Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1819
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1819 text/xml public 2026-03-19T15:31:28 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/440592 / FA RK 25-5170 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1819 text/html public 2026-03-19T15:31:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1819 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/440592 / FA RK 25-5170 Gezagsbeeindiging ouders. De pleegouders hebben zich bereid verklaard om de voogdij van de minderjarige op zich te nemen. maar de rechtbank acht het het meest in het belang van de minderjarige dat de voogdij wordt belegd bij de GI. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/440592 / FA RK 25-5170 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging in de zaak van RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT , locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [moeder 1] , hierna te noemen [moeder 1] , wonende in [woonplaats 1] , [moeder 2] , hierna te noemen [moeder 2] , wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. D. Marcus uit Goirle, samen te noemen: de ouders, de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING , locatie Amsterdam, hierna te noemen de GI, [de pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.J. Coxon uit Utrecht. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de Raad van 7 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op (eveneens) 7 oktober 2025; de berichten van de Raad van 10 oktober 2025 en 20 oktober 2025 met bijlage; de brief van de GI van 23 januari 2026 met bijlagen. 1.2. Op 29 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: de advocaat van [moeder 2] ; de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat; - een vertegenwoordigster van de Raad; - een vertegenwoordigster van de GI. De ouders zijn, hoewel correct opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is geboren uit de relatie van zijn ouders. De relatie tussen de ouders is voor de geboorte van [minderjarige] geëindigd. 2.2. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] staat sinds 10 augustus 2020 onder toezicht van de GI. Hij woont sinds zijn geboorte, aanvankelijk met zijn beide ouders, bij de pleegouders. Het verblijf van [minderjarige] is bij de pleegouders met ingang van 24 februari 2021 geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 31 juli 2025 tot 10 augustus 2026. 2.4. De GI heeft zich bij brief van 7 oktober 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad heeft, onder verwijzing naar het raadsrapport van 7 oktober 2025, samengevat, geconcludeerd dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd omdat hij niet op zijn ouders kan vertrouwen als ouders die de zorg en verantwoordelijkheid voor hem kunnen dragen. De persoonlijke situatie en/of problematiek van de ouders is al jarenlang een groot punt van aandacht en het lukt de ouders niet om hun eigen leven duurzaam stabiel te houden. De ouders zijn niet in staat om voldoende beschikbaar te zijn voor [minderjarige] en om het gezag adequaat uit te oefenen en hier een betekenisvolle invulling aan te geven. Daarnaast is er al langere tijd geen contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. Het laatste contact met [moeder 2] vond in januari 2024 plaats en met [moeder 1] was het laatste contact in mei 2024. De Raad hoopt dat het de ouders gaat lukken om andere keuzes te maken zodat er in de toekomst weer (een vorm van) contact kan gaan ontstaan tussen [minderjarige] en de ouders. Niet is te verwachten dat de ouders binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn wel in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Er zijn problemen in de hechting en het contact met de ouders, waarbij de eigen problematiek van de ouders hen in de weg staat om beschikbaar en betrokken te zijn bij [minderjarige] . Zij onttrekken zich volledig, spelen al langere tijd geen rol in het leven van [minderjarige] en er wordt geen welwillendheid bij de ouders gezien om dit te veranderen. De pleegouders zijn de primaire hechtingsfiguren voor [minderjarige] en een breuk in de hechtingsrelatie met de pleegouders zal [minderjarige] schaden. Belangrijk is dat er duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] , namelijk dat hij verder zal opgroeien bij zijn pleegouders die liefdevol over [minderjarige] praten, hem het allerbeste gunnen en bij wie [minderjarige] zich positief ontwikkelt. