moeder ervan uitging dat het huwelijk tussen haar en de juridische vader niet in Nederland geregistreerd staat, ging zij ervan uit dat zij zich kon gedragen alsof zij ongehuwd is. Het huwelijk van de moeder en de juridische vader is vermoedelijk ingeschreven doordat de moeder hierover heeft verteld tijdens haar verhoor bij de IND. De moeder heeft sinds haar aankomst in Nederland geen contact meer gehad met de juridische vader. Zij weet niet waar hij momenteel verblijft en zij heeft hem dan ook niet geïnformeerd over het bestaan van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.5. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het huwelijk van de moeder en de juridische vader zijn geboren, is de juridische vader daadwerkelijk hun juridische vader en is het voor de (vermoedelijke) biologische vader niet mogelijk om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te erkennen. De moeder wil graag dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De moeder verzoekt daarom tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de (vermoedelijke) biologische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Voor de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader staat vast dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De moeder vindt een DNA-test daarom niet nodig. Zij heeft bovendien financiële bezwaren daartegen. Indien nodig is de moeder wel bereid om haar medewerking daaraan te verlenen. Hoewel het, als de gegrondverklaring ontkenning vaderschap wordt uitgesproken, voor de (vermoedelijke) juridische vader mogelijk zal zijn om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de toestemming van de moeder te erkennen, hechten de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader meer waarde aan een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Dit omdat een gerechtelijke vaststelling, in tegenstelling tot een erkenning, terugwerkende kracht heeft en enkel kan plaatsvinden als vaststaat dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker is. Dit verschil is van wezenlijk belang in de Syrische cultuur. De moeder vindt het ook van belang dat het juridisch vaderschap van de (vermoedelijke) biologische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] snel tot stand komt vanwege de praktische problemen die zij tot nu toe ervaren met betrekking tot het regelen van allerlei (gezags)zaken over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.6. Als bijlage bij het verzoekschrift is een schriftelijke, door de (vermoedelijke) biologische vader ondertekende verklaring overgelegd waarin hij stelt dat hij de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De (vermoedelijke) biologische vader ondersteunt de verzoeken van de moeder. De ontstane situatie leidt bij hem tot veel verdriet en frustratie. Het rapport en advies van de bijzondere curator 2.7. De bijzondere curator heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De bijzondere curator vindt dat voldoende vaststaat dat de juridische vader niet de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het van belang dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De bijzondere curator adviseert daarom om het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap toe te wijzen. De bijzondere curator vindt wel dat er een DNA-test moet plaatsvinden waaruit blijkt dat de (vermoedelijke) biologische vader inderdaad de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De bijzondere curator begrijpt de bezwaren van de moeder tegen de kosten daarvan, maar benoemt dat er ook goedkopere alternatieven zijn dan een DNA-test via Verilabs. Als uit een DNA-test komt vast te staan dat de (vermoedelijke) biologische vader inderdaad de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, dan adviseert de bijzondere curator om het vaderschap van de (vermoedelijke) biologische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtelijk vast te stellen. Internationaal privaatrecht (IPR) 2.8. Omdat de moeder en de juridische vader op [datum ] 2020 in Turkije met elkaar zijn getrouwd en de moeder, de (vermoedelijke) biologische vader en de minderjarigen de Syrische nationaliteit hebben en de juridische vader vermoedelijk ook de Syrische nationaliteit heeft en hij vermoedelijk in het buitenland verblijft, heeft deze zaak meerdere internationale aspecten. De rechtbank dient daarom ambtshalve per verzoek afzonderlijk vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken, en zo ja, welk recht dan van toepassing is op de verzoeken. Rechtsgeldigheid huwelijk 2.9. Alvorens per verzoek afzonderlijk de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht te bepalen en, naar aanleiding daarvan, de verzoeken inhoudelijk te beoordelen, zal de rechtbank zich hierna uitlaten over de rechtsgeldigheid van het huwelijk tussen de moeder en de juridische vader. Dit omdat het huwelijk van partijen het uitgangspunt vormt voor alle voorliggende verzoeken. 2.10. In artikel 10:31, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig wordt erkend. In het vierde lid van dit artikel staat dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. 