Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1800
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,943 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1800 text/xml public 2026-03-19T14:41:56 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/409858 / FA RK 23-2427 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1800 text/html public 2026-03-19T13:55:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1800 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/409858 / FA RK 23-2427 Beschikking wijziging zorgregeling. Rechtbank wijst verzoek van de man af. De huidige zorgregeling zal worden vastgelegd. Afwijzen verzoek vrouw tot alcoholverbod man. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/409858 / FA RK 23-2427 Datum uitspraak: 12 februari 2026 Nadere beschikking betreffende wijziging zorgregeling in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] , advocaat: mr. J.M. Szczerbak te ’s-Gravenhage, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna te noemen: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het nadere procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: de beschikking van 7 januari 2025 en alle daarin genoemde stukken; het op 2 juli 2025 ontvangen rapport van de Raad; het op 16 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Szczerbak; het op 21 juli 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Kocabas-Güler; de brief van [minderjarige] , ontvangen op 5 december 2025; het op 12 januari 2026 ontvangen bericht van mr. Szczerbak, inhoudende een aanvullend verweerschrift met bijlagen, alsmede een per post ingediende USB-stick met video-opnames; het op 16 januari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Szczerbak met bijlage. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten, bijgestaan door een tolk Pools. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig van de Raad. 1.3 [minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt. Hij heeft hierover een brief gestuurd aan de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De verdere beoordeling De vorige beschikking 2.1 De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 7 januari 2025. Hierin is de beslissing op de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling aangehouden, zulks in afwachting van het briefrapport van de Raad en de schriftelijke reacties daarop van partijen. Daarnaast is overwogen dat tussen partijen, hoewel dit niet door partijen is verzocht, onderling een bindende afspraak geldt, inhoudende dat er voor de loop van de procedure een informatieregeling tussen de ouders geldt, waarbij zij elkaar eenmaal per week mailen (de man op maandag en de vrouw op zondag) en dat er in dit bericht wordt beschreven hoe het met [minderjarige] is gegaan. Als de man of de vrouw zorgen heeft over [minderjarige] , dan wordt er voorgesteld om telefonisch contact te hebben. Het rapport en advies van de Raad 2.2 Op 2 juli 2025 heeft de Raad haar rapport ingediend. Hieruit blijkt dat het beter gaat met [minderjarige] . Hij lijkt meer rust te ervaren en heeft het bij beide ouders naar zijn zin. Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en beide opvoedsituaties sluiten voldoende aan bij zijn behoeften. Daarnaast zijn de ouders in onderling overleg een zorgregeling overeengekomen, waarbij [minderjarige] om de week vanaf woensdagmiddag aansluitend aan school tot en met maandagochtend voor aanvang van school bij de vader verblijft. Het lukt de ouders om zich aan deze zorgregeling te houden. Deze positieve ontwikkelingen zijn daarentegen relatief pril. Er is sprake van een zeer minimaal en fragiel vertrouwen tussen de ouders en de ouders vervallen nog altijd snel in eigen, oude patronen. [minderjarige] is gebaat bij continuïteit, overzicht en rust rondom de contactmomenten. De Raad adviseert de huidige zorgregeling vast te stellen, nu dit het meest in het belang van [minderjarige] is. De huidige regeling heeft immers voor [minderjarige] en de ouders voor meer rust gezorgd. Een wijziging van deze regeling zal weer voor onrust zorgen. Ook geeft de huidige regeling voldoende mogelijkheid voor beide ouders om met [minderjarige] een betekenisvolle (opvoeders)relatie te blijven onderhouden. Tot slot adviseert de Raad om de huidige informatieregeling te handhaven, waarbij de ouders elkaar één keer per week (vader op maandag en moeder op zondag) mailen en daarin beschrijven hoe het met [minderjarige] is gegaan. Ook is afgesproken dat wordt voorgesteld om telefonisch contact te hebben als een van de ouders zorgen heeft over [minderjarige] . Deze informatieregeling verloopt naar tevredenheid van beide ouders en er hebben zich in de tussentijd geen problemen voorgedaan. De verzoeken 2.3 Aan de orde is het nog resterende verzoek van de man. Er