Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1757
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
7,361 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 text/xml public 2026-03-24T16:23:50 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Uitspraak Beschikking NL Bergen op Zoom Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0443 AR-Updates.nl 2026-0443 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 text/html public 2026-03-19T09:41:57 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Ontslag op staande voet. Werknemer is volgens werkgever van juni 2021 t/m augustus 2025 in totaal tien keer niet of te laat op het werk verschenen. Werknemer heeft dit betwist, maar was niet op de mondelinge behandeling om verder tekst en uitleg te geven. Haar gemachtigde was er wel, maar kon daarover ook geen nadere toelichting geven. Werknemer heeft de dringende reden daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ter zitting is verder gebleken dat werknemer wel degelijk kennis heeft kunnen nemen van alle waarschuwingen. Er zijn ook loonsancties opgelegd. Een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet volstond dus niet. Dat de gebeurtenissen over een periode van verschillende jaren hebben plaatsgevonden, staat niet aan de onverwijldheid in de weg. Ontslag op staande voet is rechtsgeldig, verzoeken worden afgewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Beschikking van 12 maart 2026 in de zaak van [werknemer] , te [plaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. S. Foullani (FNV), tegen [werkgever] , te [plaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. C.H. Ruis. 1 De procedure 1.1. [werknemer] heeft op 26 oktober 2025 een verzoekschrift met producties ingediend dat strekt tot vernietiging van een ontslag op staande voet. [werkgever] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek met producties ingediend. 1.2. [werknemer] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij brief van 27 januari 2025 nog een aanvullende productie toegezonden. 1.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. [werknemer] was daar zelf niet bij aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de mondelinge behandeling is besproken. De gemachtigde van [werkgever] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, die door de griffier aan het procesdossier zijn toegevoegd. 1.4. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan. 2 De feiten 2.1. [werknemer] , geboren op [geboortedag] 1991, is op 11 juni 2018 in dienst getreden van [werkgever] . Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van in- en ompakker op basis van een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatste loon bedroeg € 1.986,56 bruto per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag. 2.2. Op 27 augustus 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft [werkgever] het ontslag schriftelijk aan haar bevestigd. In de ontslagbrief wordt voor het ontslag de volgende reden aangevoerd: “Ondanks dat jij de afgelopen maanden meerdere waarschuwingen hebt ontvangen om tijdig aanwezig te zijn op de werkvloer, ben jij op 26 augustus jl. opnieuw niet op het werk verschenen. Loonsancties die we hebben gegeven nadat je niet of te laat op het werk bent verschenen, hebben eveneens geen effect gehad. Het gaat niet om een paar minuten dat je te laat bent, maar soms kom je uren te laat of kom je helemaal niet opdagen. Je bent er herhaaldelijk voor gewaarschuwd dat een volgende keer dat je te laat of niet aanwezig zou zijn, gevolgen heeft voor de voortzetting van jouw dienstverband. Hiervoor wordt verwezen naar de correspondentie van onder andere 1 juni 2021, 9 september 2021, 23 februari 2022, 19 juli 2024, 1 en 8 mei 2025 4, 8 en 19 augustus 2025. (…)” 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 27 augustus 2025. 3.2. [werknemer] legt aan haar verzoek ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Er is namelijk geen sprake van opzettelijk of ernstig verwijtbaar gedrag. Persoonlijke omstandigheden hadden invloed op haar punctualiteit. [werkgever] had daarom kunnen volstaan met een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet. Het ontslag is bovendien niet onverwijld gegeven, omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten jaren eerder hebben plaatsgevonden. 3.3. [werkgever] is het niet eens met het verzoek. Er is volgens haar wel sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. [werknemer] was in de periode van juni 2021 t/m augustus 2025 meerdere malen te laat voor haar werk. In enkele gevallen kwam zij zelfs helemaal niet opdagen. [werkgever] heeft haar daarvoor meerdere waarschuwingen gegeven. Daarnaast heeft zij na ieder incident een loonsanctie aan [werknemer] opgelegd. Deze lichtere sancties hebben echter niet tot de gewenste verbetering geleid. Toen [werknemer] op 26 augustus 2025 weer te laat op de ophaallocatie was, is [werkgever] daarom onverwijld overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. 