2.11. Als bijlage bij voormeld F9-formulier van 23 december 2025 is een kopie van de huwelijksverklaring en een vertaling in de Nederlandse taal daarvan overgelegd, waaruit blijkt dat de moeder en de juridische vader op [datum ] 2020 met elkaar zijn getrouwd. Dit is overeenkomstig hetgeen de moeder heeft verklaard tijdens haar verhoor bij de IND (zo blijkt uit de overgelegde documentatie hiervan) en met wat hierover in de BRP is geregistreerd. Nu voormelde huwelijksverklaring is afgegeven door de daartoe bevoegde Syrische autoriteiten, wordt het huwelijk op grond van lid 4 van voormeld artikel vermoed rechtsgeldig te zijn. Nu niet gebleken noch gesteld is dat in het huwelijk van partijen een rechtsgeldig en op basis van het Nederlands recht erkende echtscheiding is uitgesproken, stelt de rechtbank vast dat de moeder en de juridische vader nu nog steeds met elkaar zijn getrouwd. Internationale bevoegdheid gegrondverklaring ontkenning vaderschap 2.12. Met betrekking tot het verzoek gegrondverklaring ontkenning vaderschap ontleent de rechtbank haar internationale bevoegdheid aan artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat artikel staat dat, met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. 2.13. De rechtbank stelt vast dat de moeder als verzoekende partij en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als belanghebbenden in deze zaak in Nederland wonen en dat zij hier hun gewone verblijfplaats hebben. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van voormeld verzoek en daarover te oordelen en te beslissen. Op grond van artikel 265 Rv is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd, nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun woonplaats in het arrondissement van deze rechtbank hebben. Toepasselijk recht gegrondverklaring ontkenning vaderschap 2.14. In artikel 10:93, eerste lid, BW staat dat, of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 10:92 BW in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door het recht dat volgens artikel 10:92 BW op het bestaan van die betrekking toepasselijk is. 2.15.
Volledig
In artikel 10:92, eerste lid BW staat dat, voor zover hier van belang, of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon of gehuwd geweest zijnde persoon, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van het eerste lid bepalend is het tijdstip van de geboorte van het kind. 2.16. In artikel 10:17 BW staat dat, voor zover thans van belang, de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfvergunning als bedoeld in artikel 28 (verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd) of artikel 33 (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. 2.17. De rechtbank stelt vast, met het oog op de verblijfsvergunning die de moeder ter zitting heeft laten zien, dat de moeder beschikt over een geldige Nederlandse asielstatus voor bepaalde tijd in de zin van voormeld artikel. Dit heeft tot gevolg dat wordt aangeknoopt bij de woonplaats van de moeder, zijnde in Nederland, in plaats van het recht van haar nationaliteit. Dit brengt mee dat de moeder en de juridische vader geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben in de zin van artikel 10:92 lid 1 BW. 2.18. Nu de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] haar gewone verblijfplaats in Nederland had, terwijl de gewone verblijfplaats van de juridische vader vermoedelijk niet in Nederland was gelegen, stelt de rechtbank voorts vast dat zij geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hadden. Dit betekent dat het recht van de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van toepassing is op grond van artikel 10:92 lid 1 BW. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in Nederland geboren en wonen hier nog steeds. De rechtbank stelt derhalve vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Nederland was gelegen op het moment van hun geboorten. Dit betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is op de totstandkoming van de familierechtelijke band tussen de juridische vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.19. Omdat Nederlands recht van toepassing is op de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde persoon, is op basis van artikel 10:93, eerste lid BW, op de vraag of deze familierechtelijke betrekkingen in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, eveneens het Nederlands recht van toepassing. 2.20. De rechtbank heeft tijdens de zitting het toepasselijk recht aan de orde gesteld en zowel de advocaat als de bijzondere curator hebben ingestemd met voormelde beoordeling en conclusie. Ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling gegrondverklaring ontkenning vaderschap 2.21. Op grond van artikel 1:199, onder a BW is de (juridische) vader van een kind de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd. 2.22. Op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, staat vast dat de moeder en de juridische vader op [datum ] 2020 met elkaar zijn getrouwd. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op [geboortedag 1] 2025 zijn geboren in [geboorteplaats 1] , zijn zij beiden geboren tijdens het huwelijk van de moeder en de juridische vader. Dit betekent dat de juridische vader ook daadwerkelijk als juridische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt aangemerkt. 