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om hierover onzekerheid te hebben is verstreken. Het is niet meer in het belang van [minderjarige] dat de ouders het gezag over hem blijven uitoefenen. Een gezagsbeëindigende maatregel heeft een ingrijpend karakter, maar is een noodzakelijk geachte maatregel in de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] voor nu en in de toekomst. Gebleken is dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet behaald kunnen worden, ondanks de jarenlange inzet. De Raad heeft er geen vertrouwen in dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Evenmin zijn er mogelijkheden om de hulpverlening plaats te laten vinden in een vrijwillig kader. De situatie is daar te complex, kwetsbaar en onzeker voor. De Raad gunt het [minderjarige] dat hij opgroeit in een situatie die zo natuurlijk mogelijk is, iets wat de voogdij van de pleegouders met zich zou meebrengen. Hoewel de visie van de GI is dat de voogdij over [minderjarige] bij de pleegouders dient te liggen, pleegzorg positief tegenover pleegoudervoogdij staat en de pleegouders wensen om pleegoudervoogdij over [minderjarige] te krijgen, zijn er op dit moment echter nog teveel haken en ogen aan het beleggen van de voogdij over [minderjarige] bij de pleegouders. Er zijn nog belangrijke aandachtspunten, zoals de overbeschermende houding van de pleegmoeder naar [minderjarige] toe, de kwetsbare schoolgang van [minderjarige] alsook het brede (medische) onderzoek dat bij [minderjarige] nog moet plaatsvinden. De grootste zorg van de Raad is echter gelegen in de, tot op heden, verstoorde relatie en complexe dynamiek tussen de ouders en de pleegouders. De Raad twijfelt er niet aan dat de pleegouders open staan voor contact tussen [minderjarige] en zijn ouders en zich daarvoor volledig willen inzetten. De Raad vreest echter dat er vanuit de ouders, wanneer de pleegouders met de voogdij worden belast, geen ruimte meer zal zijn voor toekomstig contactherstel met [minderjarige] . De Raad acht het dan ook belangrijk dat de GI vooralsnog betrokken blijft om vanuit hun neutrale positie, gezamenlijk met de pleegouders en waar mogelijk met de ouders, de belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen en zijn belangen te behartigen, zoals het realiseren van een onbelast en plezierig contact met zijn beide ouders alsook een verbeterde communicatie en samenwerking tussen de ouders en de pleegouders. Dit in de hoop dat er in de toekomst mogelijk andere afwegingen gemaakt kunnen worden met betrekking tot de voogdij van [minderjarige] , zoals pleegoudervoogdij, mocht dit in zijn belang zijn. 4.2. De advocaat van [moeder 2] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [moeder 2] kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van haar gezag en het gezag van [moeder 1] , waarbij de GI wordt belast met de voogdij over [minderjarige] .
Volledig
Het contact tussen [moeder 2] en de pleegouders verliep in het verleden moeizaam. Zij hebben op dit moment helemaal geen contact meer met elkaar. 4.3. De GI heeft aangevoerd dat zij achter het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders staat. Ondanks diverse pogingen, houden beide ouders het contact met [minderjarige] af. Evenmin staan zij open voor het ontvangen van informatie over [minderjarige] . Op dit moment is [moeder 2] beter benaderbaar voor de GI dan [moeder 1] , maar beiden geven aan dat zij vooralsnog geen rol in het leven van [minderjarige] kunnen en willen spelen vanwege hun eigen problematiek. Contact met [minderjarige] en/of enige betrokkenheid in het leven van [minderjarige] vraagt van hen teveel. [minderjarige] woont zijn hele leven al bij de pleegouders, die zijn primaire hechtingsfiguren vormen en hem een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving bieden. Een gezagsbeëindiging past bij het perspectief van [minderjarige] dat niet bij de ouders ligt, maar bij de pleegouders waar hij liefdevol opgroeit. Er is voor [minderjarige] een levensboek opgesteld, waarmee hem duidelijkheid is gegeven over zijn situatie. De GI is bereid om de voogdij over [minderjarige] uit te voeren in geval van een beëindiging van het gezag van de ouders. Anders dan de Raad ziet de GI geen contra-indicaties om de pleegouders met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel pleegzorginstantie William Schrikker Gezinsvormen (hierna WSGV), die begeleiding aan de pleegouders biedt, als de