Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1821
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,946 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1821 text/xml public 2026-03-19T15:53:28 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 444525 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1821 text/html public 2026-03-19T14:07:07 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1821 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / 444525 ZM na ZM RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/444525 / FA RK 26-495 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking zorgmachtiging op het verzoek van de officier van justitie voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] , Marokko, hierna te noemen betrokkene, wonend in [plaats 1] , verblijvende in [accommodatie] te [plaats 2] , advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat; mevrouw [persoon 1] , verpleegkundig specialist, waarnemend behandelaar; mevrouw [persoon 2] , verpleegkundige. 2 Wat vaststaat 2.1. Door de rechtbank is aan betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 3 maart 2026. 3 Het verzoek 3.1. De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. 4 De standpunten 4.1. Betrokkene geeft tijdens de zitting aan dat hij zichzelf niet ziet als psychisch ziek en daardoor de noodzaak van een behandeling of depotmedicatie niet echt ziet. Hij heeft moeite met verplichte zorg en staat afwijzend tegenover depotmedicatie en daarom wil hij liever orale medicatie gebruiken. Betrokkene wil liever niet stoppen met het gebruik van cannabis omdat hij vindt dat hij hier zelf controle over heeft en daarom zijn leven op eigen wijze kan vormgeven. Volgens betrokkene rookt hij maar af en toe een joint en drinkt dan een klein beetje alcohol. Betrokkene merkt verder nog op dat hij wel bezig is met het verbeteren van zijn gezondheid. Hij loopt nu op een loopband en eet gezonder. 4.2. De advocaat geeft tijdens de zitting aan dat betrokkene worstelt met het accepteren van zijn diagnose en met de verplichting die bij de behandeling komt kijken en dan met name het gebruik van depotmedicatie. Volgens de advocaat is het belangrijk om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wensen van betrokkene en te blijven onderzoeken of behandeling in een minder dwingend kader mogelijk is zolang dit verantwoord blijft. Voor het overige refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3. De waarnemend behandelaar stelt tijdens de zitting dat vrijwillige behandeling bij betrokkene nu niet haalbaar is. Betrokkene erkent zijn psychische problematiek onvoldoende, weigert regelmatig hulp en heeft grote moeite met het accepteren van de depotmedicatie. Dit maakt de behandeling van betrokkene moeilijk. Daarnaast blijft betrokkene cannabis gebruiken wat leidt tot verergering van zijn paranoïde klachten en ontregeling. Hierdoor is er onvoldoende stabiliteit en betrouwbaarheid om de behandeling op vrijwillige basis voort te zetten. 4.4. De verpleegkundige geeft aan dat de behandeling van betrokkene in de praktijk moeizaam verloopt. Betrokkene twijfelt regelmatig aan het nut van zijn medicatie en kondigt met enige regelmaat aan het depot niet te willen hebben vooral in de dagen voorafgaand aan de toediening. Dit leidt tot spanningen en vergt veel begeleiding en overtuiging voordat hij alsnog instemt. Daarnaast ziet de verpleegkundige dat betrokkene bij toename van middelengebruik sneller ontregelt en minder meewerkend wordt aan controles en afspraken. Hierdoor is de vrijwillige medewerking wisselend en onvoldoende stabiel om de behandeling zonder verplicht kader voort te zetten. 5 De beoordeling 5.1. De rechtbank zal de gevraagde machtiging verlenen voor de duur van twaalf maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Bij betrokkene is namelijk sprake van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van middelen. Het ontbreekt betrokkene aan ziektebesef en ziekte-inzicht. 5.3. Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit: - levensgevaar; - ernstig lichamelijk letsel; - ernstige psychische schade; - maatschappelijke teloorgang; - gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen. 5.4. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene vanuit een psychotisch toestandsbeeld vaak in combinatie met middelengebruik ernstig grensoverschrijdend gedrag vertoont dat zich uit in seksuele dreiging en zowel verbale als fysieke agressie. In het verleden is betrokkene veroordeeld voor (een poging tot) verkrachting waarvoor een langdurige tbs-maatregel met dwangverpleging is opgelegd. Bij het niet innemen van medicatie wordt het risico op delictgedrag bij betrokkene als onverminderd hoog ingeschat. Ook in de jaren daarna zijn er meerdere ernstige incidenten geweest met bedreigingen, vernielingen en ontregelend gedrag. 5.5. Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig. 5.6. Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. De rechtbank is van oordeel dat behandeling binnen een vrijwillig kader bij betrokkene nu niet haalbaar is omdat hij zijn psychische stoornis ontkent en de noodzaak van behandeling onvoldoende inziet. Vanuit zijn psychisch toestandsbeeld weigert betrokkene hulp en heeft een duidelijke afkeer van depotmedicatie. Hierdoor verloopt de toediening van de depotmedicatie moeizaam en vergt deze steeds herhaaldelijke overtuiging van de zorg bij betrokkene. Daarnaast is betrokkene niet bereid het cannabisgebruik te staken terwijl dit gebruik leidt tot toename van paranoïde wanen en daarmee tot ontregeling. Hierdoor ontbreekt volgens de rechtbank voldoende duurzame betrouwbaarheid die voor vrijwillige behandeling vereist is. Daarom is verplichte zorg nodig. 5.7. De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn: - het toedienen van medicatie; - het verrichten van medische controles. - onderzoek aan kleding of lichaam; - onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; - controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen. 5.8. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] , Marokko, wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast; 6.2. bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 13 februari 2027 . Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 27 februari 2026. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.