Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:1837
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,299 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1837 text/xml public 2026-03-27T09:00:07 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-20 BRE 25/273 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak bestuurlijke lus NL Breda Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1837 text/html public 2026-03-26T09:35:32 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1837 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-03-2026 / BRE 25/273 Beroep tegen besluit WPG. Tussenuitspraak. Middels een verzoek WPG kan geen toezending van een kopie van het dossier worden afgedwongen. Inzage van het dossier is een persoonlijk recht. De korpschef heeft terecht het verzoek van eiser - om een gemachtigde, geen advocaat mee te nemen - afgewezen. Meerdere gebreken in het besluit. Rechtbank stelt de korpschef via een lus in de gelegenheid de gebreken te herstellen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/273 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de korpschef van politie, gevestigd te Tilburg, korpschef. Procesverloop 1. Eiser heeft op 3 oktober 2024 de korpschef verzocht om hem een afschrift te verstrekken van zijn totale dossier, inclusief de context. Bij besluit van 26 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de korpschef het verzoek gedeeltelijk toegewezen. 1.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. Met de beslissing van 22 mei 2025 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van een deel van de gedingstukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om de geheime stukken te betrekken bij de beoordeling van het beroep. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D.A.M. van Dorst. Tijdens de zitting heeft de korpschef ingestemd met het toevoegen van een stuk aan het dossier, waarna dat stuk aan het beroepsdossier is toegevoegd. 1.4. In de avond na de mondelinge behandeling heeft eiser een wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter ingediend. De procedure is daardoor geschorst. In de beslissing van 6 februari 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en bepaald dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing door de indiening van het wrakingsverzoek. De rechtbank heeft partijen op 11 februari 2026 laten weten dat de nieuwe uitspraakdatum 20 maart 2026 is. Overwegingen Omvang van het geschil 2. De rechtbank beoordeelt of de korpschef in het bestreden besluit in redelijkheid slechts deels aan het verzoek van eiser tegemoet is gekomen. 2.1. De voor de beoordeling relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze tussenuitspraak. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 9 augustus 2024 heeft de politie eiser, zoals gesteld op verzoek van de gemeente Breda, thuis bezocht. Onderwerp van gesprek waren verschillende online-uitingen van eiser, in het bijzonder over onder andere enkele ambtenaren van de gemeente Breda. Eiser ervaart dit huisbezoek als intimiderend. Op 3 oktober 2024 heeft eiser bij de korpschef een verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 25 Wet politiegegevens (Wpg) ingediend. Eiser heeft hierbij een afschrift van zijn totale dossier opgevraagd en heeft aangegeven dat hij bij een inzage op het politiebureau een door hem gekozen deskundige wil meenemen. In het bestreden besluit wijst de korpschef het verzoek gedeeltelijk toe. Voor de verwerking van het verzoek heeft de korpschef een zogenaamde zoekslag toegepast: de zoekslag is gebaseerd op KENO-code ‘ [code] ’ al dan niet in combinatie met zijn volledige achternaam, voorletters en/of geboortedatum. In het bestreden besluit zijn de doorzochte systemen opgenomen. Uit de inventarisatie volgt dat de politie persoonsgegevens van eiser heeft verwerkt in het systeem ‘Bluespot’ en de Service Module. Voor het afgewezen deel van het verzoek verwijst de korpschef naar de weigeringsgronden van artikel 27, eerste lid, sub b en d, van de Wpg. Het verzoek om een afschrift van zijn dossier te verstrekken, wijst de korpschef af. Beroepsgronden 4. Eiser voert in beroep aan dat hij recht heeft op een afschrift van zijn dossier en dat hij zich bij de inzage in zijn verwekte gegevens moet kunnen laten vergezellen door een door hem gekozen derde. Eiser voert ook aan dat de korpschef de zoekslag onvoldoende beschreven heeft, dat niet duidelijk is of de weigeringsgronden goed zijn toegepast en dat niet alle door eiser in het verzoek gestelde vragen beantwoord zijn. Verweer korpschef 5. De korpschef stelt dat een besluit in de zin van artikel 25 Wpg niet bedoeld is om het toesturen van een kopie van het dossier af te dwingen en dat eiser zich bij een inzage alleen door een advocaat-gemachtigde mag laten bijstaan. Volgens de korpschef strekt het verzoek van eiser zich uit over 14 organisatieonderdelen en meer dan 30 systemen. Eiser heeft zijn verzoek niet nader gespecificeerd en daarom heeft de korpschef volstaan met de zoekslag in de basisvoorzieningen BVH, Summ-IT, TCI en TOO. Eiser heeft bij de inzage kunnen zien welke delen van het dossier zijn weggelakt. Hieruit – en ook uit de lay-out van de betreffende documenten – volgt duidelijk genoeg welke weigeringsgrond van toepassing is. Verder zijn alle vragen beantwoord en is eiser duidelijk gemaakt dat het huisbezoek van 9 augustus 2024 aan de gemeente Breda is teruggekoppeld. Beoordeling 6. Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg heeft eiser in beginsel als betrokkene het recht om, na een schriftelijk verzoek daartoe, van de korpschef uitsluitsel te verkrijgen of er van eiser persoonsgegevens zijn verwerkt. En als dat het geval is, heeft eiser ook het recht om die persoonsgegevens in te zien en om geïnformeerd te worden over onder andere de doelen en de rechtsgrond van de verwerking , de betrokken categorieën van politiegegevens en (voor zover beschikbaar) de herkomst van de betreffende politiegegevens . Artikel 27, eerste lid, sub b en d, van de Wpg bepaalt dat een verzoek in de zin van artikel 25, eerste lid, van de Wpg wordt afgewezen als dat een noodzakelijke maatregel is om nadelige gevolgen te vermijden voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (sub b) of ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden (sub d). 6.1. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek om een kopie van zijn dossier te ontvangen. De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) hierover. De AbRS oordeelt dat het verstrekkingenregime van de Wpg uitsluitend betrekking heeft op politiegegevens in de zin van artikel 1, eerste lid, sub a, van de Wpg en niet op de documenten waarin deze zijn vervat. Op grond van de Wpg kunnen dus geen afschriften worden afgedwongen van de documenten waarin de verwerkte politiegegevens zijn opgenomen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. 6.2. Eiser voert in beroep ook aan dat hij zich bij de inzage in zijn gegevens moet kunnen laten bijstaan door een door hem gekozen gemachtigde, ook als dat geen advocaat is. Het recht op inzage van artikel 25 Wpg is een persoonlijk recht. Alleen betrokkene zelf, zijn wettelijk vertegenwoordiger of zijn advocaat aan wie een bijzondere machtiging is verleend, zijn bevoegd om een verzoek tot kennisneming van de over betrokkene verwerkte gegevens te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit te beperken tot het doen van een verzoek, zodat de korpschef dit artikel ook mocht toepassen bij de fysieke inzage van de gegevens. De wetgever beoogt met deze voorwaarde om het personen of instanties onmogelijk te maken om via een omweg de beschikking te krijgen over gegevens van een persoon met wie men een bepaalde relatie heeft of wil aangaan .
Volledig
Bovendien heeft de wetgever in artikel 26, derde lid, van de Wpg expliciet ‘advocaat’ opgenomen in plaats van ‘gemachtigde’. Naar het oordeel van de rechtbank is dit van belang, omdat de positie van een advocaat verschilt van die van een andere gemachtigde. Een advocaat is wettelijk gebonden aan specifiek voor het beroep geldende voorschriften en de Advocatenwet maakt disciplinaire maatregelen mogelijk als een advocaat bijvoorbeeld voor iemand optreedt zonder daartoe opdracht te hebben gekregen . De wens van eiser – om een andere gemachtigde dan een advocaat naar een inzage mee te nemen – doet niet af aan de hiervoor aangehaalde bedoeling van de wetgever . Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat deze weigering voor bepaalde gevoelige informatie begrijpelijk zou kunnen zijn, maar dat dit niet kan gelden voor de nu toegepaste integrale weigering. Wat hier ook van zij, dit is uiteindelijk de bedoeling van de wetgever geweest. Ook deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. 6.3. Over de beroepsgrond dat de korpschef in het bestreden besluit niet alle door eiser aan het verzoek ten grondslag gelegde vragen heeft beantwoord, is de rechtbank van oordeel dat dit wel het geval is. De rechtbank maakt uit het dossier op dat, na het huisbezoek in augustus 2024, een terugkoppeling is gegeven aan de gemeente Breda. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. 6.4. Met de beroepsgrond over de door de korpschef toegepaste zoekslag wenst eiser duidelijkheid te verkrijgen over in welke systemen hij geregistreerd staat. En naar aanleiding van het huisbezoek van de politie in augustus 2024 wenst eiser duidelijkheid te verkrijgen over de informatie die de gemeente aan de politie heeft verstrekt. De korpschef heeft in reactie hierop aangegeven dat het verzoek van eiser omvangrijk is en dat eiser het verzoek (ook na een daartoe gericht verzoek) onvoldoende heeft gespecificeerd. De korpschef heeft daarom volstaan met een zoekslag in een aantal systemen aan de hand van KENO-code ‘ [code] ’, al dan niet in combinatie met de achternaam, de voorletter en de geboortedatum van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef daarmee miskend dat eiser juist gevraagd heeft om hem te helpen om, indien nodig, zijn verzoek te specificeren. Ook heeft hij heel concreet het bezoek van de politie op 9 augustus 2024 genoemd. Als dit inderdaad tot een beperktere zoekslag heeft geleid, is dit dus een zorgvuldigheidsgebrek in het besluit. Daarnaast heeft eiser tijdens de zitting aangegeven dat hij – naast het bij de korpschef ingediende verzoek – ook een vergelijkbaar verzoek bij de gemeente Breda heeft ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft hij van de gemeente Breda een print van enkele interne mailberichten van medio oktober 2023 ontvangen. Eiser heeft dit stuk tijdens de zitting aan de rechtbank overlegd . In het stuk is aangegeven dat de gemeente Breda op 17 oktober 2023 een dossier over eiser bij de politie ingediend heeft. De korpschef maakt hiervan geen enkele melding in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit tenminste de suggestie dat de korpschef over een dossier van de gemeente Breda moet beschikken. De rechtbank heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het hiervoor aangehaalde stuk geen daadwerkelijke mailcorrespondentie betreft. Eiser heeft hiermee voldoende twijfel gezaaid dat de uitwerking van de zoekslag in het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is. Het bestreden besluit bevat dan ook meerdere zorgvuldigheidsgebreken. Verder volgt uit het bestreden besluit onvoldoende duidelijk dat bij de uitwerking van de zoekslag steeds de juiste autorisatieniveaus zijn toegepast. Ook