Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1818
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,668 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1818 text/xml public 2026-03-19T15:41:26 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/443205 / JE RK 25-2268 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1818 text/html public 2026-03-19T15:41:07 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1818 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/443205 / JE RK 25-2268 Machtiging tot uhp. Maatregel voldoet aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Sprake van jarenlange ondertoezichtstelling en hulpverlening komt niet tot stand door onacceptabel gedrag van vader. Mj heeft voorbeeldgedrag nodig. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443205 / JE RK 25-2268 Datum uitspraak: 13 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur , gevestigd te Etten-Leur, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. C.F.A. Cadot, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. E.A.M. Brugman. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025; - het bericht van mr. Cadot met bijlagen van 23 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader met zijn advocaat; - de advocaat van de moeder; - vier vertegenwoordigsters van de GI, waarbij de twee betrokken jeugdbeschermers zijn aangesloten middels een videobelverbinding en twee vertegenwoordigsters van het Landelijk Expertise Team (LET) ter zitting aanwezig waren. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij zijn vader. 2.3. [minderjarige] is, samen met zijn broertje [persoon 1] en zusje [persoon 2] met ingang van 20 juni 2022 onder toezicht gesteld. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 20 juni 2025 tot 20 juni 2026. 2.4. De GI is bij beschikking van 29 februari 2024 gemachtigd om [minderjarige] tot 20 december 2024 uit huis te plaatsen bij de ouder zonder gezag, zijnde de vader. Deze maatregel is steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 2 mei 2025 tot 20 juni 2026. 2.5. [minderjarige] heeft geen contact met zijn moeder. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De GI legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. [minderjarige] woont sinds 15 januari 2023 bij zijn vader. Deze plaatsing vond plaats met voorwaarden, waaronder: het accepteren en samenwerken met hulpverlening die zicht houdt op de thuissituatie; het stimuleren en ondersteunen door vader van hulp en begeleiding voor [minderjarige] ; het regelmatig naar school gaan en hebben van dagbesteding. Er is multisysteemtherapie ingezet om de opvoedsituatie te versterken en zicht te houden op veiligheid en ontwikkeling. Kort na de start is deze hulpverlening beëindigd vanwege conflict en dreiging door de vader richting de betrokken hulpverlener. [minderjarige] volgt momenteel ook geen onderwijs. De onderwijsuitval houdt verband met onveilig en ongepast gedrag van [minderjarige] en het niet nakomen van gemaakte afspraken. De GI heeft al maanden ernstige zorgen, mede omdat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie en structurele samenwerking met de vader uitblijft. De ex-partner van de vader is in juli 2024 vanwege huiselijk geweld bij vader thuis opgenomen geweest in een blijf-van-mijn-lijf-voorziening. [minderjarige] is hierbij wederom getuige geweest van geweld en conflict. Dit vergroot de emotionele onveiligheid en risico op traumatisering en geeft een verkeerd voorbeeld van hoe een relatie eruit ziet. Door herhaalde incidenten op school en het niet nakomen van afspraken heeft de school uiteindelijk besloten over te gaan op thuisonderwijs. Daarover zijn ook afspraken gemaakt, maar door het uitblijven van een gedragsverandering van [minderjarige] neemt het contact steeds verder af. [minderjarige] heeft moeite met het accepteren van gezag en het met respect omgaan met medeleerlingen en medewerkers van de school. De zorgen stapelen zich inmiddels op; er zijn nieuwe zorgmeldingen vanuit meerdere ketenpartners. De GI is eind november 2025 gebeld door de politie dat [minderjarige] opnieuw is aangetroffen op een