Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1799
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,984 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1799 text/xml public 2026-03-19T14:48:27 2026-03-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-12 C/02/443701/ FA RK 26-63 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1799 text/html public 2026-03-19T13:55:57 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1799 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-02-2026 / C/02/443701/ FA RK 26-63 Vervangende toestemming voor reis naar Servië. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/443701/ FA RK 26-63 datum uitspraak: 12 februari 2026 beschikking over vervangende toestemming vakantie in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. R. Wouters te Middelburg, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zit het volgende stuk - het op 30 december 2025 ontvangen verzoek, met bijlagen. 1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 9 februari 2026. Bij die behandeling is gekomen de vrouw, met haar advocaat. De man en de Raad zijn juist opgeroepen, maar zijn niet gekomen. 1.3. De minderjarige [minderjarige 1] heeft zijn mening omtrent het verzoek kenbaar gemaakt in een gesprek met de rechter. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar getrouwd. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum 1] 2025 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld. 2.2. Tijdens het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. 2.3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw. 2.4. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.5. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft zowel de Nederlandse (en naar zij stelt) de Servische nationaliteit. 3 Het verzoek en de standpunten 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - te bepalen dat door de rechtbank c.q. de kinderrechter (vervangende) toestemming wordt verleend – ter vervanging van de toestemming van de man - aan moeder: - om met de minderjarigen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] ) naar Servië te reizen in de periode van 13 februari 2026 tot en met 22 februari 2026 alsmede - om met de minderjarigen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] ) naar Servië te reizen in de periode van 20 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 en daar gedurende die periodes te verblijven. 3.2. De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. 3.3. Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Het standpunt van de vrouw 4.1. Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift en tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. Er is een zorgregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen, maar de man voert deze niet uit. Hij is ter zake daarvan inmiddels ook al dwangsommen verbeurd. De vrouw wil twee keer met de kinderen op familiebezoek naar Servië maar de man weigert de toestemmingsformulieren te tekenen. De vrouw heeft deze papieren aan de man toegezonden en is vervolgens ook met deze papieren naar het werk van de man gegaan en heeft geprobeerd de man ervan te overtuigen de papieren te tekenen. De man heeft dit niet gedaan. Vorig jaar heeft de vrouw ook al problemen ervaren doordat de man zijn toestemming voor de reis naar Servië niet verleende. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daardoor toen op het laatste moment niet mee gekund naar Servië omdat de vrouw niet de benodigde formulieren kon tonen aan de marechaussee op het vliegveld. De kinderen en de vrouw hebben dit als heftig ervaren. De vrouw wil graag met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op bezoek bij haar familie in Servië. Ook wordt het neefje van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedoopt en zij willen daar graag bij zijn. De eerste reis van de vrouw staat al op 13 februari 2026 dus het is van belang dat er snel op het verzoek van de vrouw wordt beslist. De inhoudelijke beoordeling 4.2. De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing. 4.3. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. 4.4. In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). 4.5. De man is, ondanks dat hij daartoe correct is opgeroepen, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling. Het is partijen om die reden dan ook niet gelukt om een afspraak met elkaar te maken over het verlenen van toestemming voor de reis van de vrouw met de minderjarigen naar Servië. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw. Vervangende toestemming vakantie 4.6. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij met de vrouw af kunnen reizen naar Servië voor familiebezoek. De rechtbank acht het in het belang van hun ontwikkeling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun familie in Servië kunnen bezoeken en ook aanwezig kunnen zijn bij de doop van hun neefje. De man heeft ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming dan ook toewijzen. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om met de minderjarigen [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] ) naar Servië te reizen in de periode van 13 februari 2026 tot en met 22 februari 2026 en in de periode van 20 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 en daar gedurende die periodes te verblijven; 5.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.