Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1807
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,518 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1807 text/xml public 2026-03-19T15:19:57 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/444951 / JE RK 26-248 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1807 text/html public 2026-03-19T15:19:50 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1807 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/444951 / JE RK 26-248 Toewijzen verzoek gesloten plaatsing in kader van voogdij GI RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer : C/02/444951 / JE RK 26-248 Datum uitspraak: 12 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI, over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat: [gemachtigde] . De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [minderjarige] , voornoemd, [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. F. Pool te Rotterdam. De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere procesverloop 1.1. Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ingekomen bij de griffie op 10 februari 2026; - de instemmende verklaring d.d. 9 februari 2026 van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, ingekomen op 10 februari 2026. 1.2. Op 12 februari 2026 heeft de kinderrechter de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: [minderjarige] en haar advocaat, die eerst apart met de kinderrechter hebben gesproken; de moeder en haar advocaat; twee vertegenwoordigers van de GI; een vertegenwoordigster van de Raad. De vader was niet aanwezig, maar was wel op de juiste wijze op de hoogte gebracht van de zitting. 1.3. Het verzoek is vanwege de samenhang, gelijktijdig behandeld met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/444231 RK 26-116 en het verzoek van de moeder met kenmerk C/02/444735 JE RK 26-215. Op deze zaken is eveneens op 2 februari 2026 beslist en hiervoor zal een afzonderlijke beschikking worden afgegeven. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van 2 februari 2026 met nummer C02/44440 FA RK 26-450 heeft de kinderrechter het gezag van de moeder geschorst tot 2 mei 2026 en is [minderjarige] onder voorlopige voogdij gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant. 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 18 februari 2026 en het reguliere verzoek aangehouden tot de mondelinge behandeling van 12 februari 2026. 2.3. [minderjarige] verblijft sinds 6 februari 2026 bij [accommodatie] in [plaats] op grond van voornoemde spoedmachtiging. 3 Het verzoek 3.1. De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. 4 Het standpunt van de GI 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat [minderjarige] opgroeit in een instabiele en structureel onveilige thuissituatie met zorgen over de basale zorg, pedagogische vaardigheden en conflicten tussen moeder en instanties. Er is een patroon gezien van onveiligheid en gebrek aan medewerking aan hulpverlening. Er zijn sinds 2012 verschillende periodes van ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen geweest. De thuissituatie in sinds eind november 2025 verslechterd na een crisis waarbij ook de broers van [minderjarige] betrokken waren. Het crisis interventie team is ingeschakeld en kort hierna heeft de moeder een batterij ingeslikt waarna zij met spoed naar het ziekenhuis is gebracht. De moeder heeft in de periode hierna meerdere malen een batterij ingeslikt en een overdosis pillen genomen. Ook heeft zij gedreigd brand te stichten. De moeder blijft [minderjarige] belastend met zelfbeschadigend gedrag en dit leidt tot ernstige emotionele onveiligheid en gevoelens van verantwoordelijkheid van [minderjarige] voor haar moeder. Dit verstoort haar dagelijks functioneren en ontwikkeling. De situatie is sinds begin januari 2026 verder geëscaleerd. [minderjarige] is meermalen weggelopen van de instelling waar zij verbleef op grond van de machtiging tot uithuisplaatsing en ging dan terug naar de moeder. De moeder slikte op een van die momenten op 14 januari 2026 wederom een batterij in en zwaaide met een mes toen de politie [minderjarige] kwam halen. De politie heeft gedreigd de moeder met een taser onder controle te krijgen en [minderjarige] is naar het politiebureau gebracht. Het politiebureau moest vervolgens tijdelijk worden gesloten vanwege een veiligheidsrisico, omdat de moeder en de meerderjarige broer van [minderjarige] dreigende signalen afgaven. Het gedrag van de moeder vormt een direct gevaar voor [minderjarige] maar ook voor hulpverleners. [minderjarige] heeft een grote loyaliteit naar de moeder en kan daardoor geen beslissingen in haar eigen belang maken. Minder ingrijpende maatregelen zijn uitgeput en hebben niet geleid tot meer veiligheid. De GI acht een gesloten plaatsing noodzakelijk om rust en stabiliteit te creëren en om diagnostiek en behandeling op te starten. Ook na de beschikkingen van 2 februari 2026 waarin de kinderrechter het gezag van de moeder tijdelijk heeft geschorst en het restant van de spoedmachtiging is toegewezen, blijft de feitelijke situatie rond [minderjarige] ernstig verslechteren. [minderjarige] neemt op dezelfde dag nog een overdosis aan paracetamol en diclofenac en wordt opgenomen in het ziekenhuis. De GGZ ziet geen reden tot spoedopname, maar [minderjarige] neemt een dag later, op 3 februari 2026 wederom meerdere medicatiestrips in. Op 4 februari 2026 wordt zij na een inschatting van de GGZ weer ontslagen uit het ziekenhuis en teruggebracht naar de open groep waar zij echter wederom wegloopt en ook nogmaals een overdosis medicatie inneemt en ook weer wordt opgenomen in het ziekenhuis. De groepsbegeleiding heeft geen aanleiding gezien voor een gedragsverandering; [minderjarige] was de hele namiddag en avond in de gezamenlijke ruimte, speelde spelletjes met een groepsgenootje en ook het eten was gezellig. Het is onduidelijk waar de ommekeer vandaan kwam en ook [minderjarige] kan het zelf niet uitleggen. 4.2. Bij de mondelinge behandeling is hier aan toegevoegd dat het standpunt onveranderd is. Er wordt geen andere optie gezien dan een onvoorwaardelijke gesloten plaatsing. [minderjarige] wil geen bemoeienis en terug naar de moeder. Er is daarom geen vertrouwen dat zij nu niet zou weglopen bij de open setting. Haar wegloopgedrag lijkt geen bewuste keuze, maar meer een copingmethode. Ze komt echter zo niet toe aan de diagnostiek en behandeling die ze nodig heeft. Het is van groot belang dat zij vanuit een veilige setting kan werken aan keuzes maken die in haar belang zijn. Bij de gesloten plaatsing zal de nadruk met name liggen op toewerken naar een open kader. De GI geeft aan [minderjarige] in een veilige setting te willen steunen in het behouden van haar vriendinnen en hobby’s. 5 Het standpunt van de belanghebbenden en de Raad 5.1. [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij beschadigd raakt door langer gesloten geplaatst te zitten. Zij vindt het niet fijn bij [accommodatie] en is liever bij de [open setting] waar zij eerder verbleef als zij niet terug kan naar de moeder.
