Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1806
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1806 text/xml public 2026-03-19T15:22:56 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/443999 / JE RK 26-71 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1806 text/html public 2026-03-19T15:22:33 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1806 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/443999 / JE RK 26-71 Verlenging ondertoezichtstelling voor drie maanden zodat de overdracht naar de accommodatie kan plaatsvinden. Het overige deel van het verzoek wordt afgwezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/443999 / JE RK 26-71 Datum uitspraak: 12 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING , gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Möller uit Tilburg, ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. J.J.A. van Roessel, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026; het stelbericht van T. Möller van 26 januari 2026; de e-mail van [minderjarige] van 9 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: - de moeder met bijgestaan door mr. J.J.A. van Roessel; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mail gestuurd op 9 februari 2026. De kinderrechter heeft hiervan kennis genomen. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting ook een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. [minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3. [minderjarige] woont bij zijn moeder. 2.4. De kinderrechter heeft bij beschikking van 26 augustus 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Laatstelijk, bij beschikking van 21 augustus 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd, met ingang van 26 augustus 2025 tot 26 februari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De zorgen over [minderjarige] bestaan nog steeds. [minderjarige] spreekt de wens uit naar school te willen gaan, maar laat dit niet zien in concrete acties. Het overleg met [woongroep] is niet doorgegaan, omdat er geen plek is voor [minderjarige] . Er is een andere optie voor een school gevonden bij [jeugdhulp] . Daar wordt met activiteiten toegewerkt om weer naar school te gaan. De intake was deze week. [begeleiding] begeleidt [minderjarige] door middel van persoonlijke begeleiding en gezinsbehandeling. De gezinsbehandeling is pas een paar maanden geleden gestart. 4.2. In de komende negen maanden zal gewerkt worden aan de dagbesteding. De dagbesteding zal gemonitord worden. De GI vindt het belangrijk dat er contact is met de vader. Tegelijkertijd geeft [minderjarige] aan dat hij alleen contact wil met zijn vader op de momenten dat hij het wil en dus niet op vaste dagen. De GI wil zijn wens respecteren en benadrukt ook het belang van contact met zijn vader. 5 De standpunten 5.1. Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich niet kan vinden in het verzoek. De moeder ziet dat er zorgen zijn over [minderjarige] ten aanzien van de dagbesteding en de school. Er zijn echter ook positieve ontwikkelingen. [minderjarige] geeft immers zelf aan dat hij weer naar school wil gaan. Er is geen nieuwe ontheffing gekregen van de leerplicht. Vanochtend heeft [minderjarige] een intakegesprek gehad bij [jeugdhulp] . In de beschikking van zes maanden geleden staat dat de ondertoezichtstelling verlengd zou worden voor zes maanden zodat deze afgebouwd kan worden. Dat is niet gelukt. De reden daarvoor ligt volgens de moeder bij de GI. De jeugdbeschermer is niet betrokken bij het gezin en zorgt voor onnodige vertraging omdat zij de regie niet pakt. In het verzoek staat dat de hulpverlening twee weken stilgelegen heeft vanwege de financiering, maar dat was in werkelijkheid vijf weken. De moeder werkt aan alle hulpverlening mee. Zij heeft de hulpverlening van [begeleiding] ingeschakeld voordat de ondertoezichtstelling liep. Zij begrijpt niet waarom er een gedwongen kader nodig is. Verder probeert de moeder [minderjarige] te motiveren om contact met de vader te hebben. Zij wil hem daarin niet dwingen. 6 De beoordeling Wettelijk kader 6.1. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. 6.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en; de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen. Inhoudelijke beoordeling 6.3. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat de ondertoezichtstelling voor drie maanden zal worden toegewezen en voor het overige deel zal worden afgewezen. De kinderrechter vindt het positief dat zowel de moeder als [minderjarige] meewerken aan de hulpverlening van [begeleiding] en dat de moeder inziet dat [minderjarige] dagbesteding nodig heeft. [minderjarige] toont daarnaast motivatie om naar school te gaan. De GI zal zich in de komende drie maanden moeten inspannen voor de overdracht aan [accommodatie] , zodat zij in een vrijwillig kader de regie kunnen voeren. De kinderrechter benadrukt dat [minderjarige] er nog niet is. In de tussentijd dient de GI er daarom voor te zorgen dat er dagbesteding voor [minderjarige] komt. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat wanneer dit op de rails komt en de hulpverlening van [begeleiding] door blijft lopen er een geslaagde overdracht naar het vrijwillig kader zal plaatsvinden. De moeder heeft nadrukkelijk toegezegd dat zij in een vrijwillig kader aan de hulpverlening zal meewerken. 6.4. De kinderrechter constateert dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader onregelmatig is, maar dat er wel contact is. Het is belangrijk dat dit contact in stand blijft. Ook de moeder vindt dat. Aan de andere kant is het ook van belang dat [minderjarige] zijn wens gerespecteerd wordt. Er moet geen sprake zijn van dwang. Uitvoerbaar bij voorraad 6.5. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6.6. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 7 De beslissing De kinderrechter: 7.1.