Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:1845
Civiel recht
Rekestprocedure
5,783 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1845 text/xml public 2026-03-19T13:59:56 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-11 C/02/422619 FA RK 24-2332 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1845 text/html public 2026-03-19T08:43:21 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1845 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-02-2026 / C/02/422619 FA RK 24-2332 Wijziging zorgregeling en kinderalimentatie. Man failliet verklaard. VTLB. Wet preferentie kinderalimentatie. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/422619 FA RK 24-2332 13 februari 2026 nadere beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. P.S.R.N. Maas, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, [de bewindvoerder] BV, gevestigd te [plaats] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de man, advocaat mr. E.M.A. Leijser. 1. Het verdere procesverloop 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 19 december 2024 en alle daarin vermelde stukken; - het e-mailbericht van de bewindvoerder van de man van 24 maart 2025 met bijlagen; - de brief van mr. Maas van 24 maart 2025 met bijlagen; - het op 12 mei 2025 namens de bewindvoerder van de man ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek (ten aanzien van de kinderalimentatie), met bijlagen; - de op 10 juni 2025 van de vrouw ontvangen reactie op het zelfstandig verzoek van de man. - de brief van mr. Leijser van 4 december 2025 met bijlagen. 1.2. De zaak is behandeld op de nadere zitting van 4 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en haar advocaat en de advocaat van de man en van zijn bewindvoerder. De man is niet verschenen. 1.3. Na te noemen [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, na de zitting alsnog in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De [minderjarige 2] heeft eerder (voor de vorige zitting) een brief geschreven. 2 De beoordeling 2.1. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank, voor zover nodig, het ouderschapsplan gewijzigd als volgt: - bepaald is dat de [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013 haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw; - bepaald is dat de man en de [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar één keer in de twee weken van vrijdag 17:30/18:00 uur tot zondag uiterlijk 19:00 uur en zolang de zwemles op zaterdag is, van zaterdagochtend na de zwemles. De man haalt [minderjarige 1] op bij de vrouw of zorgt ervoor dat [minderjarige 1] bij de vrouw wordt opgehaald, de vrouw haalt [minderjarige 1] op bij de man; - bepaald is dat de man en de [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar één weekend in de vier weken van vrijdag 17:30/18:00 uur tot zondag uiterlijk 19:00 uur. De man haalt [minderjarige 2] op bij de vrouw of zorgt ervoor dat [minderjarige 2] bij de vrouw wordt opgehaald, de vrouw haalt [minderjarige 2] op bij de man; - bepaald is dat beide kinderen met Kerst 2025 bij vader zijn op Tweede Kerstdag 11:00 uur tot en met 31 december 2025. De man haalt de kinderen op bij de vrouw, de vrouw haalt de kinderen op 31 december om 12:00 uur op bij de man; - de behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van bericht van partijen en/of de bewindvoerder van de man met betrekking tot het verloop van de zorgregeling, de hulpverlening en de voortzetting van de procedure, ook ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage; - iedere verdere beslissing is aangehouden. 2.2. Aan de rechtbank liggen nu de volgende verzoeken nog ter beoordeling voor. Het verzoek van de vrouw tot, samengevat, - nadere vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken; - nadere vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 168,= per maand per kind met ingang van 22 mei 2024. Het verzoek van de man tot, samengevat, I. primair: de door hem te betalen kinderbijdrage met ingang van 22 mei 2024 nader vast te stellen op nihil; subsidiair: de door hem te betalen kinderbijdrage met ingang van 22 mei 2024 nader vast te stellen op € 25,= per maand per kind; II. de door hem te betalen kinderbijdrage voor de duur van de WSNP nader vast te stellen op nihil. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken 2.3. De standpunten van partijen zijn op de zitting besproken en toegelicht. Hierbij is gebleken dat inmiddels ook [minderjarige 2] , net als haar broertje [minderjarige 1] , eenmaal per twee weken een weekend naar haar vader gaat en niet meer om de vier weken. Dit verloopt goed. De overdrachten verlopen ook rustig en goed. Beide partijen willen dit daarom handhaven. De man komt de kinderen nu op vrijdag tussen 17.00 en 18.00 uur bij de vrouw ophalen en de vrouw haalt de kinderen op zondag bij de man op; zij hebben dan al gegeten bij de man. De zwemles van [minderjarige 1] is niet meer op zaterdag maar op dinsdag. Verder hebben partijen hulp gevonden bij [hulpverlening 1] . [minderjarige 2] start hier binnenkort met een individueel traject voor haar zelfbeeld en om haar emoties te reguleren en te uiten. 