3.4. [werkgever] heeft ook een tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt dat [werknemer] wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens het geven van een dringende reden voor ontslag op staande voet. 4 De beoordeling in het verzoek 4.1. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen. Dringende reden 4.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Als een dringende reden kunnen worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. De werkgever moet voldoende feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een dringende reden. 4.3. Doordat [werknemer] zonder goede reden niet aanwezig was op de mondelinge behandeling, heeft zij de vragen van de kantonrechter over de (vermeende) incidenten in de periode van juni 2021 t/m augustus 2025 niet kunnen beantwoorden. Daaraan zal de kantonrechter hierna – waar nodig – de gevolgen verbinden die zij geraden acht. 4.4. De gemachtigde van [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling wel het een en ander aangevoerd en nader toegelicht. [werknemer] betwist dat zij van juni 2021 t/m augustus 2025 meermaals te laat of zelfs in het geheel niet op de overeengekomen ophaallocatie en/of bij haar opdrachtgevers is verschenen. Zij erkent wel dat zij op 4 augustus 2025 te laat was voor het transport naar haar opdrachtgever. Daardoor is zij niet verschenen op de ochtenddienst waarvoor zij was ingeroosterd. In overleg met de opdrachtgever heeft zij die dag wel de middagdienst gewerkt. De oorzaak van het te laat komen is volgens [werknemer] gelegen in haar vermoeidheid en rugklachten. Hoewel zij niet was ziekgemeld, was [werkgever] wel van haar gezondheidsklachten op de hoogte. [werknemer] is verder niet bekend met de waarschuwingen waarnaar [werkgever] in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 verwijst. Deze omstandigheden maken dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet geen sprake is, aldus [werknemer] . 4.5. De kantonrechter heeft [werknemer] op de mondelinge behandeling niet kunnen vragen naar haar visie op de incidenten die volgens [werkgever] hebben plaatsgevonden (en die worden beschreven in de ontslagbrief van 27 augustus 2025).
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 text/xml public 2026-05-05T10:04:32 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Uitspraak Beschikking NL Bergen op Zoom Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0443 AR-Updates.nl 2026-0443 Prg. 2026/141 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 text/html public 2026-03-19T09:41:57 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1757 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Ontslag op staande voet. Werknemer is volgens werkgever van juni 2021 t/m augustus 2025 in totaal tien keer niet of te laat op het werk verschenen. Werknemer heeft dit betwist, maar was niet op de mondelinge behandeling om verder tekst en uitleg te geven. Haar gemachtigde was er wel, maar kon daarover ook geen nadere toelichting geven. Werknemer heeft de dringende reden daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ter zitting is verder gebleken dat werknemer wel degelijk kennis heeft kunnen nemen van alle waarschuwingen. Er zijn ook loonsancties opgelegd. Een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet volstond dus niet. Dat de gebeurtenissen over een periode van verschillende jaren hebben plaatsgevonden, staat niet aan de onverwijldheid in de weg. Ontslag op staande voet is rechtsgeldig, verzoeken worden afgewezen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 11944453 \ AZ VERZ 25-68 Beschikking van 12 maart 2026 in de zaak van [werknemer] , te [plaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. S. Foullani (FNV), tegen [werkgever] , te [plaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. C.H. Ruis. 1 De procedure 1.1. [werknemer] heeft op 26 oktober 2025 een verzoekschrift met producties ingediend dat strekt tot vernietiging van een ontslag op staande voet. [werkgever] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek met producties ingediend. 1.2. [werknemer] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij brief van 27 januari 2025 nog een aanvullende productie toegezonden. 1.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. [werknemer] was daar zelf niet bij aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de mondelinge behandeling is besproken. De gemachtigde van [werkgever] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, die door de griffier aan het procesdossier zijn toegevoegd. 1.4. