Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1826
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
2,026 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1826 text/xml public 2026-03-19T12:09:58 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/444095 / KG ZA 26/21 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1826 text/html public 2026-03-19T11:51:28 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1826 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/444095 / KG ZA 26/21 Kort geding over omgangsregeling tussen minderjarige en biologische vader vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444095 / KG ZA 26/21 Vonnis in kort geding van 13 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, eiser, advocaat: mr. T. van Riel te Breda, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, gedaagde, advocaat: mr. M.P.J. Brouwers te Tilburg. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de vorderingen te adviseren. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de conclusie van antwoord van 5 februari 2026. 1.2 Op 9 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereisten. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de voorzieningenrechter gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig om de voorzieningenrechter over de vordering te adviseren. 1.4 De [minderjarige] is naar haar mening gevraagd. Zij heeft op 2 februari 2026 een gesprek gehad met de voorzieningenrechter. 1.5 Ten slotte is (bij vervroeging) vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 De vordering betreft het nu nog minderjarig kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . 2.2 De vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] en [minderjarige] woont bij de vrouw. 2.3 De juridische vader van [minderjarige] is de heer [persoon] . 3 De vordering 3.1 De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat er een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] wordt vastgesteld waarbij de man en [minderjarige] iedere maand gerechtigd zijn tot contact en omgang met elkaar waarbij [minderjarige] van vrijdag na school 16.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft, alsmede iedere twee weken op woensdagmiddag van 16.00 uur tot 19.00 uur; II. te bepalen dat de Raad onderzoek dient te verrichten waarbij de resultaten dienen te worden ingebracht in de nog door de man op te starten bodemprocedure, althans een zodanige beslissing te nemen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen. 3.2 Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De man is ongeveer drie jaar geleden benaderd door de vrouw met de mededeling dat hij de vader is van [minderjarige] . Uit een door partijen uitgevoerd DNA-onderzoek is gebleken dat de man inderdaad de verwekker van [minderjarige] is. [minderjarige] heeft de afgelopen drie jaren frequent contact en omgang met de man gehad, inclusief overnachtingen. Er is daarom sprake van family life tussen de man en [minderjarige] . Sinds eind 2025 heeft de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] verbroken. De man vindt dit niet in het belang van [minderjarige] . De man wil dat er een voorlopige omgangsregeling wordt bepaald. De man woont bij zijn zus. Het is daarom lastig als de vrouw stelt dat de omgang met [minderjarige] niet bij haar mag plaatsvinden. De man is voornemens een bodemprocedure te starten met daarin onder andere verzoeken tot erkenning van [minderjarige] en tot gezag en omgang. 3.3 De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man en concludeert tot afwijzing van die vordering. Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, samengevat, het navolgende aan. Voor de vrouw staat het biologische vaderschap van de man over [minderjarige] vast. De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige] dat er een structureel bestendige omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man komt. Zij stelt voor dat de man omgang heeft met [minderjarige] : iedere woensdag, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en haar naar dansles brengt tot 19.00 uur, en eenmaal per twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 20.00 uur, onder de voorwaarde dat hij [minderjarige] niet meeneemt naar de woning van de zus van de man. De man woont bij deze zus. De vrouw heeft tot op heden met name contact gehad met deze zus en diens partner over de contactmomenten. De verstandhouding met de zus van de man is echter ernstig verstoord. De zus van de man trok het moederschap van de vrouw in twijfel en het lijkt of zij bezig is met dossieropbouw tegen de vrouw. De partner van de zus heeft de vrouw bedreigd. Het vertrouwen in de zus van de man en diens partner is volledig weg. De vrouw heeft met de man nooit problemen gehad. De vrouw heeft bij de man aangegeven dat hij wel omgang met [minderjarige] kan hebben, maar niet bij zijn zus thuis. De man heeft dit ten onrechte opgevat als het stopzetten van de omgangsregeling door de vrouw. De vrouw staat ervoor open als de man met [minderjarige] overnacht bij de moeder van de man. De vrouw betwist de spoedeisendheid van de vordering van de man niet. De vrouw ziet geen noodzaak voor onderzoek door de Raad, maar kan wel instemmen met verwijzing naar de hulpverlening in het kader van het uniform hulpaanbod. 3.4 Op de overige stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering vast. 4.2 De inhoud van het gesprek van [minderjarige] met de voorzieningenrechter is (met haar akkoord) gedeeld met partijen. [minderjarige] heeft in haar gesprek met de voorzieningenrechter aangegeven dat ze het goed vindt om haar vader te zien, maar dat ze liever niet bij hem thuis is. [minderjarige] heef verteld dat de man samen met zijn zus en haar vier kinderen woont. Zij heeft daar geen vaste slaapplek. Ze ervaart dat de andere kinderen worden voorgetrokken. Ze heeft dit tegen haar moeder gezegd. Als haar vader een eigen huis zou hebben, zou dat fijner voor haar zijn. 4.3 Namens de Raad is, kort samengevat, geadviseerd dat ouders bespreken welke mogelijkheden er zijn voor het contact tussen [minderjarige] en de man. De Raad constateert dat partijen elkaar het ouderschap gunnen, maar dat het ingewikkeld wordt als derden zich erin mengen. 4.4 Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt. Partijen hebben afgesproken dat op [datum] 2026 de man van 16.30 uur tot 20.00 uur omgang heeft met [minderjarige] . Daarnaast hebben zij afgesproken dat [minderjarige] van vrijdag 20 februari 2026 rond 16.00 uur tot zondag 22 februari 2026 na het eten bij de man is, waarbij hij in [plaats 1] of bij zijn moeder verblijft. En tenslotte hebben zij afgesproken dat [minderjarige] van vrijdag 6 maart 2026 na school, waarbij zij wordt gebracht door de partner van de vrouw naar de moeder van de man in [plaats 2] , tot zaterdag 7 maart 2026 rond 20.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man of diens familieleden [minderjarige] terug naar de vrouw brengt. Partijen maken over de periode daarna in onderling overleg verdere afspraken.