Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1811
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,016 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1811 text/xml public 2026-03-19T15:02:56 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/442129 / JE RK 25-2056 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1811 text/html public 2026-03-19T09:50:44 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1811 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/442129 / JE RK 25-2056 Toewijzen restant verzoek gesloten plaatsing gemeente tilburg RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/442129 / JE RK 25-2056 Datum uitspraak: 12 februari 2026 Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging uithuisplaatsing in de zaak van Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG, gevestigd te Tilburg hierna te noemen het college over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [minderjarige] , voornoemd [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] . De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan: de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het (nadere) verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - De beschikking van de kinderrechter van 9 december 2025 met alle daarin genoemde relevante stukken; - de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 27 januari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: - [minderjarige] , die ook apart is gehoord, met zijn advocaat en een begeleider vanuit [hulpverlening] ; - de moeder met haar advocaat en met ondersteuning van een tolk (telefonisch) in de taal Tigrinya; - een vertegenwoordiger van de Raad; twee vertegenwoordigers van het college; twee vertegenwoordigers van de GI. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft op basis van een machtiging gesloten jeugdhulp gegeven door deze kinderrechter bij beschikking van 9 december 2025 met nummer C/02/442461 / JE RK 25-2115 en C/02/442129 / JE RK 25-2056 bij [hulpverlening] tot 16 februari 2026. 3 Het resterende verzoek 3.1. Het college heeft verzocht om een machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden. Dit verzoek is bij beschikking van 9 december 2025 toegewezen tot 16 februari 2026 en voor het restant aangehouden tot de zitting van heden. 4 De standpunten 4.1. Het college is bij het standpunt gebleven dat [minderjarige] voor het restant gesloten geplaatst moet blijven en is verheugd dat iedereen daarmee akkoord is. 4.2. Door en namens [minderjarige] is aangevoerd dat hij inmiddels op zijn plek zit bij [hulpverlening] in [plaats] en zich echt thuis voelt. Het contact met de moeder gaat beter. [minderjarige] accepteert de hulp die hem geboden wordt. Wel maakt de advocaat zich zorgen over de strafzaak die in april 2026 bij de kinderrechter wordt behandeld. 4.3. Door en namens de moeder wordt gesteld dat de plaatsing [minderjarige] goed doet. De moeder staat achter een gesloten plaatsing voor de duur van drie maanden maar maakt zich zorgen over het kunnen weglopen van [minderjarige] . De moeder wil dat [minderjarige] kan blijven op de huidige locatie. De moeder accepteert de hulpverlening die haar geboden wordt en heeft dat in het verleden ook steeds gedaan. 4.4. Namens GI is aangevoerd dat zowel de moeder als [minderjarige] na de gesloten plaatsing kunnen worden ondersteund en er in tussentijd kan worden nagedacht over waar [minderjarige] later moet verblijven, welke hulpverlening passend is en hoe het kan worden geregeld dat het goed blijft gaan. 4.5. De Raad staat achter een gesloten plaatsing, maar vreest dat er toegewerkt wordt naar een te snelle afronding van de gesloten plaatsing. Er is bij de Raad onvoldoende vertrouwen of het in het vrijwillig kader goed blijft lopen als de gesloten plaatsing is afgerond. De instemming van de moeder met de hulpverlening is niet zeker omdat [minderjarige] soms een emotioneel beroep doet op de moeder. 5 De beoordeling 5.1. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de hulp die de jeugdige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarnaast moet niet zijn gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de zorgen over [minderjarige] groot zijn. Hij komt op zeer jonge leeftijd al veelvuldig in aanraking met de politie, gebruikt drugs, trekt volledig zijn eigen plan en loopt weg bij zowel de moeder als op de groepen waar hij verblijft. Er was vaak sprake van conflicten tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft geen grip meer op hem dat lukt haar niet meer om hem zelf te ondersteunen en te begrenzen in zijn gedrag. [minderjarige] heeft MST gekregen maar dit heeft onvoldoende geholpen. De kinderrechter wijst ook op hetgeen is opgenomen in de beschikking van 9 december 2025. 5.3. Ook de gedragsdeskundige heeft geconcludeerd dat de inzet van vrijwillige hulpverlening onvoldoende heeft geleid tot duurzame verbetering. [minderjarige] bleef zich onttrekken aan afspraken, begeleiding en toezicht en ook binnen de huidige gesloten setting liep hij weg. [minderjarige] is nog onvoldoende in staat om hulp en begrenzing vast te houden zonder een stevig en voorspelbaar kader. Dit gedrag wordt versterkt door zijn cognitieve beperkingen, zijn beïnvloedbaarheid door leeftijdsgenoten en het ontbreken van een stabiele, corrigerende omgeving waarin hij zich veilig kan ontwikkelen. De combinatie van structureel normoverschrijdend gedrag, herhaald weglopen, beperkt probleeminzicht, beïnvloedbaarheid, cognitieve beperkingen en een lange geschiedenis van onvoldoende effectieve vrijwillige hulp maakt dat verlening van intensieve jeugdhulp noodzakelijk is. 5.4. Sinds het verblijf van [minderjarige] bij [hulpverlening] zijn er weliswaar positieve ontwikkelingen zichtbaar in gedrag en contact, maar deze ontwikkelingen zijn nog pril en sterk afhankelijk van externe structuur en begrenzing. De gedragsdeskundige heeft gekeken naar de ernst en complexiteit van de problematiek kwetsbaarheid van [minderjarige] , de noodzaak tot verdere stabilisatie en het belang van perspectief en stemt daarom in met een gesloten plaatsing voor de duur van drie maanden. 5.5. De kinderrechter heeft eveneens gemerkt dat [minderjarige] sinds de vorige mondelinge behandeling zijn medewerking nu wel verleent. Hij is tevreden met zijn verblijf bij [hulpverlening] , hij loopt sinds kort niet weg en werkt mee aan de hulpverlening die hem geboden wordt bij [hulpverlening] en ook het contact met de moeder is verbeterd. De zorgen zijn echter nog niet verdwenen. De ontwikkelingen zijn nog pril en [minderjarige] moet in april 2026 nog bij de kinderrechter komen voor de behandeling van zijn strafzaak. 5.6. Gelet op het voorgaande is aan de wettelijke eisen voldaan en nu alle betrokkenen akkoord zijn met toewijzing van de machtiging gesloten plaatsing, zal de kinderrechter het verzoek toewijzen voor het restant van de gevraagde duur.