Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-13
ECLI:NL:RBZWB:2026:1812
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
5,986 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1812 text/xml public 2026-03-19T12:28:27 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-13 C/02/443941 / KG ZA 26/13 Uitspraak Kort geding Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1812 text/html public 2026-03-19T12:13:09 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1812 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-02-2026 / C/02/443941 / KG ZA 26/13 Kort geding over voorlopige zorgregeling en hoofdverblijfplaats vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443941 / KG ZA 26/13 Vonnis in kort geding van 13 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , eiseres in conventie, verweerdster in reconventie, advocaat: mr. F.J. Koningsveld te Breda, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 2] (gemeente Rucphen), gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools te Breda. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de vorderingen te adviseren. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de op 26 januari 2026 ontvangen brief van [minderjarige 1] ; de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie; de brief met bijlagen van mr. Hoetjes (waarnemend voor mr. Koningsveld) van 6 februari 2026; de brief met bijlage van mr. Koningsveld van 6 februari 2026. 1.2 Op 9 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit vereisten. 1.3 Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de voorzieningenrechter gehoord de vrouw, bijgestaan door mr. Z.A. Hoetjes (waarnemend voor mr. Koningsveld), en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren. 1.4 De minderjarige [minderjarige 1] is naar haar mening gevraagd. Zij heeft een briefje naar de voorzieningenrechter gestuurd. 1.5 Ten slotte is (bij vervroeging) vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de nu nog minderjarige kinderen geboren: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: de minderjarigen. 2.2 Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.3 Bij beschikking betreffende de echtscheiding van deze rechtbank van 24 oktober 2018 is, voor zover van belang, bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In dit ouderschapsplan van 15 oktober 2019 hebben partijen onder andere afgesproken dat de minderjarigen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en dat zij de ene week van woensdagavond 18.30 uur tot vrijdagavond 18.30 uur bij de man verblijven en de andere week ook het aansluitende weekend bij de man verblijven tot zondagavond 18.30 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en erkende feestdagen, in onderling overleg te verdelen. Daarnaast is in het ouderschapsplan afgesproken dat de man aan de vrouw maandelijks een bedrag betaald van € 75,= per kind aan kinderalimentatie. 2.4 Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder het zaaknummer: C/02/443805 FA RK 26-124), gericht op hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en nihilstelling van de kinderalimentatie. 3 De vordering in conventie en reconventie 3.1 De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de man te veroordelen om de gemaakte afspraken ter zake de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen na te komen conform het ouderschapsplan van 15 oktober 2019, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag met een maximum van € 20.000,= per dag(deel) dat de man weigert zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de zorgregeling; II. althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter redelijk en juist acht. 3.2 Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. Sinds juli 2025 is de zorgregeling in onderling overleg gewijzigd en is het zwaartepunt van de zorg tijdelijk bij de man komen te liggen, omdat de vrouw een kleine terugval heeft gehad in haar alcoholgebruik en zij destijds onvoldoende in staat was om uitvoering te geven aan de overeengekomen zorgregeling. De vrouw heeft deskundige hulpverlening gezocht om de problematiek te doorbreken. Op psychisch gebied gaat het al een aantal maanden goed met haar. Zij heeft online begeleiding vanuit Novadic Kentron gehad en gaat iedere twee weken naar de praktijkondersteuner van de huisarts. Ze staat daarnaast op de wachtlijst voor de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg. De vrouw heeft momenteel geen relatie met een derde; de contacten met haar voormalige partner zijn verbroken. De vrouw heeft sinds juli 2025 een aantal uur per week op woensdagmiddag contact met de minderjarigen. Het CJG is eerst gestart met