Volledig
[minderjarige] vindt dat ze te hardhandig is aangepakt bij [accommodatie] en wil graag haar vriendinnen blijven zien, haar paard kunnen verzorgen en haar baantje terug, zodat zij ook voor haar paard kan betalen. Nu neemt de moeder deze kosten op zich. 5.2. De advocaat van [minderjarige] heeft hier aan toegvoegd dat [minderjarige] zich niet veilig voelt in de gesloten setting en dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat [minderjarige] een sterke jongedame is die kan vertellen wat ze wel en niet wil en volgend jaar 18 jaar wordt. Zij heeft nog trauma’s overgehouden aan haar verblijf in pleeggezinnen in haar vroege jeugd en de gesloten plaatsing kan weer een nieuw trauma veroorzaken. 5.3. Door de moeder van [minderjarige] is aangevoerd dat zij niet achter de gesloten plaatsing staat. Zij doet wat haar goed dunkt om [minderjarige] de weg naar de volwassenheid te brengen. Zij overlegt alles met [minderjarige] en heeft een normale moeder-dochter band met haar. Zij betreurt dat ze de hulp van jeugdzorg heeft ingeschakeld in september toen het thuis met de oudste zoon van de moeder niet goed liep. Zij haalde [minderjarige] juist uit die nare situatie, maar nu lijkt het alsof zij [minderjarige] juist kwijt raakt. Door de advocaat van de moeder is hier nog aan toegevoegd dat er geen sprake is van een symbiotische relatie en dat [minderjarige] haar keuzes niet louter maakt uit angst of loyaliteit naar de moeder. De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek gesloten plaatsing. Een gesloten plaatsing is een ultimum remedium en gedurende een voorwaardelijke gesloten plaatsing kunnen zowel de moeder als [minderjarige] ook ander gedrag laten zien. 5.4. De Raad heeft bij de mondelinge behandeling gesteld dat zij volledig achter het verzoek van de GI staan en geen andere optie zien dan een machtiging gesloten plaatsing jeugdhulp. 6 De beoordeling 6.1. Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, kan een machtiging slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de hulp die de jeugdige nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarnaast moet niet zijn gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. 6.2. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling, blijkt dat er nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. De kinderrechter verwijst naar hetgeen is opgenomen in de beschikking van 2 februari 2026. Gezien de ernstige situatie die is ontstaan na de uitspraak van 2 februari 2026 waarbij [minderjarige] meermalen een overdosis medicatie heeft ingenomen en daarvoor steeds werd opgenomen in het ziekenhuis is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige opgroei en opvoedingsproblemen zoals hiervoor bedoeld. Daarnaast wijst de kinderrechter op het advies van de gedragswetenschapper van 9 februari 2026. Deze gedragswetenschapper heeft gesteld dat het van belang is eerst een stabiele situatie te creëren en te bezien wat [minderjarige] nodig heeft om zich evenwichtig te ontwikkelen. Omwille van haar veiligheid is volgens de gedragswetenschapper voorlopig gesloten jeugdhulp geïndiceerd, zoals dat door de GI is verzocht. Of er kan worden toegewerkt naar een terugkeer bij moeder, zoals door [minderjarige] gewenst wordt, zal bekeken moeten worden vanuit zowel de komende observaties en de noodzakelijke individuele- en systeemgesprekken. De kinderrechter volgt de gedragswetenschapper in deze visie. 6.3. De kinderrechter acht het dan ook noodzakelijk dat [minderjarige] gesloten geplaatst blijft voor de gevraagde termijn van drie maanden. Er is nog diagnostiek en behandeling nodig. De kinderrechter acht het van groot belang dat de symbiose, de verstrengelde relatie van [minderjarige] met de moeder, wordt doorbroken, zodat [minderjarige] haar eigen beslissing neemt, haar eigen leven kan leiden en niet meer wordt belast met de problematiek van de moeder. De kinderrechter gunt zowel [minderjarige] als de moeder een goede, open en warme band met elkaar, maar is van oordeel dat zij eerst los van elkaar moeten komen voordat er een gezonde band kan ontstaan. 6.4. De kinderrechter complimenteert de moeder dat zij ondanks haar krappe financiële situatie de kosten van het paard van [minderjarige] tijdelijk op zich heeft genomen. Het is duidelijk dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat [minderjarige] haar moeder daarnaast ook nodig heeft als steunfiguur. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de GI ook het belang inziet van het paard en er daarom aan meewerkt dat [minderjarige] haar paard kan blijven zien, berijden en verzorgen. Niet alleen omdat het haar hobby is, maar ook een uitlaatklep. [minderjarige] kan immers steun ontlenen aan haar paard nu haar moeder (tijdelijk) wegvalt. 6.5. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1. verleent een machtiging gesloten jeugdhulp van [minderjarige] met ingang van 18 februari 2026 tot uiterlijk 18 april 2026. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.