adres in hetzelfde dorp. Op dit adres woont een 62-jarige man die eerder met ernstige verwondingen in het ziekenhuis is opgenomen, waarbij in de omgeving [minderjarige] en de vader zijn genoemd in relatie tot betrokkenheid bij incidenten. Toen de politie [minderjarige] aantrof op het adres, had de man een bebloede mond. [minderjarige] heeft verklaard dat hij de man heeft geslagen. De man had meerdere verwondingen. [minderjarige] gaf aan dat deze man eerder die week hem ook geslagen had. De politie heeft verder in de woning brandplekjes op de vloer gezien die volgens hun bevestiging door [minderjarige] zouden zijn veroorzaakt. Politie, woningbouw en gemeente uiten ernstige zorgen over de aanwezigheid en het handelen van [minderjarige] bij deze man en geven aan dat [minderjarige] een gevaar vormt voor zichzelf en zijn omgeving. Er zijn bij de GI de afgelopen twee maanden meerdere meldingen binnengekomen van buurtbewoners over vermoedens van drugshandel, vernielingen en intimiderend gedrag richting anderen en deze meldingen nemen de afgelopen twee weken steeds toe. Buurtbewoners geven ook aan dat [minderjarige] regelmatig bij deze 62-jarige man verblijft en overnacht, ruzies en harde bonken worden frequent gehoord wanneer [minderjarige] daar is. De buurt geeft aan dat zij zich onveilig voelen en dat de situatie onhoudbaar is. Vader corrigeert het gedrag van [minderjarige] onvoldoende of ontkent dat het plaatsvindt. Daarbij is vader vaak in [plaats] bij zijn nieuwe partner, waardoor zijn opvoedende aanwezigheid en invloed op [minderjarige] niet inzichtelijk is. Maar ook door het ontbreken van samenwerking met de GI, zorgaanbieders en school is er geen zicht op de situatie en worden geen stappen gemaakt om de situatie te verbeteren. Zowel bij de vader als [minderjarige] is sprake van een beperkt tot afwezig probleembesef. Zowel de oorzaak van de ontstane problemen, als de oplossing wordt volledig buiten henzelf gelegd. De samenwerking tussen de vader en de GI is in de loop van de tijd verder afgenomen vanwege zijn agressieve, intimiderende en bedreigende wijze van communiceren. Het is niet mogelijk om op een fatsoenlijke en constructieve wijze gesprekken te voeren en tot oplossingen of tot samenwerking te komen. Hierdoor is er ook geen zicht op [minderjarige] . Naar het oordeel van de GI is de grens bereikt van wat in de samenwerking met de vader mogelijk is, er is sprake van uitblijvende hulpacceptatie, er zijn conflicten en dreigingen richting hulpverleners en afspraken worden niet nagekomen. Een uithuisplaatsing is noodzakelijk om [minderjarige] rust, voorspelbaarheid, professionele begeleiding en veiligheidskaders te bieden. Het is tevens nodig om in te zetten op agressieregulatie, delictpreventie, trauma en het herstel van de schoolgang.
Volledig
Het perspectief blijft gericht op herstel en, waar mogelijk en veilig, opbouw van contact met de vader en de moeder mits er zicht, samenwerking en hulpacceptatie mogelijk wordt. Tijdens de zitting heeft de GI toegelicht dat er verschillende hulpverleningsorganisaties zijn ingezet, maar deze keer op keer stoppen vanwege het onacceptabele gedrag van de vader. Verder is de GI in overleg geweest met het samenwerkingsverband van de school. Op dit moment lijkt een zogenoemd cluster 4 school het meest passend, aangezien daar meer 1 op 1 begeleiding kan worden gegeven en sprake is van kleine klassen. Zeer recent heeft de GI vernomen dat [minderjarige] terecht kan op de [accommodatie] , zij kunnen hem de behandeling en de school bieden die nodig is voor hem. 4.2. Vader heeft aangegeven het er niet mee eens te zijn door het uiten van ernstige bedreigingen, waaronder doodsbedreigingen richting de GI. Tijdens de zitting is door en namens de vader -samengevat- aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met het verzoek van de GI. Vader is van mening dat het verzoek berust op eenzijdige en deels onjuiste grondslag, dat onvoldoende is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en dat het verzoek bovendien ontbeert een concreet, toetsbaar plan van aanpak, hetgeen een zo ingrijpende maatregel niet kan dragen. 