2.4. Met betrekking tot de vakanties en feestdagen zijn partijen het eens over de volgende regeling: - meivakantie: de kinderen verblijven één week bij ene ouder en de andere week bij de andere ouder met als wisselmoment zondag om 18:30 uur; - kerstvakantie: de kinderen verblijven vanaf tweede Kerstdag 11:00 uur tot en met 1 januari 18:30 uur bij de man, met dien verstande dat de jaarwisseling in de even jaren bij de vrouw wordt gevierd waartoe de kinderen dan vanaf 31 december om 12:00 uur bij haar verblijven; - zomervakantie: de kinderen verblijven elk jaar in week 1, 2 en 4 bij de man en in week 3, 5 en 6 bij de vrouw; - alle overige feestdagen worden gevierd bij wie de kinderen volgens de reguliere weekendregeling verblijven tot maandag 18:30 uur; - valt Vaderdag in het weekend dat de kinderen bij de vrouw zijn, dan zijn de kinderen die dag van 11:00 tot 18:30 uur bij de man; - valt Moederdag in het weekend dat de kinderen bij de man zijn, dan zijn de kinderen die dag van 11:00 tot 18:30 bij de vrouw; - verjaardagen van de kinderen: conform de reguliere weekendregeling. Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de voorjaars- en herfstvakantie. De vrouw wenst dat de kinderen in de voorjaarsvakantie in de even jaren bij haar zijn en in de oneven jaren bij de man, aansluitend aan het weekend met wisselmoment op zondag om 19:00 uur en in de herfstvakantie andersom. De man wil in de voorjaars- en herfstvakantie de reguliere contactregeling laten doorlopen. Hij stelt dat hij bij zijn huidige werkgever niet voldoende vakantiedagen heeft om ook die vakantie op te vangen. De rechtbank overweegt dat de man zijn standpunt niet heeft onderbouwd. Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verdeling van de voorjaars- en herfstvakantie wordt daarom toegewezen. 2.5. Tussen partijen is in geschil het halen en brengen van de kinderen. De vrouw stelt dat het voor haar niet realiseerbaar is om de kinderen bij de man op te halen. Zij heeft geen rijbewijs en is afhankelijk van derden voor vervoer. Haar ouders zijn al op leeftijd en kunnen dit niet op zich nemen. Voorheen heeft de man de kinderen gehaald en gebracht. De vrouw is bereid om de man financieel tegemoet te komen voor de brandstofkosten voor het terug brengen van de kinderen. Zij vindt dit een alleszins acceptabele oplossing, te meer nu het de keuze van de man is geweest om op grote(re) afstand te gaan wonen van de kinderen. De man wil het halen en brengen van de kinderen delen. 2.6.
Volledig
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat beide ouders het halen en brengen ieder bij helfte voor hun rekening nemen. In de bezwaren die de vrouw hiertegen heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende reden om hiervan af te wijken. Het feit dat de vrouw (nog) geen rijbewijs heeft, is hiertoe ook niet voldoende. De man is weliswaar verhuisd naar [woonplaats 2] , wat volgens de vrouw een half uur rijden is, maar dit is niet een heel grote afstand van de woning van de vrouw. Daarbij is het ook in het belang van de kinderen dat het halen en brengen evenredig wordt verdeeld en de vrouw hierin een aandeel heeft. Zij toont hiermee de kinderen haar emotionele toestemming om tijd door te brengen met vader. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en dat de vrouw ervoor zorgt dat de kinderen worden opgehaald bij de man. Kinderalimentatie 2.7. De vrouw en de man voeren beiden als grond voor haar en zijn verzoek aan dat sinds de ondertekening van het ouderschapsplan de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij wenst de vrouw een berekening volgens de geldende alimentatienormen; zij stelt dat dit bij de onderhoudsbijdrage die partijen samen zijn overeengekomen, niet is gebeurd. 2.8. In dit verband staat in ieder geval vast dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] is gewijzigd zodat beide kinderen nu hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en dat het inkomen van de man is gewijzigd. 2.9. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan, die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken. 2.10. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Ingangsdatum 2.11. Partijen zijn het erover eens dat de wijziging van de onderhoudsbijdrage ingaat per 22 mei 2024. Behoefte 2.12. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. Tussen partijen staat vast dat voor de bepaling van dat gezinsinkomen wordt uitgegaan van hun inkomens in 2019. Partijen zijn het erover eens dat voor het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw wordt uitgegaan van haar jaaropgaaf 2020 waaruit een inkomen uit Wajong-uitkering blijkt van € 16.180,= bruto per jaar. De vrouw heeft in haar berekening rekening gehouden met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Namens de man is op zitting erkend dat hij in zijn berekening ten onrechte de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting heeft meegenomen, nu de vrouw daarop geen recht heeft met haar Wajong-uitkering. De rechtbank volgt daarom de berekening van de vrouw, waaruit een NBI blijkt van € 1.061,= per maand. Partijen zijn het er ook over eens dat voor het NBI van de man wordt uitgegaan van zijn loon van € 2.568,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De man neemt een toeslag in aanmerking van € 97,= bruto per maand, zijnde de gemiddelde toeslag op basis van drie loonstroken. De rechtbank volgt de man hierin. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies (zoals vermeld op de loonstroken) en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op € 2.117,= per maand. Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 3.178,= per maand. Op grond van dit NBGI bedraagt het kindgebonden budget € 26,= per maand. Het in dit kader relevante NBGI van partijen wordt aldus becijferd op € 3.204,= per maand. Dit NBGI, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 681,= per maand in 2019. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2024 € 805,= per maand, zijnde afgerond € 403,= per maand per kind. 2.13. Het aandeel van partijen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. Draagkracht vrouw 2.14. Partijen zijn het erover eens dat voor het NBI van de vrouw wordt uitgegaan van haar jaaropgaaf 2023 met een inkomen uit Wajong-uitkering van € 18.986,= bruto per jaar. De rechtbank volgt de draagkrachtberekening van de vrouw. Hierin is rekening gehouden met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting, de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en een kindgebonden budget van € 8.352,= op jaarbasis. De vrouw heeft haar NBI aldus becijferd op € 1.973,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 109,= per maand. Draagkracht man 2.15. Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens. 2.16. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft. Vanaf april 2024 heeft hij zichzelf niet meer kunnen verlonen, in juni-juli 2024 had hij geen inkomen en per 1 augustus 2024 ontving hij een bijstandsuitkering. In september 2024 is het beschermingsbewind ingesteld. Zijn inkomensverlies is niet verwijtbaar en ook niet herstelbaar. Hij is in oktober 2024 met spoed aangemeld bij de [hulpverlening 2] en heeft daar intensieve behandelingen gehad. Ter onderbouwing heeft hij een verklaring van 27 februari 2025 overgelegd. Vanuit de gemeente kreeg hij de gelegenheid om dit traject te doorlopen. Hij heeft zijn leven nog niet op orde. Op 7 oktober 2025 is hij persoonlijk failliet verklaard. Zijn bijstandsuitkering is beëindigd. Hij is op 1 november 2025 een nieuwe dienstbetrekking aangegaan. 2.17. De vrouw stelt dat aanvankelijk moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man ter hoogte van zijn eerdere inkomen uit loondienst. Zij voert aan dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies; de man stelt in zijn verweerschrift ook dat hij zonder goed en nader onderzoek het bedrijf waar hij werkzaam was, heeft overgenomen en dat er direct bij aanvang al financiële problemen waren. Op dat moment had de man ervoor kunnen/moeten kiezen om weer in loondienst te gaan werken ter behoud/herstel van zijn inkomen. Het standpunt van de man dat hij in juni-juli 2024 geen inkomen had, strookt niet met het besluit van de gemeente dat hij toen geen recht had op een uitkering omdat zijn inkomsten hoger waren dan de bijstandsnorm. Voor de huidige verdiencapaciteit van de man kan worden uitgegaan van een inkomen van € 2.424,= netto per maand, volgens de overgelegde loonstrook. Daarbij heeft de vrouw haar twijfels over de (hoogte van de) schulden van de man. Die zijn volgens haar ook verwijtbaar en vermijdbaar. Zij verwijst naar de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie en de nieuwe wet preferentie kinderalimentatie. Bij het vrij te laten bedrag (VTLB) moet rekening worden gehouden met de kinderalimentatie. Er is een klemmend tekort aan draagkracht bij partijen. Het ontbreken van stukken en draagkracht moet voor rekening en risico van de man komen, aldus de vrouw. 2.18. De rechtbank stelt vast dat de man geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot zijn inkomen van mei 2024 tot augustus 2024. Hij heeft zijn stelling dat hij zichzelf toen niet kon verlonen, niet onderbouwd. Uit de brief van de gemeente blijkt dat de man op 6 juni 2024 een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, maar dat deze pas per 1 augustus 2024 is toegekend, omdat zijn inkomsten in de maanden juni en juli 2024 hoger zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm.
