Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:1750
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,018 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1750 text/xml public 2026-03-20T11:49:19 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-12 23/10401 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1750 text/html public 2026-03-20T11:48:46 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-03-2026 / 23/10401 bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/10401 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.256 (de naheffingsaanslag). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag dient te worden verlaagd. Tevens heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 20 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Renault Trafic Passenger 2.0 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.274. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 4.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft belanghebbende schriftelijk geïnformeerd dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.530 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd. Motivering Afschrijvingsmethode 4.3. Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Toepassing taxatiemethode 4.4. De taxateur van belanghebbende heeft schade aan de auto geconstateerd van € 9.710 en daarvan 94%, zijnde € 9.100, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat – gebaseerd op een marktonderzoek – van € 26.100. 4.5. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt. De handelsinkoopwaarde heeft de taxateur van DRZ bepaald aan de hand van de koerslijst AutotelexPro op € 30.117. 4.6. De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapporten en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto circa twee jaar oud was en bijna 33.500 kilometer had gereden. Dit brengt mee dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de auto niet voorkomt in een koerslijst zodat de taxatiemethode om die reden alsnog van toepassing is. Historische nieuwprijs 4.7. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 59.665, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 28.215 vermeerderd met € 5.925 btw en € 25.525 bruto bpm. De netto catalogusprijs is conform de door DRZ vastgestelde netto catalogusprijs. De rechtbank ziet in het geringe verschil in CO2-uitstoot van de referentieauto waarop deze netto catalogusprijs is gebaseerd, geen aanleiding om hiervan af te wijken. Verder dient voor het bepalen van de historische nieuwprijs te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de auto zelf, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. In zoverre is het beroep gegrond. Handelsinkoopwaarde 4.8. Belanghebbende doet een beroep op het door haar taxateur uitgevoerde marktonderzoek ter vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. 4.9. De door belanghebbende betoogde handelsinkoopwaarde is naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar. De handelsinkoopmarge van 40% is niet onderbouwd en ook is niet onderbouwd in hoeverre de referentieauto’s vergelijkbaar zijn en rekening is gehouden met verschillen met de auto. 4.10. Belanghebbende bepleit subsidiair een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 30.117 zoals volgt uit de koerslijst AutotelexPro die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt (zie 4.2). 4.11. De inspecteur heeft gewezen op het verschil in CO2-uitstoot van 14 gr/km tussen de auto en de referentieauto en gesteld dat een hogere CO2-uitstoot van de auto betekent dat de auto meer opties heeft die leiden tot een hogere CO2-uitstoot. Volgens de inspecteur leidt een hogere historische nieuwprijs ook tot een hogere handelsinkoopwaarde. 4.12. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd. Hiertoe heeft de deskundige van de inspecteur aansluiting gevonden bij de meest vergelijkbare auto volgens de koerslijst AutotelexPro. De rechtbank ziet in het geringe verschil in CO2-uitstoot geen aanleiding om af te wijken van de waarde in deze koerslijst. Hoogte naheffingsaanslag 4.13. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag als volgt dient te worden verminderd. Historische nieuwprijs € 59.665 Handelsinkoopwaarde voor schade € 30.117 Schade € - Handelsinkoopwaarde na schade € 30.117 Afschrijving € 29.548 Bruto historische Bpm € 25.525 Afschrijvingspercentage 49,5232% Afschrijving € 12.641 Verschuldigde Bpm € 12.884 Voldaan op aangifte € 8.274 Naheffing € 4.610 Immateriële schadevergoeding 4.14. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.15. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 4.16. Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/16 deel, derhalve € 469 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.031 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. 5.1.