begeleide omgang op een neutrale locatie. De omgang is daarna uitgebreid naar begeleide omgang bij de vrouw thuis en is vervolgens afgebouwd naar grotendeels onbegeleide omgang. Het CJG heeft geadviseerd dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan per 1 januari 2026 weer in werking kan treden, mits de vrouw zou zijn gestart met haar traject rondom het alcoholgebruik en daarin zichtbare stappen zou zetten. De arts van de vrouw heeft aan het CJG teruggekoppeld dat het traject daadwerkelijk is begonnen en er al sprake is van zichtbare vooruitgang. Zij heeft onlangs een afspraak gehad bij Novadic Kentron en zal binnenkort het behandelplan ontvangen. De man wil echter niet meewerken aan hervatting van de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling en stelt dat de contacten tussen de minderjarigen en de vrouw gedeeltelijk begeleid moeten blijven. Daarnaast worden de afgesproken twee belmomenten in de week tussen de vrouw en de minderjarigen niet altijd door de man nageleefd. De vrouw is er daar niet mee eens. Door de begeleide omgang is aangetoond dat de vrouw over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikt om toe te werken naar de oude zorgregeling. De vrouw maakt zich ook ernstig zorgen over de opvoedsituatie bij de man. De reisafstand tussen de school en de woonplaats van de man is belastend voor de minderjarigen. De minderjarigen zijn ook regelmatig ziek gemeld en te laat gekomen op school. Bovendien kunnen de minderjarigen hun sociale leven in [plaats] , waaronder het sporten, niet goed uitvoeren. De vrouw maakt zich daarnaast zorgen over de verzorging van de minderjarigen door de man. Inmiddels zal binnenkort [hulpverlening] starten en zullen de kinderen daar het hulpverleningstraject ROTS gaan volgen. Deze hulpverlening kan echter niet worden afgewacht. Doordat de man niet meewerkt aan uitbreiding van de zorgregeling heeft het CJG aangegeven dat de huidige afspraken worden voortgezet. De vrouw heeft daarom spoedeisend belang bij een beslissing over de zorgregeling door de voorzieningenrechter. Zij begrijpt dat er niet direct teruggegaan kan worden naar de zorgregeling in het ouderschapsplan, maar zij vindt het belangrijk voor de minderjarigen dat het contact met haar wordt uitgebreid. 3.3 De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. 3.4 In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. het hoofdverblijf van de minderjarigen voorlopig te bepalen bij de man; II.
Volledig
te bepalen dat de vrouw en de minderjarigen voorlopig gerechtigd zijn tot contact met elkaar wekelijks op woensdag direct uit school tot 17.00 uur, waarbij deze contactmomenten door een door partijen aan te wijzen persoon uit het netwerk van de vrouw zullen worden begeleid; III. te bepalen dat de man voorlopig niet gehouden zal zijn om de bij het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen (kinderalimentatie) aan de vrouw te voldoen en wel met ingang van 1 november 2025, althans de betalingsverplichting van de man jegens de vrouw in dat kader met ingang van voormelde datum op te schorten, in afwachting van een beslissing in de bodemprocedure op dit punt; IV. partijen voor hulpverlening (van o.a. [hulpverlening] ) te verwijzen naar het uniform hulpaanbod van de samenwerkende gemeenten en te bepalen dat de resultaten van het UHA zullen worden ingebracht in de reeds bij uw rechtbank aanhangig gemaakte bodemprocedure met zaakkenmerk C/02/443805 FA RK 26-124. 3.5 Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen voert de man, samengevat, het navolgende aan. De minderjarigen verblijven sinds 20 juli 2025 bij de man. De zorgen over de situatie bij de vrouw zijn niet alleen gelegen in de alcoholverslaving van de vrouw, maar ook in de (vermoedens van) fysieke mishandeling van de minderjarigen door de toenmalige partner van de vrouw en (vermoedens van) huiselijk geweld tussen de vrouw en haar toenmalige partner, waarvan de minderjarigen getuige zijn geweest. Het is de man gebleken dat de vrouw al jaren met een alcoholverslaving kampte op het moment dat de man daarover werd geïnformeerd. Zij heeft deze informatie verzwegen en de man heeft dit moeten vernemen van familieleden van de vrouw. De zorgen over de alcoholverslaving van de vrouw zijn bij de man nog onverminderd groot, vooral omdat de vrouw dit probleem bagatelliseert en kleiner maakt dan het is. De man heeft van mensen uit de omgeving vernomen dat de vrouw niet gestopt is met het drinken van alcohol. Ook heeft de man in een gedeelde agenda gezien dat de vrouw het weggooien van lege flessen in november 2025 had geagendeerd. De vrouw is aangemeld bij Novadic Kentron, maar het fysieke intakegesprek moet