2.23. In artikel 1:200, eerste lid, sub a BW staat dat, voor zover hier van belang, gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap kan worden verzocht door de moeder. In het vijfde lid van dit artikel staat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap door de moeder moet worden ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind. 2.24. De rechtbank stelt vast dat de advocaat het verzoek namens de moeder heeft ingediend op 26 mei 2025. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren op dat moment ongeveer 3,5 maand oud. Daarmee is het verzoek van de moeder binnen een jaar na de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dus tijdig ingediend, met als gevolg dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. 2.25. Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, blijkt dat de moeder en de juridische vader op [datum ] 2020 in Turkije met elkaar zijn getrouwd. In 2021 is de moeder, zonder de juridische vader, naar Nederland gekomen. De moeder en de juridische vader hebben sindsdien geen contact meer met elkaar gehad. Voor zover bekend, is de juridische vader zelfs nooit in Nederland geweest. In Nederland hebben de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader een relatie met elkaar gekregen. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren op [geboortedag 1] 2025. Gebleken is dat de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader zeker weten dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Gelet hierop is de rechtbank, net als de bijzondere curator, van oordeel dat het voldoende is aangetoond dat de juridische vader niet de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan zijn. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder tot gegrondverklaring ontkenning vaderschap op onderstaande wijze toewijzen. Internationale bevoegdheid gerechtelijke vaststelling vaderschap 2.26. Op dezelfde gronden als hiervoor bij de gegrondverklaring ontkenning vaderschap acht de rechtbank zich internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap en daarop te beslissen. Toepasselijk recht gerechtelijke vaststelling vaderschap 2.27. In artikel 10:97 lid 1 BW staat dat, voor zover hier van belang, of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van lid 1 het tijdstip van de indiening van het verzoek bepalend is. 2.28. In artikel 10:17 BW staat, voor zover thans van belang (zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.12 reeds is uiteengezet), dat de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfvergunning als bedoeld in artikel 28 (verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd) of artikel 33 (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, wordt beheerst door het recht van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, door het recht van zijn verblijfplaats. 2.29. Nu de moeder beschikt over een Nederlandse asielstatus voor bepaalde tijd, dient de rechtbank aan te knopen bij de woonplaats van de moeder, zijnde in Nederland, in plaats van het recht van haar nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de (vermoedelijke) biologische vader de Syrische nationaliteit heeft. Als bijlage bij het verzoekschrift is een kopie van zijn Syrische paspoort overgelegd waaruit dit blijkt. Niet gesteld noch gebleken is dat hij ook over een Nederlandse asielstatus beschikt.
Volledig
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de moeder en de juridische vader, voor de toepassing van artikel 10:97 BW, geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben. 2.30. De moeder en de (vermoedelijke) biologische vader hadden op het moment van de indiening van het verzoek wel beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland. Dit betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap. 2.31. De rechtbank heeft tijdens de zitting het toepasselijk recht aan de orde gesteld en zowel de advocaat als de bijzondere curator hebben ingestemd met voormelde beoordeling en conclusie. Ontvankelijkheid en inhoudelijke beoordeling gerechtelijke vaststelling vaderschap 2.32. In artikel 1:207 lid 1 BW staat dat, voor zover hier van belang, het ouderschap van een persoon, op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank kan worden vastgesteld op verzoek van onder andere de moeder, tenzij er sprake is van een of meerdere in lid 2 genoemde situaties. In het derde lid van dit artikel staat dat het verzoek door de moeder wordt ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind. 2.33. De rechtbank stelt vast dat de advocaat het verzoek namens de moeder heeft ingediend op 26 mei 2025. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren op dat moment ongeveer 3,5 maand oud. Daarmee is het verzoek van de moeder binnen een jaar na de geboorte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dus tijdig ingediend, met als gevolg dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. 2.34. De moeder en de (vermoedelijke) biologische vader hebben aangegeven zeker te weten dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De bijzondere curator vindt het, in het belang van de minderjarigen, noodzakelijk dat met een DNA-test wordt vastgesteld dat de (vermoedelijke) biologische vader inderdaad de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. 