Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:1794
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,039 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1794 text/xml public 2026-03-19T14:10:27 2026-03-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-11 C/02/444186 / JE RK 26-103 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1794 text/html public 2026-03-19T13:54:32 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1794 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-02-2026 / C/02/444186 / JE RK 26-103 Art. 1:265b BW. Verzoek machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen. Vader is niet in contact met de GI en er is geen zicht op de minderjarige. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/444186 / JE RK 26-103 Datum uitspraak: 11 februari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming , regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 januari 2026; - het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026. 1.2. De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door mr. De Jongh, waarnemer voor mr. Kranenburg; de vader; een vertegenwoordigster van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] woont bij haar moeder. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 augustus 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten De GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woonde samen met haar broer [persoon] bij haar moeder. De ouders zijn in 2018 gescheiden. Tussen de ouders is al langdurig sprake van een complexe echtscheiding. De voortdurende strijd tussen ouders veroorzaakt verhoogde spanning, wat leidt tot escalaties tussen [minderjarige] en de moeder. Daarnaast zijn er zorgen over [minderjarige] externaliserende gedrag in combinatie met ADHD. Door meerdere heftige conflicten is de thuissituatie bij de moeder voor [minderjarige] niet langer houdbaar. Na deze escalaties heeft [minderjarige] herhaaldelijk en duidelijk aangegeven bij haar vader te willen wonen. Hoewel de vader grotendeels in Cyprus verblijft, is hij teruggekeerd naar Nederland om, onder voorwaarden, voor [minderjarige] te zorgen. Op dit moment woont [minderjarige] bij haar vader. De GI geeft echter aan dat er sinds [minderjarige] bij haar vader woont geen zicht meer op haar is. Er komen signalen dat het niet goed met haar gaat, onder meer door opnieuw veel schoolverzuim. De vader weigert in gesprek te gaan met de GI en handelt zonder haar betrokkenheid. Hij geeft aan zelf de schoolgang te willen regelen, maar dit komt niet van de grond. [minderjarige] zit enorm klem tussen de ouders. Er zijn grote zorgen over haar welzijn en gedrag, terwijl er tegelijkertijd weinig zicht op haar situatie is. Bovendien is er geen enkele samenwerking met de vader. De GI vindt het moeilijk om het verzoek te handhaven, mede omdat zij [minderjarige] niet meer heeft kunnen spreken. Gezien het feit dat [minderjarige] eerder duidelijk heeft aangegeven bij haar vader te willen wonen, blijft de GI echter bij haar verzoek. De moeder 4.2. Door en namens de moeder is, samengevat, aangegeven dat er niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1:265b BW. De moeder kan niet instemmen met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De moeder vreest dat plaatsing bij de vader een aanzienlijk risico oplevert voor de emotionele, sociale en psychische ontwikkeling van [minderjarige] . Sinds [minderjarige] bij de vader woont is er geen schoolgang meer en komt er geen communicatie vanuit de vader naar school. Er is geen zicht op [minderjarige] sinds zij bij haar vader woont. Daarnaast ontbreekt samenwerking tussen de vader en de moeder, en worden afspraken niet consistent nageleefd. De vader wijzigt afspraken eenzijdig of ontkent ze, waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd is. De moeder maakt zich grote zorgen om [minderjarige] . Zij zou haar het liefst weer thuis willen hebben, maar weet niet of dat haalbaar is. [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit en moet de juiste ondersteuning krijgen. Er moet worden vastgesteld wat [minderjarige] nodig heeft om goed te kunnen functioneren. Als dat niet mogelijk is bij haar moeder thuis, dan moet zij op een andere passende plek wonen waar zij de rust krijgt die zij nodig heeft. De vader 4.3. Door de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader is in goed overleg met de GI uit Cyprus teruggekomen, en [minderjarige] woont nu bij hem. De samenwerking tussen hem en de GI is echter vastgelopen. De vader geeft aan dat hij wel contact onderhoudt, maar dit zo beperkt mogelijk houdt om [minderjarige] rust te geven. Volgens de vader staat hij in contact met de school en de leerplichtambtenaar, maar wacht hij op de GI voor verdere stappen. Het betreft een bijzondere situatie; als er een andere passende oplossing voor [minderjarige] wordt gevonden, stemt de vader daarmee in, maar voorlopig kan [minderjarige] bij hem blijven wonen. De Raad 4.4. De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De situatie is complex. [minderjarige] woont momenteel op eigen verzoek bij haar vader, maar het blijkt lastig om tot samenwerking met de vader te komen. Door het gebrek aan afstemming tussen beide ouders en tussen de vader en de GI maakt de Raad zich zorgen dat [minderjarige] niet de ondersteuning krijgt die zij nodig heeft. Het gaat op dit moment niet goed met haar; het feit dat zij niet meer naar school gaat, is zorgelijk. Er is onvoldoende zicht op haar situatie en het is moeilijk te bepalen wat zij precies nodig heeft. Er speelt iets in haar dat onbekend is en nader onderzocht moet worden. Op basis van dat onderzoek moet passende hulp worden geboden. De Raad vindt het belangrijk dat wordt gekeken naar een andere plek voor [minderjarige] , waar zij de juiste ondersteuning kan ontvangen. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Inhoudelijke beoordeling 5.2. Op basis van de stukken en hetgeen mondeling ter zitting naar voren is gebracht, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] woonde bij haar moeder. Er zijn zorgen over [minderjarige] externaliserende gedrag in combinatie met ADHD. Daarnaast is tussen haar ouders al langdurig sprake van een complexe echtscheiding, waar [minderjarige] erg mee belast is en wordt.