jeugdzorgwerker van de GI staan - zoals blijkt uit de ingebrachte verslagen bij de brief van de GI van 23 januari 2026 - positief tegenover pleegoudervoogdij. [minderjarige] krijgt van zijn pleegouders goede basale en emotionele zorg, loopt geen gevaar in zijn ontwikkeling en laat positieve groei zijn op lichamelijk, sociaal en emotioneel vlak. De pleegouders handelen consistent vanuit zijn belang, tonen leerbaarheid, reflectie en doorzettingsvermogen en zijn in staat om verantwoordelijkheid te dragen voor zijn toekomst. De door de Raad aangehaalde aandachtspunten zijn niet zodanig dat dit pleegoudervoogdij in de weg staat. De schoolgang van [minderjarige] verloopt positief, de pleegouders hebben steeds proactief gehandeld ten aanzien van de gezondheidsklachten van [minderjarige] en daarnaast heeft de pleegmoeder intensief gewerkt aan haar eigen verleden door middel van traumatherapie en EMDR bij de GGZ hetgeen een zichtbaar effect heeft gehad op haar opvoedstijl en het vermogen om [minderjarige] ruimte te geven voor autonomie en identiteitsontwikkeling. Er is een omgangsregeling opgesteld voor de ouders, waarin het belang van [minderjarige] centraal staat en waarin sprake is van een zorgvuldige opbouw en evaluatiemomenten. De pleegouders zijn bereid om aan deze regeling mee te werken wanneer de ouders aangeven het contact met [minderjarige] te willen herstellen. Ook zijn de pleegouders bereid om de ouders te informeren over hoe het met [minderjarige] gaat middels berichten en foto’s op het moment dat daartoe behoefte bestaat bij de ouders. Vanuit het perspectief van het belang van [minderjarige] is het passend en wenselijk dat de pleegouders worden belast met de pleegoudervoogdij. Dit biedt [minderjarige] duidelijkheid, continuïteit en de kans op een zo normaal mogelijk leven binnen het gezin waarin hij zich veilig gehecht heeft en waarin zijn achtergrond wordt erkend en gerespecteerd. Ook in geval van pleegoudervoogdij willen de pleegouders gebruik blijven maken van begeleiding en ondersteuning in het vrijwillig kader en blijft pleegzorginstantie WSGV betrokken. 4.4. Door en namens de pleegouders is aangevoerd dat wanneer besloten wordt tot een gezagsbeëindiging van de ouders, zij de pleegoudervoogdij over [minderjarige] wensen. Er speelt veel problematiek bij beide ouders waardoor de pleegouders van jongs af aan zorg hebben gedragen voor [minderjarige] . De pleegouders houden veel van [minderjarige] en gunnen hem het beste. Zij hebben aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening meegewerkt. [minderjarige] is een vrolijke jongen, die inmiddels bijna volledig naar school gaat. Hij staat op de wachtlijst voor een psychodiagnostisch onderzoek. De pleegouders staan achter dit onderzoek. De pleegmoeder heeft aan zichzelf gewerkt hetgeen haar geholpen heeft in de opvoeding van [minderjarige] . Door middel van een levensboek is aan [minderjarige] uitleg gegeven over zijn situatie. De pleegouders zijn bereid en in staat om blijvend zorg te dragen voor [minderjarige] . Zij zien het belang van contact tussen [minderjarige] en zijn ouders in. De pleegouders staan achter de omgangsregeling die is opgesteld voor de ouders en zijn bereid om hieraan hun medewerking te verlenen. Het lukt de ouders tot op heden echter niet om aan deze regeling uitvoering te geven vanwege de problematiek waarmee zij kampen. Zij houden het contact met [minderjarige] , maar ook met de pleegouders, vooralsnog af. De pleegouders respecteren dit en realiseren zich dat zij het contact niet kunnen afdwingen. Wel vinden zij dit jammer voor [minderjarige] , temeer nu hierin hoogstwaarschijnlijk op korte termijn geen verandering gaat komen. De pleegouders begrijpen de aandachtspunten die de Raad heeft aangehaald, maar zijn met de GI van mening dat dit pleegoudervoogdij niet in de weg zou moeten staan. De pleegouders achten zich in staat om het gezag over [minderjarige] te dragen. Ook in geval van pleegoudervoogdij blijven zij gebruik maken van de begeleiding van pleegzorginstantie WSGV en andere eventueel noodzakelijk geachte hulpverlening. Het belang van [minderjarige] staat voor de pleegouders centraal. 5 De beoordeling 5.1. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige] is gebaseerd op artikel 1:266, eerste lid, en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). 5.2. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. 