wordt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht: I. De bij beschikking van 29 april 2021 vastgelegde zorgregeling te wijzigen naar een regeling waarbij de minderjarige bij de man zal zijn om de week van maandag uit school tot de opvolgende maandag naar school, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te verdelen; II. Althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarige juist acht. 2.4 Tevens is aan de orde het op 12 januari 2026 door mr. Szczerbak ingediende aanvullende verweerschrift, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek. Er wordt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht: I. Het verzoek van de man om een co-ouderschapsregeling vast te stellen, af te wijzen en de huidige zorg- en contactregeling te handhaven, met dien verstande dat [minderjarige] om de twee weken vanaf woensdag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijft; II. De man te verbieden alcohol te nuttigen tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de man. De nadere standpunten 2.5 [minderjarige] schrijft in zijn brief aan de rechtbank dat hij wil dat het blijft zoals het is. 2.6 Door en namens de man wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, samengevat, verklaard dat de man zijn verzoek handhaaft. Het gaat goed met [minderjarige] . De man merkt wel dat [minderjarige] last heeft van een loyaliteitsconflict. De ene keer wil [minderjarige] een co-ouderschapsregeling en de andere keer wil hij dat het blijft zoals het nu is. De man kan in het belang van [minderjarige] instemmen met de huidige zorgregeling. Als [minderjarige] eenmaal volwassen is, dan kan hij zelf beslissen wat hij wil. Voorts verklaart de man dat [jeugdhulp] niet meer betrokken is. De vrouw is vanaf dat moment teruggevallen in haar oude patroon en zet de man neer als slechte vader. De namens de vrouw ingediende video-opnames dateren van de periode dat [jeugdhulp] nog betrokken was. Naar aanleiding van die zorgen heeft [jeugdhulp] gesprekken gevoerd met de ouders, heeft er een huisbezoek plaatsgevonden bij de man en is de situatie besproken met [minderjarige] . Er zijn daarna geen zorgen meer naar voren gekomen. Het staat de man vrij om alcohol te gebruiken. Er is nooit sprake geweest van alcoholmisbruik. De voorwaarde die de vrouw stelt aan de zorgregeling is niet haalbaar. De man vermoedt dat de vrouw [minderjarige] negatief beïnvloedt. Hij wil geen strijd meer voeren met de vrouw. De ouders overleggen met elkaar over [minderjarige] via de e-mail. Er is over het algemeen meer rust gekomen tussen de ouders. [jeugdhulp] heeft ook geconcludeerd dat de opvoedsituatie bij beide ouders rustig en veilig is.
Volledig
Hoewel de man de mening van [minderjarige] respecteert, benadrukt hij dat er geen sprake is van een contra-indicatie voor co-ouderschap. 2.7 Door en namens de vrouw wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, samengevat, verklaard dat het aanvullende verweerschrift van 12 januari 2026 het eerdere aanvullende verweerschrift van 17 juni 2024 vervangt. De huidige zorgregeling verloopt goed en de vrouw wil deze regeling daarom niet veranderen. Ze begrijpt dat [minderjarige] ook van de man houdt. De vrouw heeft wel van [minderjarige] gehoord dat hij moeite heeft met het feit dat de man in zijn aanwezigheid alcohol drinkt. Dit maakt dat de vrouw een aanvullend verzoek heeft gedaan. De vrouw merkt verbetering ten opzichte van de communicatie tussen de ouders. De informatieregeling verloopt ook goed. Het is positief dat de man zich neerlegt bij de huidige zorgregeling. De vrouw verzoekt dat in de beschikking wordt vastgelegd dat er geen sprake mag zijn van overmatig alcoholgebruik in de thuissituatie van de man. 2.8 De Raad licht toe dat het positief is dat beide ouders achter de vastlegging van de huidige zorgregeling staan. De Raad benadrukt dat ervan uit wordt gegaan dat er tijdens de contactmomenten met [minderjarige] geen sprake is van (overmatig) alcoholgebruik door de ouders. De Raad handhaaft tot slot haar advies. Inhoudelijke beoordeling 2.9 In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een ouder een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). 2.10 Niet in geschil is dat er sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden. Sinds de vaststelling van de zorgregeling op 29 april 2021 hebben zich immers verschillende ontwikkelingen voorgedaan, waaronder de verbetering van de verstandhouding tussen partijen en de vaststelling van de Raad dat er geen zorgen zijn over de opvoedomgeving van [minderjarige] bij beide ouders. Dit maakt dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. 