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan. 2 De feiten 2.1. [werknemer] , geboren op [geboortedag] 1991, is op 11 juni 2018 in dienst getreden van [werkgever] . Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van in- en ompakker op basis van een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar laatste loon bedroeg € 1.986,56 bruto per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag en onregelmatigheidstoeslag. 2.2. Op 27 augustus 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft [werkgever] het ontslag schriftelijk aan haar bevestigd. In de ontslagbrief wordt voor het ontslag de volgende reden aangevoerd: “Ondanks dat jij de afgelopen maanden meerdere waarschuwingen hebt ontvangen om tijdig aanwezig te zijn op de werkvloer, ben jij op 26 augustus jl. opnieuw niet op het werk verschenen. Loonsancties die we hebben gegeven nadat je niet of te laat op het werk bent verschenen, hebben eveneens geen effect gehad. Het gaat niet om een paar minuten dat je te laat bent, maar soms kom je uren te laat of kom je helemaal niet opdagen. Je bent er herhaaldelijk voor gewaarschuwd dat een volgende keer dat je te laat of niet aanwezig zou zijn, gevolgen heeft voor de voortzetting van jouw dienstverband. Hiervoor wordt verwezen naar de correspondentie van onder andere 1 juni 2021, 9 september 2021, 23 februari 2022, 19 juli 2024, 1 en 8 mei 2025 4, 8 en 19 augustus 2025. (…)” 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon vanaf 27 augustus 2025. 3.2. [werknemer] legt aan haar verzoek ten grondslag dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Er is namelijk geen sprake van opzettelijk of ernstig verwijtbaar gedrag. Persoonlijke omstandigheden hadden invloed op haar punctualiteit. [werkgever] had daarom kunnen volstaan met een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet. Het ontslag is bovendien niet onverwijld gegeven, omdat de daaraan ten grondslag gelegde feiten jaren eerder hebben plaatsgevonden. 3.3. [werkgever] is het niet eens met het verzoek. Er is volgens haar wel sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. [werknemer] was in de periode van juni 2021 t/m augustus 2025 meerdere malen te laat voor haar werk. In enkele gevallen kwam zij zelfs helemaal niet opdagen. [werkgever] heeft haar daarvoor meerdere waarschuwingen gegeven. Daarnaast heeft zij na ieder incident een loonsanctie aan [werknemer] opgelegd. Deze lichtere sancties hebben echter niet tot de gewenste verbetering geleid. Toen [werknemer] op 26 augustus 2025 weer te laat op de ophaallocatie was, is [werkgever] daarom onverwijld overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. 3.4. [werkgever] heeft ook een tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt dat [werknemer] wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens het geven van een dringende reden voor ontslag op staande voet. 4 De beoordeling in het verzoek 4.1. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen. Dringende reden 4.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Als een dringende reden kunnen worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. De werkgever moet voldoende feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een dringende reden. 4.3. Doordat [werknemer] zonder goede reden niet aanwezig was op de mondelinge behandeling, heeft zij de vragen van de kantonrechter over de (vermeende) incidenten in de periode van juni 2021 t/m augustus 2025 niet kunnen beantwoorden. Daaraan zal de kantonrechter hierna – waar nodig – de gevolgen verbinden die zij geraden acht. 4.4. De gemachtigde van [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling wel het een en ander aangevoerd en nader toegelicht. [werknemer] betwist dat zij van juni 2021 t/m augustus 2025 meermaals te laat of zelfs in het geheel niet op de overeengekomen ophaallocatie en/of bij haar opdrachtgevers is verschenen. Zij erkent wel dat zij op 4 augustus 2025 te laat was voor het transport naar haar opdrachtgever. Daardoor is zij niet verschenen op de ochtenddienst waarvoor zij was ingeroosterd. In overleg met de opdrachtgever heeft zij die dag wel de middagdienst gewerkt. De oorzaak van het te laat komen is volgens [werknemer] gelegen in haar vermoeidheid en rugklachten. Hoewel zij niet was ziekgemeld, was [werkgever] wel van haar gezondheidsklachten op de hoogte. [werknemer] is verder niet bekend met de waarschuwingen waarnaar [werkgever] in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 verwijst. Deze omstandigheden maken dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet geen sprake is, aldus [werknemer] . 4.5. De kantonrechter heeft [werknemer] op de mondelinge behandeling niet kunnen vragen naar haar visie op de incidenten die volgens [werkgever] hebben plaatsgevonden (en die worden beschreven in de ontslagbrief van 27 augustus 2025).
