Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:1836
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
2,018 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1836 text/xml public 2026-03-20T13:17:48 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-11 26/1040 en 26/1041 Uitspraak Mondelinge uitspraak Proces-verbaal Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1836 text/html public 2026-03-20T13:14:30 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1836 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-03-2026 / 26/1040 en 26/1041 Mondelinge (tussen)uitspraak over de intrekking van een uitkering op grond van de Participatiewet en het afwijzen van een aanvraag om bijzondere bijstand. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 26/1040 en 26/1041 proces-verbaal van de mondelinge (tussen)uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening (26/1040) en het beroep (26/1041) in de zaken tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats 1], verzoekers, (gemachtigde: mr. L.L. Ross), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college. Inleiding 1. Bij besluit van 17 december 2025 heeft het college het recht van verzoekers op een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 1 november 2025 ingetrokken en over de periode van 1 november 2025 tot en met 20 november 2025 teruggevorderd. 1.1. Daarnaast heeft het college in een besluit van 19 december 2025 een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van verhuizing, opknappen en bewoonbaar maken van de nieuwe woning, vervoer naar school, bril en haarwerk, afgewezen. 1.2. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 5 februari 2026 (bestreden besluit), waarin het college de twee bezwaarschriften van verzoekers tegen deze besluiten ongegrond heeft verklaard. 1.3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren daar samen met hun gemachtigde bij aanwezig. Namens het college was mr. N.C.J.P. Melsen aanwezig. 1.5. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening. Met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, in samenhang met artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter ook tussenuitspraak gedaan op het beroep. Oordeel van de voorzieningenrechter 2. Verzoekers en hun twee minderjarige kinderen ontvangen sinds mei 2023 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm van de gemeente Tilburg. Sindsdien hebben zij op verschillende adressen gewoond, zowel in als buiten [plaats 2]. In [plaats 2] woonden zij voor het laatst op het [adres]. Deze woning hebben zij na een rechterlijk vonnis per 1 april 2025 moeten verlaten. Verzoekers hebben vervolgens in de gemeente Eersel verbleven op een camping in [plaats 3]. Die moesten ze per 1 november 2025 verlaten. Sindsdien verblijven verzoekers in een caravan in [plaats 1]. 2.1. Het college heeft besloten tot intrekking van de bijstandsuitkering en afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand, omdat verzoekers niet meer in de gemeente [plaats 2] wonen. Het verblijf in [plaats 1] wordt niet meer als tijdelijk beschouwd omdat verzoekers niet naar een woning in [plaats 2] kunnen terugkeren en ook geen uitzicht op woonruimte in [plaats 2] hebben. Intrekking 3. Het gaat in deze zaak met name om de vraag waar verzoekers hun hoofdverblijf hebben. Op grond van de PW is namelijk de gemeente waar zij hun hoofdverblijf hebben verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand. Het bepalen van het hoofdverblijf is vooral afhankelijk van de feitelijke situatie. Op 1 november 2025 woonden verzoekers al ruim een half jaar niet meer in [plaats 2]. Er is ook geen enkel concreet zicht op terugkeer naar [plaats 2] binnen afzienbare termijn. Een sociale binding met [plaats 2] is onvoldoende. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet meer kan worden gesproken van een tijdelijke situatie. Het college stelt dus terecht dat verzoekers geen hoofdverblijf meer hebben in de gemeente Tilburg. Dat is voldoende reden om de uitkering te beëindigen. Het college heeft uit coulance een lange tijd aangenomen dat sprake was van tijdelijkheid. Dat betekent echter niet dat verzoekers daar blijvend recht op uitkering aan kunnen ontlenen. 3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de uitkering van verzoekers echter niet met terugwerkende kracht per 1 november 2025 heeft kunnen intrekken. Verzoekers woonden vanaf april niet meer in [plaats 2] en het college wist al begin november dat zij ook niet meer in [plaats 3] verbleven, maar zag daarin geen aanleiding om de uitkering te beëindigen. Uit het dossier blijkt ook niet dat verzoekers zijn gewezen op die mogelijkheid. Verzoekers hebben pas op 17 december 2025 bericht van het college ontvangen over de intrekking. Onder deze omstandigheden mochten verzoekers erop vertrouwen dat de uitkering doorliep. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom intrekking met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter ziet daarvoor in het dossier ook onvoldoende aanleiding, bijvoorbeeld door schending van de inlichtingenplicht. Terugvordering 4. De voorzieningenrechter constateert dat het besluit van 17 december 2025 geen terug te betalen bedrag bevat, noch een termijn waarbinnen moet worden betaald. Dit betekent dat geen sprake is van een terugvorderingsbesluit. Het college had het bezwaar tegen de terugvordering dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren. Bijzondere bijstand 5. De bijzondere bijstand is afgewezen omdat verzoekers hun hoofdverblijf niet binnen [plaats 2] hadden. De aanvraag dateert echter van voor 17 december 2025. Verzoekers wisten op dat moment niet dat ze van de gemeente [plaats 2] geen bijstand meer konden krijgen. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de intrekking met terugwerkende kracht, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een onjuiste afwijzingsgrond. Bovendien ziet de aanvraag voor een deel op kosten die dateren van voor 1 november 2025, zodat dit voor die kosten sowieso geen juiste afwijzingsgrond is. 5.1. Op zitting heeft het college subsidiaire afwijzingsgronden genoemd (zoals het bestaan van een voorliggende voorziening en het niet vooraf aanvragen), maar die zijn nog onvoldoende uitgekristalliseerd om daar een oordeel over te kunnen geven. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Bestuurlijke lus 6. De rechtbank zal het college in de gelegenheid stellen om binnen vier weken na deze uitspraak de hiervoor geconstateerde gebreken te herstellen. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen. 6.1. Verzoekers krijgen daarna vier weken de gelegenheid om daarop te reageren. 6.2. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Voorlopige voorziening 6.3. Omdat sprake is van grote financiële nood, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het college binnen een week als voorschot aan verzoekers alsnog de uitkering tot 17 december 2025 moeten betalen. Omdat de uitkering tot en met 20 november al was betaald, gaat dit om de periode van 21 november 2025 tot 17 december 2025. Proceskostenvergoeding en griffierecht 6.4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden, dat zij hebben voldaan in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening. Ook moet het college de proceskosten in de voorlopige voorziening vergoeden, te weten 2 punten (verzoekschrift en zitting) à € 934,- = € 1.868,-. 6.5. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.