2.11 De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat de ouders in onderling overleg een zorgregeling zijn overeengekomen, waarbij [minderjarige] om de week vanaf woensdagmiddag aansluitend aan school tot en met maandagochtend voor aanvang van school bij de man verblijft. Het lukt de ouders om zich al een lange tijd aan deze zorgregeling te houden. Het gaat daarnaast goed met [minderjarige] . Hij lijkt meer rust te ervaren. Er zijn uit het onderzoek van de Raad geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] naar voren gekomen en beide opvoedsituaties sluiten voldoende aan bij zijn behoeften. Ook lijkt er een positieve ontwikkeling te hebben plaatsgevonden met betrekking tot de oudercommunicatie, aangezien het de ouders lukt om op een zakelijke wijze via de e-mail over [minderjarige] te communiceren. Tijdens de mondelinge behandeling is voorts gebleken dat de ouders het erover eens zijn dat de huidige zorgregeling in het belang van [minderjarige] dient te worden vastgelegd. Hoewel de man geen contra-indicaties ziet om een co-ouderschapsregeling vast te stellen, legt de man zich neer bij de mening van [minderjarige] dat hij wil dat de zorgregeling blijft zoals het nu is. De man hoopt wel dat [minderjarige] hem meer zal opzoeken als hij wat ouder is. [minderjarige] bevestigt in zijn brief aan de rechtbank dat hij graag wil dat de zorgregeling blijft zoals het is. Het is – mede gelet op de levensfase van [minderjarige] – van belang dat er zo snel mogelijk continuïteit, overzicht, rust en duidelijkheid ontstaat met betrekking tot de zorgregeling. De zorgregeling verloopt goed en er is rust ontstaan. De rechtbank is, evenals de Raad, van oordeel dat de huidige regeling moet worden vastgelegd in de beschikking, nu dit het meest in het belang van [minderjarige] is. Er dient hiermee een einde te komen aan de langdurige (rechts)strijd tussen de ouders. De scheidingssituatie vraagt al jaren veel van [minderjarige] . [minderjarige] heeft het naar zijn zin bij beide ouders en kan op deze wijze een betekenisvolle relatie met hen onderhouden. Een wijziging van de zorgregeling kan weer voor onrust zorgen, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Op grond van het voorgaande bepaalt de rechtbank dat de bij beschikking van 29 april 2021 vastgelegde zorgregeling zal worden gewijzigd, waarbij [minderjarige] voortaan om de week vanaf woensdagmiddag aansluitend aan school tot en met maandagochtend voor aanvang van school bij de man verblijft. 2.12 Met betrekking tot het advies van de Raad om de tussen partijen lopende informatieregeling in de beschikking vast te leggen, overweegt de rechtbank als volgt. Geen van partijen heeft een daartoe strekkend verzoek ingediend. De rechtbank kan zulks dan ook niet in het dictum opnemen. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat de ouders zich echter in de regeling kunnen vinden, alsmede in de vastlegging daarvan. Dit maakt dat er tussen partijen onderling een afspraak geldt, die beide ouders bindt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders deze afspraak zullen nakomen. Tussen de ouders geldt derhalve de volgende informatieregeling. Partijen mailen elkaar eenmaal per week (de man op maandag en de vrouw op zondag) en beschrijven in dit bericht hoe het met [minderjarige] is gegaan. Als de man of de vrouw zorgen heeft over [minderjarige] , dan wordt er voorgesteld om telefonisch contact te hebben. 2.13 De rechtbank wijst tot slot het verzoek van de vrouw ten aanzien van het alcoholverbod voor de man op het moment dat [minderjarige] bij hem verblijft af. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen met elkaar overeengekomen dat er geen sprake is van overmatig alcoholgebruik als [minderjarige] bij een van de ouders verblijft. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders zich aan deze afspraak zullen houden. Daarbij overweegt de rechtbank dat een alcoholverbod zeer vergaand is en niet zomaar in een civiele procedure kan worden opgelegd. De zorgen van de vrouw met betrekking tot het alcoholgebruik van de man zijn eerder door [jeugdhulp] opgepakt. Er hebben huisbezoeken bij en gesprekken met de man plaatsgevonden en er zijn daarna vanuit [jeugdhulp] geen nieuwe zorgen meer naar voren gekomen. Ook de Raad heeft tijdens haar onderzoek geen zorgen met betrekking tot de opvoedsituaties van beide ouders. De rechtbank maakt uit een e-mail van een docent van [minderjarige] van januari 2026 op (productie 1 bij het aanvullend verweerschrift) dat [minderjarige] wel uitspraken over de thuissituatie van de man heeft gedaan die vragen oproepen over alcoholgebruik. Hier is tijdens de mondelinge behandeling over gesproken en naar aanleiding daarvan, in combinatie met de zorgen van de vrouw, is voornoemde afspraak tussen partijen gemaakt. 2.14 De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de wijziging van de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden. 2.15 Gezien het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.