2.35. De rechtbank overweegt dat zodra de beslissing gegrondverklaring ontkenning vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel zodra de termijn om een hoger beroep in te stellen, is verstreken, dat de (vermoedelijke) biologische vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de toestemming van de moeder kan erkennen. Nu uit de wet volgt dat een gerechtelijke vaststelling ouderschap een ultimum remedium betreft, oftewel dat de gerechtelijke vaststelling enkel kan plaatsvinden indien er geen andere, minder ingrijpende manieren zijn om een familierechtelijke band tussen de (vermoedelijke) biologische vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te creëren, vindt de rechtbank het op dit moment niet passend om over te gaan tot een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De biologische vader heeft immers de mogelijkheid om het kind te erkennen, indien de moeder hiertoe toestemming geeft. Aangezien de biologische vader niet ter zitting is verschenen, kon deze wens niet besproken worden, terwijl de mogelijkheid hiertoe bestaat. 2.36. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing over het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap, en daarmee samenhangend de beslissing over het verzoek betreffende de geslachtsnaam, pro forma aanhouden om de (vermoedelijke) biologische vader in de gelegenheid te stellen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de toestemming van de moeder te erkennen. Omdat de erkenning pas mogelijk is nadat de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in kracht van gewijsde is gegaan, zal de rechtbank de beslissing over de gerechtelijke vaststelling ouderschap pro forma aanhouden voor de duur van vijf maanden, tot de hierna te noemen datum. Zodoende hebben partijen effectief twee maanden de tijd om de erkenning te regelen. Als de moeder en de (vermoedelijke) biologische vader dit niet willen doen of als de erkenning om een andere reden niet tot stand komt én de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap handhaaft, dan acht de rechtbank het van belang dat er eerst een DNA-testuitslag wordt overgelegd waaruit blijkt dat de (vermoedelijke) biologische vader inderdaad de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. 2.37. De rechtbank ziet in dat geval de volgende stappen in het proces. De eerste stap is dat partijen, al dan niet in het bijzijn van de bijzondere curator en/of de advocaat, zelf een DNA-test (laten) uitvoeren via een zelfgekozen aanbieder, waarbij het onderzoek is gericht op het vaststellen van het biologische verwantschap tussen de (vermoedelijke) biologische vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Als na het verstrijken van de hierna te noemen pro forma datum blijkt dat de (vermoedelijke) biologische vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet heeft erkend, dat er geen informele DNA-testuitslag is overgelegd waaruit blijkt dat de (vermoedelijke) biologische vader de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is én dat de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap handhaaft, dan zal de rechtbank overgaan tot het gelasten van een DNA-onderzoek bij Verilabs. De rechtbank zal de beslissing over het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in dat geval pro forma aanhouden in afwachting van de DNA-testuitslag. 2.38. De rechtbank verzoekt aan de advocaat om haar uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum schriftelijk te informeren of de (vermoedelijke) biologische vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels heeft erkend, of partijen inmiddels een DNA-test hebben verricht of hebben laten verrichten (zo ja: onder overlegging van de DNA-testuitslag), of de moeder haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap handhaaft (en zo ja: wat het door de moeder gewenste verdere procesverloop van deze zaak is). Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand 2.39. Op grond van artikel 1:20e lid 1 BW zal de rechtbank deze beschikking toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren, in dit geval de gemeente Tilburg, en die ambtenaar gelasten van deze beschikking betreffende de gegrondverklaring ontkenning vaderschap een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteaktes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.40. Nu de griffier van de rechtbank op grond van voormelde bepaling een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand dient te sturen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de griffier daartoe te gelasten. De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de moeder daarom afwijzen. 2.41. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van de heer [de juridische vader] , geboren op [geboortedag 2] 1994 in [geboorteplaats 2] , Syrië over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2025; 3.2. draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Tilburg om daarin aantekening te doen van deze beschikking; 3.3. wijst het verzoek van de moeder om de griffier te gelasten om een afschrift van deze beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toe te sturen, af; 3.4. houdt de beslissing voor het overige aan in afwachting van schriftelijk bericht van de advocaat over het gewenste verdere procesverloop van deze zaak met betrekking tot het verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap tot dinsdag 16 juni 2026 PRO FORMA , zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.37 is overwogen; 3.5. behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026 door mr. Sumner, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.