begin februari 2026 nog plaatsvinden. De vrouw heeft geweigerd informatie aan de man te verstrekken wat de online begeleiding van Novadic Kentron zou inhouden. Uit de gedeelde agenda heeft de man daarnaast opgemaakt dat de vrouw sinds oktober 2025 slechts eens per vier weken een afspraak met de praktijkondersteuner heeft. De man heeft ook geen concrete informatie over wat de aard van deze hulpverlening is. De vrouw zou medicatie gebruiken die zij zelf omschrijft als ‘kalmeringsmiddelen’. Ook daarover verstrekt de vrouw geen openheid. De man heeft ook nog zorgen over de psychische gezondheid van de vrouw. De vrouw heeft in het laatste gezamenlijke gesprek met het CJG en op 23 december 2025 aan de partner van de man nog medegedeeld dat het nog helemaal niet goed ging met haar. Het gebrek aan openheid en eerlijkheid aan de zijde van de vrouw is een probleem voor de man. De man heeft er geen vertrouwen in dat de vrouw de man in de toekomst wel zal informeren bij een volgende crisis en dat zij dan de belangen van de minderjarigen voorop zal zetten. De man heeft er ook geen vertrouwen in dat de vrouw eerlijk is over haar relatiestatus, omdat zij al eerder onjuiste informatie hierover heeft verstrekt. De man heeft zorgen over mogelijk contact tussen de vrouw en haar toenmalige partner. De minderjarigen zijn slachtoffer geweest van huiselijk geweld en de vrouw is eerder niet in staat geweest de kinderen voldoende bescherming te bieden. Het CJG heeft niet (altijd) een juist en volledig beeld gehad van de situatie van de vrouw en de status van de door haar ingezette hulpverlening. De vrouw heeft meerdere keren bewust onjuiste of onvolledige informatie over haar persoonlijke situatie aan het CJG verstrekt, maar het CJG heeft de zorgen van de man hierover genegeerd. Partijen zijn door het CJG na de zomervakantie aangemeld bij [hulpverlening] voor verdere hulpverlening voor henzelf en de minderjarigen. Dit traject zal in februari 2026 starten. Het zal gaan om individuele gesprekken met de ouders, daarna groepsgesprekken met gelijkgestemden en vervolgens gesprekken tussen de ouders. Daarnaast komt er een kindbehartiger voor de minderjarigen. De man heeft bij het CJG aangegeven dat er onvoldoende basis is om voor de start van dit hulpverleningstraject al tot uitbreiding van de wekelijks begeleide contactmomenten te komen. Binnen de kaders van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] kan er volgens de man op zorgvuldige wijze worden bepaald of de zorgen rondom de situatie van de vrouw daadwerkelijk in voldoende mate zijn afgenomen om tot onbegeleid contact te kunnen komen en kan tevens worden afgestemd op welke wijze er in de toekomst door partijen zal worden omgegaan met een eventuele terugval. De man acht een spoedige hervatting van de oorspronkelijke zorgregeling niet in het belang van de minderjarigen. De man mist bij de vrouw inzicht in de impact die alle zorgen en incidenten hebben gehad op de minderjarigen. De nodige zorgvuldigheid dient te worden betracht bij de hervatting van de zorgregeling. De man gunt de minderjarigen en de vrouw dat de problemen waarmee zij kampt bestendig het hoofd weet te bieden. De man werkt wel mee aan het laten plaatsvinden van structureel contact en telefonisch contact tussen de vrouw en de minderjarigen. De begeleiding van de omgang wordt op dit moment uitgevoerd door de buurvrouw van de vrouw. De man staat wel open voor enige uitbreiding van de huidige regeling. De man deelt de zorgen van de vrouw over de opvoedsituatie bij hem niet en hij begrijpt niet op welke wijze deze beschuldigingen kunnen bijdragen een verbetering van de verstandhouding tussen hen. De man wil niet als tegenpartij gezien worden, maar als oplossing in het belang van de minderjarigen. De man heeft bij verzoekschrift van 9 januari 2026 een verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarigen, wijziging van de zorgregeling en wijziging van de kinderalimentatie ingediend bij de rechtbank, alsmede om partijen te verwijzen naar het uniform hulpaanbod voor hulpverlening. Aangezien de man reeds maanden de volledige zorg over de minderjarigen en ook alle kosten draagt, betaalt hij sinds 1 november 2025 geen kinderalimentatie meer. De man heeft spoedeisend belang bij zijn vorderingen gezien voormelde situatie. 