Volledig
De rechtbank volgt daarom voor de periode vanaf de ingangsdatum 22 mei 2024 tot 1 augustus 2024 de draagkrachtberekening van de vrouw. Hierin is uitgegaan van het oude inkomen van de man van € 2.780,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een toeslag van € 270,= bruto per maand. Er is rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Het NBI van de man is hiermee becijferd op € 2.604,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 387,= per maand. Gelet op het tekort aan gezamenlijke draagkracht kan de man zijn zorgkorting niet (geheel) verzilveren. De rechtbank acht de man in staat om in ieder geval de door de vrouw berekende en verzochte kinderbijdrage van € 168,= per maand per kind te voldoen. Het verzoek van de vrouw zal in zoverre worden toegewezen. 2.19. Per 1 augustus 2024 ontving de man een bijstandsuitkering. Daarbij had de man op dat moment ook al aanzienlijke schulden, zoals naar het oordeel van de rechtbank voldoende blijkt uit het door hem overgelegde overzicht van 9 mei 2025 (productie 6). Dit maakt dat de rechtbank bij de man vanaf 1 augustus 2024 geen draagkracht aanwezig acht. 2.20. Vervolgens acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de man vanaf oktober 2024 tot september 2025 geen arbeidsinkomen had en ook niet kon verwerven in verband met een intensieve ambulante behandeling bij de [hulpverlening 2] . 2.21. Verder staat vast dat de man op 7 oktober 2025 failliet is verklaard. Door dit faillissement heeft hij niet langer de vrije beschikking over zijn inkomen. Sindsdien kan hij slechts beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 van de Faillissementswet (Fw) door de rechter-commissaris vastgestelde VTLB. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag van de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij de rechter-commissaris op de voet van artikel 295 lid 3 Fw aanleiding ziet dat bedrag bij beschikking te verhogen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet worden aangenomen dat een onderhoudsplichtige, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen. Er kan draagkracht zijn, indien het VTLB door de rechter-commissaris op een hoger bedrag is bepaald waarbij rekening wordt gehouden met de alimentatieverplichting. Overeenkomstig de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie bestaat voor een onderhoudsplichtige ouder de mogelijkheid om de rechter-commissaris te verzoeken bij de vaststelling van het VTLB (alsnog) rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. De vrouw stelt, zo begrijpt de rechtbank, dat van de man verwacht kan worden om dit verzoek te doen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. In principe geldt dat het VTLB niet bedoeld is om iemand in staat te stellen aan zijn alimentatieverplichting te voldoen. Hiermee zou kinderalimentatie voorgaan op vorderingen van andere schuldeisers. De rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden waardoor een dergelijk verzoek kans van slagen heeft. 2.22. Het gebrek aan objectieve informatie over de financiële situatie van de man doet overigens niet af aan de conclusie dat de man nu geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Artikel 20 Fw bepaalt namelijk dat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar (hier de man) omvat ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. Dat betekent dat een discussie over de verdiencapaciteit niet relevant is, omdat alles wat de man aan inkomen zou ontvangen in het faillissement valt en de man dat niet kan besteden aan een bijdrage in de kosten van de kinderen. De rechtbank passeert daarom het standpunt van de vrouw. 2.23. Voor wat betreft de stelling van de vrouw over de wet preferentie kinderalimentatie overweegt de rechtbank dat de preferentie van kinderalimentatie niet van invloed is op de berekening van het VTLB. Dit brengt dus ook geen verandering in de situatie van de man, omdat hij alsnog geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. De preferentie ziet op de openstaande schulden. Dit houdt in dat achterstallige kinderalimentatie, dus een alimentatievordering, voorgaat op de overige schulden. Dat is hier niet aan de orde. 2.24. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de kinderalimentatie vanaf 1 augustus 2024 nader vaststellen op nihil. 2.25. Een gescand exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekeningen is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit. Proceskosten 2.26. Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil betrekking heeft op hun beider kinderen zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 3 De beslissing De rechtbank wijzigt voormelde beschikking en het ouderschapsplan, voor zover nodig, als volgt: bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen 1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, 2. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: - eenmaal per twee weken van vrijdag 17:00/18:00 uur tot zondag uiterlijk 19:00 uur, waarbij de kinderen op zondag bij de man hebben gegeten en - een deel van de vakanties en feestdagen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.4, - waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en de vrouw zorg draagt voor het ophalen van de kinderen bij de man; bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen - over de periode van 22 mei 2024 tot 1 augustus 2024 nader wordt vastgesteld op € 168,= (honderdachtenzestig euro) per maand per kind, - met ingang van 1 augustus 2024 nader wordt vastgesteld op nihil; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.