Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1825
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1825 text/xml public 2026-03-19T15:52:56 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/443903 / JE RK 26-53 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1825 text/html public 2026-03-19T14:06:13 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1825 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/443903 / JE RK 26-53 Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Perrspectief wordt bepaald bij jeugdhulpaanbieder. Minderjarige wil geen contact met vader en moeder verblijft als vluchteling in het buitenland. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443903 / JE RK 26-53 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, waarvan de woon- en verblijfplaats onbekend is bij de rechtbank, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 januari 2026 het bericht van 4 februari 2026 van mr. Gulickx; de brief van 5 februari 2026 van de griffier van de rechtbank; het bericht van [accommodatie] namens [minderjarige] van 13 februari 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; twee vertegenwoordigsters van de GI; een vertegenwoordigster van de Raad. 1.3. Ter zitting was voor de vader een tolk [persoon 1] aanwezig, mw. [persoon 2] . De tolk heeft, vóór het aanvangen van haar taak, op de bij de wet voorgeschreven wijze, de belofte afgelegd dat zij haar taak naar haar geweten zal vervullen. 1.4. Hoewel juist opgeroepen is de moeder niet verschenen. 1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Namens [minderjarige] heeft [accommodatie] hierover een e-mailbericht naar de kinderrechter gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat in het e-mailbericht stond. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft op de zelfstandigheidsplekken van [accommodatie] te [plaats] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 21 februari 2025 tot 21 februari 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank tevens de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 februari 2025 tot 21 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van, naar de rechtbank begrijpt, zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van, naar de rechtbank begrijpt, zes maanden. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat [minderjarige] inmiddels op de zelfstandigheidsplekken van [accommodatie] in [plaats] verblijft. Zij voelt zich daar veilig, is gehecht aan de begeleiding en maakt een overwegend positieve ontwikkeling door. Zij werkt aan het herkennen en bespreken van basisemoties en komt naar de groep voor contact en ondersteuning. [minderjarige] pakt school, stage en werk serieus op. Zij oriënteert zich op een MBO-richting. De psychologische begeleiding is inmiddels gestopt en [minderjarige] geeft aan geen nieuwe hulpverlening nodig te hebben. De afgelopen periode zijn cruciale zaken op gang gebracht, waaronder afstemming over het verblijfsrecht van [minderjarige] . De IND heeft bericht dat hierover na 23 februari 2026 een beslissing volgt. Hoewel het vrijwillig kader op korte termijn passend is, is een korte verlenging van de maatregelen noodzakelijk voor een zorgvuldige overdracht en om de continuïteit van zorg en veiligheid te waarborgen. [minderjarige] vindt de overdracht erg spannend. De komende periode dient de tussenfunctie van [accommodatie] te worden bestendigd zodat de GI een stap terug kan doen en [minderjarige] houvast heeft. Tegelijkertijd wordt de hulpverlening van de vader via [hulpverlening] gecontinueerd. De laatste maanden hebben geleerd dat de ambivalentie bij de vader en zijn beperkte draagkracht om extra regie en borging vragen voordat geheel op vrijwilligheid kan worden vertrouwd. Ook dient de omgang tussen [minderjarige] en haar broertjes en zusjes goed op te gang te komen. De Raad heeft in juni 2025 geadviseerd het perspectief van [minderjarige] bij [accommodatie] te bepalen. [minderjarige] onderschrijft dit advies. Ook wil zij geen contact met de vader en stiefmoeder en wil zij niet dat de vader over haar wordt geïnformeerd. De vader laat zich hier ambivalent over uit, maar werkt op dit moment wel mee. De moeder verblijft in het buitenland. De GI borgt dat het contact niet belastend is voor [minderjarige] en dat de moeder invulling geeft aan haar gezag op afstand. Alles overziend is het in het belang van [minderjarige] dat de huidige veilige woon- en begeleidingssituatie bij [accommodatie] wordt gecontinueerd en dat haar zelfstandigheidstraining doorgaat. De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij [accommodatie] gelegen is en verzoekt de rechtbank om het perspectiefbesluit te bekrachtigen. 4.2. Door en namens de vader is aangevoerd dat de vader de verzoeken ondersteunt. Ook is hij er niet op tegen dat het perspectief van [minderjarige] bij [accommodatie] ligt, al zou hij het liefst willen dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen. De vader betreurt dat hij geen contact heeft met [minderjarige] (en zijn andere dochter). In ieder geval wenst hij over [minderjarige] geïnformeerd te worden. Daarnaast vraagt de vader zich af of het verplicht is dat [minderjarige] contact heeft met haar halfbroertjes- en zusjes. 4.3. Namens [minderjarige] heeft [accommodatie] in voornoemd e-mailbericht bericht dat [minderjarige] het eens is met verzoek. [minderjarige] wil geen contact met de vader en de stiefmoeder en wil nooit meer thuis wonen. 4.4. De Raad adviseert de kinderrechter te bepalen dat het toekomstperspectief van [minderjarige] is gelegen bij de woongroep van [accommodatie] waar [minderjarige] sinds oktober 2023 verblijft. [accommodatie] kan [minderjarige] verder begeleiden richting zelfstandigheid en zelfredzaamheid en ondersteunen bij haar algehele ontwikkeling. Het is ook de wens van [minderjarige] om bij [accommodatie] te blijven wonen tot ze volwassen is. Gedurende de ondertoezichtstelling heeft de vader zich wisselend uitgelaten over het toekomstperspectief van [minderjarige] , maar sinds eind 2024 geeft hij aan de wens te hebben tot contactherstel met [minderjarige] en thuisplaatsing van haar bij hem. Uit het raadsonderzoek is gebleken dat hij ook begrijpt dat hij [minderjarige] daar niet toe kan dwingen. Hoewel ook de moeder de wens heeft om zelf voor [minderjarige] te zorgen, staat zij achter de wens van [minderjarige] om bij [accommodatie] te blijven wonen. 5 De beoordeling Verlenging van de ondertoezichtstelling 5.1.