5.3. Op basis van de voorliggende stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Vanaf zijn geboorte verblijft [minderjarige] , aanvankelijk samen met zijn beide ouders, bij de pleegouders omdat de ouders vanwege complexe persoonlijke problematiek niet in staat waren [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden en een opvoedersrol te vervullen. [minderjarige] is een half jaar na zijn geboorte onder toezicht gesteld. Met ingang van 24 februari 2021 is het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders geformaliseerd met een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat [moeder 2] niet langer haar toestemming gaf voor een verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. De uithuisplaatsing van [minderjarige] is nadien meerdere malen getoetst door de kinderrechter. Daarbij is telkens gebleken dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds aanwezig waren. Het is de beide ouders niet gelukt om een structureel en onbelast contact met [minderjarige] op te bouwen. Zowel [moeder 2] als [moeder 1] hebben in 2024 om hen moverende redenen afstand genomen van [minderjarige] en zijn sindsdien niet meer betrokken in zijn leven. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat niet valt te verwachten dat hierin binnen korte termijn verandering komt aangezien de beide ouders tot op heden aangeven geen rol in het leven van [minderjarige] te kunnen vervullen. Zij houden het contact met [minderjarige] af en wensen ook geen informatie over hem te ontvangen. Het is niet gelukt om hierin gedurende de ondertoezichtstelling verandering te brengen. 5.4.
Volledig
Met de Raad en de GI is de kinderrechter van oordeel dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt en dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. De persoonlijke problematiek van de ouders staat nog steeds op de voorgrond als gevolg waarvan zij niet in staat worden geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, structureel en binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Zij wensen bovendien ook niet met de zorg van [minderjarige] belast te worden. Gebleken is dat de verzorging en opvoeding van [minderjarige] bij de pleegouders in goede handen is. De pleegouders komen tegemoet aan hetgeen [minderjarige] nodig heeft, namelijk het bieden van veiligheid, rust, structuur en voorspelbaarheid. Zij staan bovendien open voor de noodzakelijk geachte hulpverlening voor [minderjarige] en werken daaraan mee. [minderjarige] ontwikkelt zich positief, en heeft met zijn pleegouders een veilige gehechtsheidsrelatie opgebouwd. Hij voelt zich fijn en prettig in het gezin van de pleegouders. 5.5. De rechtbank is van oordeel dat onder bovengenoemde omstandigheden op zichzelf is voldaan aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging, zoals die volgen uit artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW. Gezagsbeëindiging is een verstrekkende en ingrijpende maatregel, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van ouder en kind. Op deze inmenging is artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kan van beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake zijn op het moment dat is gebleken dat voortzetting van de gezagsband schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of voortduring van het gezag van de ouders schadelijk is voor [minderjarige] . 5.6. De rechtbank is van oordeel dat is onderbouwd en gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige] (nog verder) zal worden geschaad als de ouders het gezag zouden behouden. Weliswaar hebben de ouders tot op heden, voor zover op hen een beroep is gedaan, meegewerkt met beslissingen die over [minderjarige] genomen moeten worden door de vereiste toestemming daarvoor te geven, maar geven verder geen invulling aan hun gezag. Het is de GI die, in overleg met de pleegouders, zaken voor [minderjarige] regelt, organiseert en in gang zet. Kennis over de ontwikkeling en behoeften van [minderjarige] ontbreekt bij de ouders vanwege het niet hebben van contact met [minderjarige] en het niet geïnformeerd willen worden over hem. Dit beperkt de ouders in de uitoefening van hun gezag over [minderjarige] in vergaande mate, en maakt dat zij niet in staat zijn om gezagsbeslissingen over [minderjarige] op een gedegen wijze te nemen. Een plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders in het vrijwillig kader is niet mogelijk gezien de verstoorde relatie tussen de ouders en de pleegouders. Bovendien heeft [moeder 2] begin 2021 niet langer haar toestemming gegeven voor een verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat [moeder 2] in het gesprek met de Raad heeft aangegeven het gezag over [minderjarige] liever niet meer te willen dragen. Het is de Raad gedurende zijn onderzoek niet gelukt om met [moeder 1] in contact te komen. 