dat beschouwt de rechtbank als een zorgvuldigheids- dan wel motiveringsgebrek. Bovendien heeft de korpschef tijdens de zitting aangegeven dat het verzoek van eiser volledig is afgewezen voor twee stukken op grond van artikel 27, eerste lid, sub b, van de Wpg. Die stukken zijn evenwel niet in het bestreden besluit genoemd, zodat daaraan in het bestreden besluit ook geen weigeringsgrond is gekoppeld. Ook dat is een zorgvuldigheidsgebrek. Aan het bestreden besluit kleven ook motiveringsgebreken. Niet alleen vanwege het voorgaande, maar ook omdat het de rechtbank niet duidelijk is waarom pagina 41 tot en met 44 van de onder geheimhouding toegezonden stukken niet aan eiser ter inzage zijn gegeven. Het gaat hierbij immers om stukken van eiser zelf. Bovendien ontbreekt bij de onder geheimhouding toegezonden stukken per bijlage en per relevante passage een aanduiding van de toegepaste weigeringsgrond, terwijl dat op grond van vaste rechtspraak wel vereist is. De gehanteerde weigeringsgronden van de wel ter inzage gelegde stukken acht de rechtbank wel terecht toegepast. 6.5 Zoals hiervoor is overwogen onder 6.4 is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om korpschef in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet de korpschef: - nagaan of het in overweging 6.4 aangehaalde dossier van de gemeente Breda door de korpschef ontvangen is, en indien dat het geval is, artikel 25 en 27 van de Wpg hier ook op toepassen, - nagaan of de zoekslag beperkter is uitgevoerd, nu de korpschef niet kon stellen dat eiser zijn verzoek onvoldoende heeft gespecificeerd, - motiveren op welke wijze steeds de juiste autorisatieniveaus zijn toegepast bij de uitwerking van de zoekslag, - motiveren waarom van (de informatie in) pagina 34 tot en met 44 van de onder geheimhouding toegezonden stukken geen melding is gemaakt in het bestreden besluit en welke weigeringsgrond volgens de korpschef van toepassing is; - motiveren waarom pagina 34 tot en met 44, waarbij in het bijzonder pagina 41 tot en met 44, van de onder geheimhouding toegezonden stukken niet aan eiser ter inzage zijn gelegd en - bij de onder geheimhouding toegezonden stukken per bijlage en per relevante passage de toegepaste weigeringsgrond aangeven. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de korpschef de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. 6.6. De korpschef moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de korpschef gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de korpschef. In beginsel, ook in de situatie dat de korpschef de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 6.7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt de korpschef op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; - stelt de korpschef in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2026 door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.
Volledig
Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: relevante wet- en regelgeving Wet politiegegevens (Wpg) Artikel 1, sub a, b en c: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. politiegegeven : elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, met uitzondering van: - de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften; - de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 1° en artikel 4, eerste lid, onderdeel f. van de Politiewet 2012; b. persoonsgegeven : alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; c. verwerken van politiegegevens : elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot politiegegevens of een geheel van politiegegevens, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, afschermen of vernietigen van politiegegevens; Artikel 25, eerste lid: 1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. Artikel 26, derde lid: 3. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. De verantwoordelijke kan aan de bijzondere machtiging eisen stellen. Artikel 27, eerste lid, sub b en d, en tweede lid: 1. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, en 28, eerste en tweede lid, wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is: b. ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen; d. ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden; 2. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en bevat de redenen voor de afwijzing. Artikel 29, eerste en tweede lid: 1. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 25 of 28 geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 2. De belanghebbende kan zich binnen de termijn bepaald voor het beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht tot de Autoriteit persoonsgegevens wenden met het verzoek te bemiddelen of te adviseren in zijn geschil met de verwerkingsverantwoordelijke. In dat geval kan in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep nog worden ingesteld nadat de belanghebbende van de Autoriteit persoonsgegevens bericht heeft ontvangen dat de behandeling van de zaak is beëindigd, doch uiterlijk zes weken na dat tijdstip. Artikel 25, eerste lid, sub a, van de Wpg. Artikel 25, eerste lid, sub b, van de Wpg. Artikel 25, eerste lid, sub g, van de Wpg. Onder meer AbRS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2750, AbRS 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3079 en AbRS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2020. Kamerstukken II 1995/1996, 24 797, nr. 3 en AbRS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2023:801 (overweging 4.3). Rechtbank Den Haag 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13919 en Rechtbank Den Haag 9 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19168. Rechtbank Den Haag 16 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17641. Zie ook overweging 1.3.