Volledig
Omdat die incidenten door middel van het verzoekschrift en de bovenstaande toelichting onvoldoende gemotiveerd weersproken zijn, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat [werknemer] herhaaldelijk heeft verzuimd aan haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst te voldoen. Dergelijk plichtsverzuim levert in beginsel een dringende reden op voor ontslag op staande voet. 4.6. [werkgever] heeft [werknemer] voldoende gewaarschuwd voor haar gedrag en de (mogelijke) consequenties daarvan. Daarover wordt het volgende overwogen. 4.7. [werknemer] beschikte volgens haar gemachtigde vóór januari 2026 niet over de waarschuwingen die in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 worden genoemd. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling echter toegelicht dat zij iedere waarschuwing in het online portaal heeft geplaatst. Via dat portaal werden ook de loonstroken aan [werknemer] verstrekt. Volgens [werkgever] heeft [werknemer] nu nog steeds toegang tot het online portaal. Het komt voor eigen rekening en risico van [werknemer] dat zij niet op de mondelinge behandeling aanwezig was en dus geen verweer heeft kunnen voeren tegen deze stellingen. Daarmee staat in rechte vast dat [werknemer] van alle waarschuwingen kennis had kunnen nemen. Voor zover zij dat niet heeft gedaan, valt dat alleen haarzelf te verwijten. 4.8. Verder is op de mondelinge behandeling gebleken dat [werkgever] de waarschuwingen van 4, 8 en 19 augustus 2025 ook per e-mail naar [werknemer] heeft verzonden. De gemachtigde van [werknemer] heeft niet weersproken dat daarvoor gebruik is gemaakt van het e-mailadres dat [werknemer] bij haar indiensttreding aan [werkgever] heeft doorgegeven. Bovendien is ter zitting niet weersproken dat [werkgever] [werknemer] ook meermaals persoonlijk heeft aangesproken op haar gedrag, waaronder het te laat komen en het niet verschijnen. 4.9. Het standpunt van [werknemer] dat [werkgever] pas in januari 2026 heeft gereageerd op het verzoek van [werknemer] van 4 september 2025, is overigens niet juist. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling haar e-mail van 8 september 2025 aan [werknemer] overgelegd. De waarschuwingen waarnaar zij in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 heeft verwezen, zijn als bijlagen bij deze e-mail gevoegd. De kantonrechter maakt uit het e-mailbericht verder op dat [werkgever] rechtstreeks op het bericht en het e-mailadres van [werknemer] heeft gereageerd. De e-mail kan dus niet naar een verkeerd e-mailadres zijn verzonden. Hoewel op de mondelinge behandeling is gebleken dat de gemachtigde van [werknemer] niet van het bestaan van de e-mail van 8 september 2025 op de hoogte was, gaat de kantonrechter er op grond daarvan van uit dat [werknemer] deze dus wel heeft ontvangen. 4.10. Anders dan [werknemer] heeft betoogd, had [werkgever] in dit geval niet hoeven volstaan met een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet. Voor de eerdere incidenten heeft zij namelijk al negen waarschuwingen aan [werknemer] gegeven en heeft zij verschillende loonsancties aan haar opgelegd. Dit heeft er allemaal niet toe geleid dat [werknemer] haar gedrag heeft verbeterd. Daarmee heeft zij haar kansen redelijkerwijs verspeeld. 4.11. Het verweer dat de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] maken dat ontslag op staande voet in dit geval een te zware sanctie is, slaagt evenmin. De gemachtigde van [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nader toegelicht dat [werknemer] op 4 augustus 2025 last had van vermoeidheid en rugklachten, waardoor zij niet op tijd op de overeengekomen ophaallocatie kon zijn. [werkgever] was naar eigen zeggen echter niet van die klachten op de hoogte. Zij kon daar dus geen rekening mee houden in haar afweging om [werknemer] later die maand op staande voet te ontslaan. Het had op de weg van [werknemer] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van een ziekmelding. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt echter. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden staan daarom niet aan het aannemen van een dringende reden in de weg. 4.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Onverwijldheid 4.13. Naast de aanwezigheid van een dringende reden is vereist dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Dat wil zeggen dat [werkgever] direct na het bewuste incident moet zijn overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. 4.14. Aan een rechtsgeldig ontslag op staande voet staat niet in de weg dat daaraan incidenten ten grondslag worden gelegd die jaren eerder hebben plaatsgevonden. [werkgever] stelt dat het voor de vierde keer in één maand tijd niet (op tijd) op het werk verschijnen op 26 augustus 2025 de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen. Daarop heeft zij [werknemer] op 27 augustus 2025, dus een dag later, zowel mondeling als schriftelijk medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen en wat de redenen daarvoor waren. Het ontslag op staande voet is daarmee onverwijld gegeven. Afwijzen verzoek 4.15. Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Proceskosten 4.16. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. in het tegenverzoek 4.17. Het verzoek van [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding wordt afgewezen. De gemachtigde van [werknemer] heeft terecht aangevoerd dat het verzoek buiten de wettelijke vervaltermijn van twee maanden na de einddatum van de arbeidsovereenkomst is ingediend. 4.18. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak (een terecht gegeven ontslag op staande voet) daartoe aanleiding geeft. 5 De beslissing De kantonrechter: op het verzoek 5.1. wijst het verzoek van [werknemer] af; 5.2. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend; 5.3. verklaart de hiervoor genoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; op het tegenverzoek 5.4. wijst het verzoek van [werkgever] af; 5.5. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Volledig
Omdat die incidenten door middel van het verzoekschrift en de bovenstaande toelichting onvoldoende gemotiveerd weersproken zijn, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat [werknemer] herhaaldelijk heeft verzuimd aan haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst te voldoen. Dergelijk plichtsverzuim levert in beginsel een dringende reden op voor ontslag op staande voet. 4.6. [werkgever] heeft [werknemer] voldoende gewaarschuwd voor haar gedrag en de (mogelijke) consequenties daarvan. Daarover wordt het volgende overwogen. 4.7. [werknemer] beschikte volgens haar gemachtigde vóór januari 2026 niet over de waarschuwingen die in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 worden genoemd. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling echter toegelicht dat zij iedere waarschuwing in het online portaal heeft geplaatst. Via dat portaal werden ook de loonstroken aan [werknemer] verstrekt. Volgens [werkgever] heeft [werknemer] nu nog steeds toegang tot het online portaal. Het komt voor eigen rekening en risico van [werknemer] dat zij niet op de mondelinge behandeling aanwezig was en dus geen verweer heeft kunnen voeren tegen deze stellingen. Daarmee staat in rechte vast dat [werknemer] van alle waarschuwingen kennis had kunnen nemen. Voor zover zij dat niet heeft gedaan, valt dat alleen haarzelf te verwijten. 4.8. Verder is op de mondelinge behandeling gebleken dat [werkgever] de waarschuwingen van 4, 8 en 19 augustus 2025 ook per e-mail naar [werknemer] heeft verzonden. De gemachtigde van [werknemer] heeft niet weersproken dat daarvoor gebruik is gemaakt van het e-mailadres dat [werknemer] bij haar indiensttreding aan [werkgever] heeft doorgegeven. Bovendien is ter zitting niet weersproken dat [werkgever] [werknemer] ook meermaals persoonlijk heeft aangesproken op haar gedrag, waaronder het te laat komen en het niet verschijnen. 4.9. Het standpunt van [werknemer] dat [werkgever] pas in januari 2026 heeft gereageerd op het verzoek van [werknemer] van 4 september 2025, is overigens niet juist. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling haar e-mail van 8 september 2025 aan [werknemer] overgelegd. De waarschuwingen waarnaar zij in de ontslagbrief van 27 augustus 2025 heeft verwezen, zijn als bijlagen bij deze e-mail gevoegd. De kantonrechter maakt uit het e-mailbericht verder op dat [werkgever] rechtstreeks op het bericht en het e-mailadres van [werknemer] heeft gereageerd. De e-mail kan dus niet naar een verkeerd e-mailadres zijn verzonden. Hoewel op de mondelinge behandeling is gebleken dat de gemachtigde van [werknemer] niet van het bestaan van de e-mail van 8 september 2025 op de hoogte was, gaat de kantonrechter er op grond daarvan van uit dat [werknemer] deze dus wel heeft ontvangen. 4.10. Anders dan [werknemer] heeft betoogd, had [werkgever] in dit geval niet hoeven volstaan met een lichtere sanctie dan ontslag op staande voet. Voor de eerdere incidenten heeft zij namelijk al negen waarschuwingen aan [werknemer] gegeven en heeft zij verschillende loonsancties aan haar opgelegd. Dit heeft er allemaal niet toe geleid dat [werknemer] haar gedrag heeft verbeterd. Daarmee heeft zij haar kansen redelijkerwijs verspeeld. 4.11. Het verweer dat de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] maken dat ontslag op staande voet in dit geval een te zware sanctie is, slaagt evenmin. De gemachtigde van [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nader toegelicht dat [werknemer] op 4 augustus 2025 last had van vermoeidheid en rugklachten, waardoor zij niet op tijd op de overeengekomen ophaallocatie kon zijn. [werkgever] was naar eigen zeggen echter niet van die klachten op de hoogte. Zij kon daar dus geen rekening mee houden in haar afweging om [werknemer] later die maand op staande voet te ontslaan. Het had op de weg van [werknemer] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van een ziekmelding. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt echter. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden staan daarom niet aan het aannemen van een dringende reden in de weg. 4.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Onverwijldheid 4.13. Naast de aanwezigheid van een dringende reden is vereist dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. Dat wil zeggen dat [werkgever] direct na het bewuste incident moet zijn overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. 4.14. Aan een rechtsgeldig ontslag op staande voet staat niet in de weg dat daaraan incidenten ten grondslag worden gelegd die jaren eerder hebben plaatsgevonden. [werkgever] stelt dat het voor de vierde keer in één maand tijd niet (op tijd) op het werk verschijnen op 26 augustus 2025 de spreekwoordelijke druppel was die de emmer deed overlopen. Daarop heeft zij [werknemer] op 27 augustus 2025, dus een dag later, zowel mondeling als schriftelijk medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen en wat de redenen daarvoor waren. Het ontslag op staande voet is daarmee onverwijld gegeven. Afwijzen verzoek 4.15. Het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Proceskosten 4.16. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. in het tegenverzoek 4.17. Het verzoek van [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding wordt afgewezen. De gemachtigde van [werknemer] heeft terecht aangevoerd dat het verzoek buiten de wettelijke vervaltermijn van twee maanden na de einddatum van de arbeidsovereenkomst is ingediend. 4.18. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak (een terecht gegeven ontslag op staande voet) daartoe aanleiding geeft. 5 De beslissing De kantonrechter: op het verzoek 5.1. wijst het verzoek van [werknemer] af; 5.2. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend; 5.3. verklaart de hiervoor genoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; op het tegenverzoek 5.4. wijst het verzoek van [werkgever] af; 5.5. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.