4.3. [minderjarige] is het er evenmin mee eens, hij wil niet weg bij zijn vader. Hij was daarbij emotioneel. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] ook aangegeven dat hij graag weer naar school wil. Ook heeft hij bevestigd dat hij de 62-jarige man geslagen heeft. [minderjarige] is van mening dat hij thuis kan blijven indien hij weer hulp ontvangt van [praktijk] . 4.4. Moeder geeft aan dat zij het lastig en betreurenswaardig vindt voor [minderjarige] , maar zij kan de beslissing van de GI begrijpen. Tot op heden is het niet gelukt om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en wat nodig is om zijn leven weer op de rit te krijgen. Er is al veel hulpverlening ingezet maar het komt niet van de grond. Een uithuisplaatsing is het beste voor hem, hoe vervelend dat ook voor iedereen is. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige] heeft recht op bescherming tegen geweld en verwaarlozing op onderwijs en ontwikkeling. Daarnaast heeft hij een omgeving nodig die zijn veiligheid en welzijn waarborgt. Hij heeft opvoeders nodig die vanuit voorbeeldgedrag een goede basis leggen voor normen, waarden en sociaal gedrag van [minderjarige] . Op dit moment lijkt [minderjarige] aan zijn lot overgelaten te zijn, vanwege het ontbreken van een opvoeder die voorbeeldgedrag toont en beschikbaar is voor [minderjarige] , ook als hij de mist in gaat. Hij lijkt het gedrag van zijn vader te kopiëren, nu hij al vaker getuige is geweest van huiselijk geweld. Dit is geen gedrag waar [minderjarige] een voorbeeld aan kan nemen. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij per direct de kans gaat krijgen om veilig op te groeien en hulpverlening ingezet kan worden zoals door de GI is geopperd om zo een evenwichtig en veilig toekomstperspectief op te kunnen bouwen. De kinderrechter ziet niet in dat een minder ingrijpende maatregel in het belang van [minderjarige] is. Er is al sprake van een jarenlange ondertoezichtstelling waarbij al veel verschillende hulpverleningsorganisaties zijn ingezet. Keer op keer haken deze organisaties af vanwege de agressieve en dreigende houding van de vader. Een samenwerking is niet te bewerkstelligen. Ook de school heeft aangegeven dat er niet met vader samen te werken valt en dat hij [minderjarige] onvoldoende corrigeert op zijn ongepaste gedrag. [minderjarige] leert dan ook niet dat zijn gedrag ongepast is. Zowel ter zitting als tijdens het kindgesprek is de kinderrechter gebleken dat zowel de vader als [minderjarige] niet over enige zelfreflectie of probleembesef beschikken. Voorts heeft de GI, nadat de situatie verslechterde na de zomervakantie, contact gezocht met [praktijk] met de vraag of zij [minderjarige] weer in behandeling konden nemen. [praktijk] heeft echter aangegeven dat zij ‘slechts’ het stukje trauma voor hun rekening konden nemen, hetgeen in de huidige situatie veel te beperkt zou zijn. De GI heeft nadien contact gehad met de school en het samenwerkingsverband om te bezien wat voor [minderjarige] passend zou zijn. Een passende plek is de [accommodatie] , nu ‘normaal’ speciaal onderwijs volgens het samenwerkingsverband niet geschikt is. Reeds bij de aanmelding bij de [accommodatie] zijn doelen opgesteld. De GI heeft ter zitting in ieder geval de volgende doelen opgenoemd: agressieregulatie, schoolhervatting en op welke wijze kan dat bewerkstelligd worden, aanpassing van zijn gedrag en acceptatie van samenwerking met hulpverleners. Dat laatste zal ook gelden voor ouders, alsmede zal er ouderbegeleiding plaats moeten vinden; specifiek gericht op opvoedvaardigheden. Naar het oordeel van de kinderrechter is daarmee volstrekt helder welk plan er ligt en aan welke doelen gewerkt moet worden. Gelet op al het voorgaande is de maatregel van uithuisplaatsing daarmee proportioneel en in overeenstemming met het beginsel van subsidiariteit. De kinderrechter benadrukt dat het tij per direct gekeerd moet worden in het belang van [minderjarige] , mede gelet op zijn nog jonge leeftijd. 5.2. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 februari 2026 tot 20 juni 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.