3.6 Op de overige stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van de vorderingen, ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1 Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de partijen hun vorderingen vast. 4.2 De voorzieningenrechter heeft een briefje ontvangen van [minderjarige 1] . Hierin heeft zij, kort samengevat, aangegeven dat zij meer naar haar moeder wil, dat zij bij haar wil slapen en eten en met haar leuke dingen wil doen. Ze wil vier dagen bij haar moeder en drie dagen bij haar vader zijn. 4.3 Namens de Raad is, kort samengevat, geadviseerd om het ingezette traject bij [hulpverlening] via het uniform hulpaanbod te laten verlopen. Er is te veel gebeurd om de minderjarigen weer bij de vrouw te laten wonen, maar de Raad adviseert de ouders om samen te bekijken welke mogelijkheden er wel zijn in het contact tussen de minderjarigen en de vrouw. 4.4 Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.5 Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de uitbreiding van de zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarigen. Partijen zijn overeengekomen dat de minderjarigen voortaan op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 19.00 uur (met avondeten) en op vrijdagmiddag van 14.45 uur (uit school) tot 20.00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de man de minderjarigen bij de vrouw ophaalt.
Volledig
Tijdens aankomende carnavalsvakantie zullen de minderjarigen op dinsdag 17 februari en woensdag 18 februari 2026 van 12.30 uur tot 19.00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de man de minderjarigen brengt en ophaalt. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, zal de voorzieningenrechter voormelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen dienovereenkomstig op onderstaande wijze voorlopig vaststellen. Partijen hebben daarnaast besproken dat in het traject bij [hulpverlening] de uitbreiding in het weekend het eerste gespreksonderwerp zal zijn. 4.6 De voorzieningenrechter zal bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen voorlopig bij de man zal worden vastgesteld. Aangezien de minderjarigen al reeds maanden bij de man verblijven, zal de voorzieningenrechter daarnaast bepalen dat met ingang van 1 november 2025 de man voorlopig niet gehouden zal zijn om de bij het ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen (kinderalimentatie) aan de vrouw te voldoen. Tijdens de zitting is besproken dat na inschrijving van de minderjarigen op het adres van de man hij de kinderbijslag en (mogelijk) het kindgebonden budget zal ontvangen, hetgeen tot gevolg heeft dat hij dan de kosten van de minderjarigen op zich moet nemen, bijvoorbeeld ook de overblijfkosten die de vrouw nu betaalt. 4.7 De voorzieningenrechter zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. 4.8 Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en de minderjarigen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West (de woonplaats van de man, gezien de voorlopige hoofdverblijfplaats bij hem). De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en de minderjarigen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat partijen reeds aangemeld zijn bij [hulpverlening] en een hulpverleningstraject voor partijen en de minderjarigen daar ophanden staat. Het is geenszins de bedoeling om met deze verwijzing dit hulpverleningstraject te doorkruisen. De verwijzing is bedoeld om dit hulpverleningstraject binnen het UHA te monitoren. 4.9 De verwijzing heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Dit vonnis geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.10 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.11 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ( [hulpverlening] ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie); - de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind. De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is meegestuurd met de verwijzing op 9 februari 2026. 4.12 Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. 4.13 Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/443805 FA RK 26-124. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject waarbij zoals hier wordt ingezet op onbelast contact wordt standaard een termijn van 9 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum , of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 4.14 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de minderjarigen. 4.15 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.16 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.17 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de hierboven vermelde bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? - In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? - Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? - In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? - Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? 4.18 Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.19 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.