Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2026:1746
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,016 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1746 text/xml public 2026-03-19T12:16:56 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-10 C/02/442102 / FA RK 25-5971 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1746 text/html public 2026-03-19T08:36:39 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1746 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-02-2026 / C/02/442102 / FA RK 25-5971 Provisionele voorziening. Tijdelijke afspraken. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/442102 / FA RK 25-5971 datum uitspraak 13 februari 2026 beschikking over het treffen van een provisionele voorziening in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M. Özgül, en [de man] , wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 17 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw; - de brief van mr. Özgül van 19 januari 2026 met bijlagen; - het op 20 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man; - de op 27 januari 2026 ontvangen akte wijziging verzoek met bijlagen van de vrouw. 1.2. Bij hetzelfde verzoekschrift van 17 november 2025 is ook de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/442101 / FA RK 25-5970. 1.3. De verzoeken tot het treffen van een provisionele voorziening zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2026. Bij deze gelegenheid waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. 1.4. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank, zoals afgesproken, nog ontvangen: - de brief van mr. Özgül van 6 februari 2026 met bijlage; - de brief van mr. Dekkers-De Jong van 6 februari 2026. 2 De feiten 2.1. Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad; - tijdens deze relatie zijn geboren de volgende, nu nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, en - [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017; - de man heeft de kinderen erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over hen. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, bij wege van provisionele voorziening, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 642,= per maand per kind, met ingang van 5 november 2025 dan wel met ingang van de datum van het verzoekschrift, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. 3.2. De man verzoekt, bij wege van provisionele voorziening, samengevat: - vaststelling van een contactregeling tussen hem en de kinderen; - de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel haar verzoek af te wijzen, dan wel een door hem te betalen kinderbijdrage vast te stellen van € 229,= per maand per kind. 4 De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1. Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 4.2. De rechtbank overweegt dat de vrouw ook in de hoofdzaak verzoekt om vaststelling van de kinderalimentatie. De man heeft in de hoofdzaak bij zijn verweerschrift van 20 januari 2026 zelfstandig verzocht hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen en een contactregeling vast te stellen. Zoals ter zitting is besproken en blijkt uit de nagekomen stukken, heeft de vrouw haar verweer tegen de te late indiening van dat verweerschrift ingetrokken. De rechtbank ziet dan ook geen beletsel meer om vast te stellen dat de onder 3. vermelde verzoeken voldoende samenhangen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoek. 4.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de verzoeken en standpunten van partijen over en weer besproken. Zij hebben op een aantal punten overeenstemming bereikt en afgesproken om op korte termijn in een viergesprek verder met elkaar in overleg te treden. Afgesproken is dat zij de rechtbank uiterlijk 9 februari 2026 berichten of dit overleg heeft geleid tot afspraken voor de duur van de bodemprocedure. 4.4. Uit de na de mondelinge behandeling ingekomen stukken volgt dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de voorliggende verzoeken. Omgang 4.5. Partijen hebben de volgende afspraken gemaakt over de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen: 1. de voorlopige omgangsregeling tussen de man en de kinderen zal er als volgt uit komen te zien: a. in de eerste week vindt de omgang plaats vanaf donderdag 19.30 uur tot maandagochtend voor school. De man haalt de kinderen donderdagavond op en brengt hen maandagochtend naar school; b. in de tweede week vindt de omgang plaats vanaf donderdag 19.30 uur tot zondagochtend 10.00 uur. De man haalt de kinderen bij de vrouw op en brengt hen ook weer bij haar terug; 2. de weken in bovenstaande regeling zullen zich steeds afwisselen, waarbij een aanvang wordt gemaakt met de eerste week op 26 februari 2026; 3. partijen zijn nadrukkelijk overeengekomen dat (incidentele) afwijking van deze regeling mogelijk is, indien zij hun gezamenlijk akkoord hiervoor hebben gegeven; 4. partijen hebben afgesproken dat zij in onderling overleg de vakanties zullen verdelen, waarbij als uitgangspunt een verdeling bij helfte zal zijn. 4.6. De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. De rechtbank beschouwt het door de man gedane verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dan ook als gewijzigd conform de gemaakte afspraken. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen, nu partijen het hierover eens zijn en niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet. Kinderalimentatie 4.7. Partijen zijn verder het volgende overeengekomen over de kinderalimentatie: a. met ingang van 1 november 2025 zal de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen voldoen van € 400,= per maand per kind, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen; b. de wettelijke indexering zal worden toegepast vanaf het volgende kalenderjaar, dus per 1 januari 2027; c. de man zal de achterstallige alimentatiebedragen over de maanden november 2025 tot en met februari 2026 (in totaal zijnde een bedrag van € 3.200,=) uiterlijk zondag voldoen aan de vrouw. 4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken de gemaakte afspraken op te nemen in een beschikking. De rechtbank beschouwt de verzoeken van partijen tot vaststelling van een kinderalimentatie dan ook als gewijzigd conform de gemaakte afspraken. De rechtbank zal deze verzoeken toewijzen, als na te melden. Wat betreft de wettelijke indexering overweegt de rechtbank dat de bijdrage met terugwerkende kracht wordt vastgesteld tot een datum voorafgaand aan deze beschikking, waardoor de wettelijke indexering in de tussenliggende periode (met ingang van 1 januari 2026) niet van rechtswege van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de bijdrage voor het eerst zal worden geïndexeerd per 1 januari 2027, hetgeen conform de afspraak van partijen is. Dit maakt dat partijen geen belang hebben bij opneming van deze afspraak in de beschikking. Verder wordt ervan uitgegaan dat bij partijen genoegzaam bekend is welke specifieke datum geldt voor de afspraak dat de man uiterlijk zondag de achterstallige kinderbedragen zal voldoen. Ouderlijk gezag 4.9. Partijen hebben met elkaar ook afspraken gemaakt over het gezamenlijk ouderlijk gezag.