Volledig
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.2. Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. 5.3. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft in haar leven veel gemaakt en heeft van ver moeten komen. Inmiddels verblijft zij op de zelfstandigheidsplekken van [accommodatie] . Gezien wordt dat zij daar een overwegend positieve ontwikkeling doormaakt. Op afgesproken momenten komt [minderjarige] naar de groep voor contact en ondersteuning. Daarnaast pakt zij school, stage en werk serieus op. De hulpverlening die zij heeft ontvangen, heeft zij als helpend ervaren. De afgelopen periode heeft de GI een aantal praktische zaken opgepakt, zo heeft [minderjarige] een eigen bankrekening, zijn afspraken gemaakt rondom mondzorg en is er voortgang in het regelen van zak- en kleedgeld. 5.5. Hoewel het, gelet op voornoemde, goed gaat met [minderjarige] en de kinderrechter haar vertrouwen in [minderjarige] uitspreekt dat zij zich positief zal blijven ontwikkelen, acht de kinderrechter het van belang dat de ondertoezichtstelling nog wordt verlengd voor de verzochte periode. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij de overdracht naar het vrijwillig kader spannend vindt. De kinderrechter vindt het voor [minderjarige] van belang dat de komende zes maanden worden gebruikt om de tussenfunctie van [accommodatie] te bestendigen. De vader is immers wisselend in de uitoefening van zijn gezagstaken en de moeder verblijft in Ethiopië, waardoor ondersteuning bij de gezagsuitoefening vanuit [accommodatie] en [hulpverlening] nodig blijft. Daar hoort ook bij dat zal worden gekeken naar de omgang tussen [minderjarige] en haar halfbroertjes- en zusjes. Daarnaast is [minderjarige] nog in afwachting van haar verblijfsstatus en dienen daarin eventuele verdere noodzakelijke stappen te worden gezet. Ook moeten er nog een aantal praktische zaken worden geregeld, zoals financiële middelen, bankzaken en medische afspraken. 5.6. Het voorgaande betekent dat de kinderrechter het verzoek van de GI zal toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur. Opgroeiperspectief van [minderjarige] 5.7. Zowel bij de beslissing tot een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing als bij de beslissing of het gezag moet worden beëindigd, is mede bepalend wat voor de minderjarige een aanvaardbare termijn is waarbinnen de ouder(s) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) op zich kunnen nemen. Gedurende de uithuisplaatsing kan de GI tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van de minderjarige elders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. De bedoeling van de wetgever is dat de GI in dat geval overweegt om de rechter te verzoeken over te gaan tot beëindiging van het gezag. 5.8. In de praktijk komt het voor dat niet om beëindiging van het gezag wordt verzocht, ook al wordt wel voldaan aan de gronden daarvoor. Het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige kan ook dan in de praktijk doorwerken, namelijk in de manier waarop de ondertoezichtstelling verder wordt uitgevoerd, onder meer doordat de hulpverlening niet meer gericht wordt op een terugkeer van de minderjarige naar de ouder(s). 5.9. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat de ouder(s) en de minderjarige zijn gediend met inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Het perspectiefbesluit heeft echter als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt daaraan geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Wel mag de rechter een perspectiefbesluit beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van de minderjarige(n). De rechtbank is dan ook bevoegd om zich in het kader van de ondertoezichtstelling of de machtiging tot uithuisplaatsing uit te laten over het door de GI geformuleerde perspectiefbesluit. 5.10. De kinderrechter oordeelt hier als volgt over. De relatie tussen [minderjarige] en de vader is ernstig verstoord door wat er in het verleden is gebeurd. Sinds maart 2023 hebben zij geen contact meer met elkaar. [minderjarige] is hierover heel duidelijk: zij wil geen contactherstel met de vader en de stiefmoeder. De moeder van [minderjarige] is vluchteling en leeft in Ethiopië onder slechte leefomstandigheden. Op dit moment loopt er geen asielprocedure voor de moeder. Dit maakt dat het thans niet mogelijk is dat [minderjarige] bij een van haar ouders verder kan opgroeien naar volwassenheid. Het toekomstperspectief van [minderjarige] ligt dan ook niet langer bij één van de ouders. Sinds oktober 2023 verblijft [minderjarige] op een van de zelfstandigheidsplekken van [accommodatie] in [plaats] . [minderjarige] wordt door [accommodatie] begeleid richting volwassenheid en ontwikkelt zich daar overwegend goed. Het is de wens van [minderjarige] om bij [accommodatie] te blijven wonen en de kinderrechter kan niet anders dan deze wens ondersteunen. Het is in het belang van [minderjarige] dat zij duidelijkheid en rust ervaart over het perspectief dat zij bij [accommodatie] mag opgroeien zodat zij haar positieve ontwikkeling richting zelfstandigheid kan voortzetten. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.11. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 5.12. Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid). 5.13. Gelet op hetgeen hiervoor omtrent het opgroeiperspectief van [minderjarige] is benoemd, is de kinderrechter van oordeel dat het verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] dient te worden voortgezet. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter zal dan ook het verzoek van de GI toewijzen voor de verzochte duur. Uitvoerbaar bij voorraad 5.14. De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 21 februari 2026 tot 21 augustus 2026; 6.2.