Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-16
ECLI:NL:RBZWB:2026:1911
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1911 text/xml public 2026-03-23T16:13:32 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-16 24/8306, 24/8307, 24/8308, 24/8309 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032309 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1911 text/html public 2026-03-23T14:14:57 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1911 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2026 / 24/8306, 24/8307, 24/8308, 24/8309 Inkomstenbelasting, uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, [zaaksnaam], beroepen ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/8306, 24/8307, 24/8308, 24/8309 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 29 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2019 t/m 2022 aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van: 2019 € 43.578 2020 € 43.578 2021 € 43.578 2022 € 44.622 1.2. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 2 juli 2024, ontvangen door de inspecteur op 8 juli 2024, een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB 2019 t/m 2022 gedaan. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand ter zitting verschenen. 1.5. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 14 januari 2026 naar het door belanghebbende opgegeven postadres [postadres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 16 januari 2026 op dat adres is uitgereikt en voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Feiten 2. Belanghebbende woonde in 2019 t/m 2022 in Duitsland. 2.1. Belanghebbende heeft van Stichting Pensioenfonds ABP in totaal € 43.578 (2019), € 43.578 (2020), € 43.578 (2021) en € 44.622 (2022) ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende AOW-uitkeringen van in totaal € 13.746 (2019), € 14.090 (2020), € 14.441 (2021) en € 14.751 (2022) ontvangen. 2.2. Het heffingsrecht over de pensioenuitkering van het ABP is toegewezen aan Nederland en het heffingsrecht over de AOW-uitkering is toegewezen aan Duitsland. 2.3. In Duitsland bedraagt de te betalen belasting in de onderhavige jaren als volgt: 2019 € 511 2020 € 500 2021 € 473 2022 € 516 2.4. Belanghebbende betaalt jaarlijks € 7.200 van zijn ontvangen pensioenuitkering aan zijn ex-echtgenote in Duitsland. 2.5. Belanghebbende heeft een aangifte IB gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van: 2019 € 43.578 2020 € 43.578 2021 € 43.578 2022 € 44.622 2.6. Belanghebbende heeft op 8 juli 2024 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB 2019 t/m 2022 gedaan. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om het aan zijn ex-echtgenote betaalde deel van de pensioenuitkering in aftrek te brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de aftrek van uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen terecht is geweigerd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de aftrek van het aan de ex-echtgenote doorgestorte pensioen terecht is geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3.1. De rechtbank verklaart de beroepen van belanghebbende ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering 4. Belanghebbende stelt dat zijn ex-echtgenote aanspraak kon maken op een onderhoudsverplichting van € 7.200 per jaar. Volgens belanghebbende wordt aftrek in Duitsland geweigerd en dient hij de betaalde onderhoudsverplichtingen in Nederland in aftrek te kunnen brengen. Voorts is de betaalde onderhoudsverplichting volgens belanghebbende bij de ex-partner wel belast en moet daarom de onderhoudsverplichting in Nederland in aftrek worden toegestaan. 4.1. De inspecteur stelt dat de ex-echtgenote van belanghebbende geen zelfstandig vermogensrecht heeft jegens het ABP en daarom het totale ABP-pensioen inkomen vormt voor belanghebbende. De inspecteur stelt voorts dat geen recht op aftrek bestaat van het doorgestorte pensioen vanwege het enkele feit dat het doorgestorte pensioen aan het in Nederland belastbare ABP-pensioen is gekoppeld. Volgens de inspecteur is het internationale uitgangspunt dat een persoonsgebonden aftrekpost in de woonstaat in aftrek moet worden gebracht. Nederland verleent aan belanghebbende als niet-inwoner slechts aftrek wanneer hij kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Daarvan is geen sprake. Ook uit de rechtstreekse toepassing van het Unierecht kan volgens de inspecteur geen gunstigere situatie voor belanghebbende volgen. De inspecteur stelt dat het in Duitsland genoten inkomen van belanghebbende ruim hoger is dan de aldaar geldende belastingvrije som en over dit inkomen belasting is verschuldigd. 4.2. Partijen delen het standpunt dat belanghebbende op basis van de nationale wet geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Als gevolg daarvan houdt Nederland op grond van de nationale wet geen rekening met het aan de ex-echtgenote betaalde onderhoudsverplichting. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of belanghebbende zich bevindt in een zogenoemde [naam 1] -situatie, als bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op grond waarvan Nederland niettemin gehouden is de aftrek van de betaalde onderhoudsverplichtingen toe te staan. 4.3. De rechtbank overweegt dat uit de [naam 1] -rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie. 4.4. In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren. De hiervoor vermelde omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat. Ook als dat laatste niet het geval is, kan onder omstandigheden de werkstaat toch gehouden zijn (gedeeltelijk) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie toe te kennen aan de niet-ingezetene. De nadruk ligt er dan vooral op of de niet-ingezetene weinig inkomsten geniet in zijn woonstaat. 4.5. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet de situatie voor dat belanghebbende in het woonland (Duitsland) een zodanig gering inkomen geniet dat die staat hem niet de voordelen kan toekennen in verband met zijn persoonlijke en gezinssituatie.