5.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan zowel het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het BW, als aan het criterium van artikel 8 EVRM is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de ouders in het belang van [minderjarige] is. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders zal worden toegewezen. 5.8. Nu de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over hem te benoemen. 5.9. De rechtbank stelt vast dat de pleegouders zich uitdrukkelijk bereid hebben verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. Genoegzaam is gebleken dat de pleegouders in staat zijn om de belangen van [minderjarige] op een adequate wijze te kunnen behartigen. Door de jeugdzorgwerker van de GI en pleegzorginstantie WSGV is bovendien gemotiveerd onderbouwd waarom zij pleegoudervoogdij passend en aangewezen achten. Desondanks volgt de rechtbank de Raad in zijn advies om de voogdij over [minderjarige] vooralsnog bij de GI te beleggen. Daarbij is voor de rechtbank doorslaggevend de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de pleegouders en de problematiek die tussen hen speelt in relatie tot eventueel toekomstig contactherstel tussen [minderjarige] en zijn ouders. Weliswaar heeft de GI een omgangsregeling opgesteld waaraan pas uitvoering kan worden gegeven op het moment dat de ouders open staan voor contact met [minderjarige] , maar dit vereist tegelijkertijd een bepaalde mate van communicatie en samenwerking tussen de ouders en de pleegouders die tot op heden ontbreekt. De rechtbank acht het derhalve van belang dat de GI op dit moment nog betrokken blijft. De GI is neutraal en is vanuit haar deskundigheid en professie toegerust om enerzijds met enige regelmaat bij de ouders na te gaan in hoeverre er bij hen ruimte bestaat om weer betrokken te raken bij [minderjarige] en in welke vorm dit kan zijn, en anderzijds om in te zetten op een verbetering van de verstandhouding tussen de ouders en de pleegouders, althans de mogelijkheden daartoe te onderzoeken. Daarbij overweegt de rechtbank dat pleegzorginstantie WSGV een dergelijke vorm van hulp en/of ondersteuning niet biedt aan de ouders en de pleegouders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benoeming van de GI tot voogdes nu het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij van [minderjarige] op zich te nemen. Wanneer op termijn pleegoudervoogdij tot de mogelijkheden behoort gaat de rechtbank ervan uit dat de GI hierop zal gaan inzetten. 5.10. Deze beslissing tot beëindiging van gezag van ouders betekent niet dat de ouders geen rol meer kunnen spelen in het leven van [minderjarige] . De ouders zullen altijd de ouders van [minderjarige] blijven. Het verlies van het ouderlijk gezag behoeft niet te leiden tot een beperking van het recht op contact met [minderjarige] en omgekeerd. De ouders behouden het recht en de plicht om contact te hebben met [minderjarige] en [minderjarige] heeft onverminderd recht op contact met zijn ouders. Wat daarin mogelijk is kan onder de regie van de GI worden verkend en ingevuld. Er wordt vanuit gegaan dat, wanneer de ouders weer contact willen met [minderjarige] , alle betrokkenen zich zullen inzetten voor een betekenisvolle rol van de ouders in het leven van [minderjarige] , op een wijze die passend is bij de persoon, ontwikkeling en belastbaarheid van [minderjarige] . 5.11. Zoals door de Raad verzocht, zal de rechtbank de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. 5.12. Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, van het BW worden de ouders, als ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, voor zover de ouders het bewind voerden over het vermogen van [minderjarige] , veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind. 5.13. In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit gezagsregisters zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking te sturen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder 1] , geboren op [geboortedag 2] 1998 in [geboorteplaats] en [moeder 2] , geboren op [geboortedag 3] 2000 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ; 6.2.